Skip to ContentSkip to Navigation
breed in kennis  -  sterk in techniek
Onderzoek Graduate School for the Humanities

Een 'ongewenschte gast'

Nederland en de keizerskwestie, 1918-1920
Promotie:drs. R. ter SluisWanneer:22 oktober 2026 Aanvang:14:30Promotors:prof. dr. K. van Berkel, prof. dr. B.A. de GraafWaar:Academiegebouw RUGFaculteit:Letteren
Een 'ongewenschte gast'

Nederland ging goed om met ‘probleem’ keizer Wilhelm II

Nederland heeft de zogeheten keizerkwestie in 1920 adequaat afgehandeld. Of de regering een rol speelde bij de vlucht van de Duitse keizer Wilhelm II naar Nederland valt niet meer te achterhalen. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Rolf ter Sluis.

Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog ontstond rond de Duitse keizer Wilhelm II de zogeheten ‘keizerkwestie’: wat te doen met de keizer in de aanloop naar uiteindelijk een wapenstilstand? De kwestie ontaardde in het afzetten van de keizer. Die vluchtte op 10 november 1918 vanuit het Duitse hoofdkwartier in Spa (België) naar het neutrale Nederland, om politiek asiel aan te vragen.

De geallieerde mogendheden (zoals Groot-Brittannië en Frankrijk) eisten zijn uitlevering om hem te berechten als oorlogsmisdadiger. De Nederlandse regering weigerde Wilhelm echter uit te leveren. Hij verbleef de rest van zijn leven in Huis Doorn, waar hij na zijn dood werd bijgezet in een mausoleum. Zijn lichaam ligt daar tot op de dag van vandaag.

Of Nederland voorkennis had of een rol heeft gespeeld in de voorbereiding en uitvoering van de vlucht, valt niet meer volledig te bewijzen, aldus Ter Sluis. Er zijn wel aanwijzingen die kunnen duiden op het tegendeel. De verrassing was groot bij het kabinet, de politiek en de pers. Of dit ook gold voor de Nederlandse koningin blijft onduidelijk.

De overwinnaars van de oorlog hebben gezocht naar mogelijkheden om de keizer voor het gerecht te brengen. Dit was een novum in het internationale recht voor alle betrokken landen, ook Nederland. Het leidde uiteindelijk tot een uitleveringsverzoek dat door Nederland adequaat werd gepareerd, nadat het jaar 1919 in het teken stond van de voorbereidingen op het diplomatieke en juridische vlak. Door zorgvuldige instructies en laveren kon Nederland de kwestie vrij soeverein en zonder al te veel internationale reputatieschade afsluiten, concludeert Ter Sluis. De afhandeling van keizerkwestie bleek een uiting van een zelfstandig Nederlands buitenlands beleid, en het kabinet heeft de kwestie in 1920 adequaat afgehandeld.

View this page in: English