Skip to ContentSkip to Navigation
TalencentrumOnderdeel van Rijksuniversiteit Groningen

Talencentrum

Express yourself <> understand the world
TalencentrumCommunicatietrainingAcademische vaardighedenHandboekSchriftelijk: studenten

Schrijven voor de bèta-vakken

Voor elk vakgebied geldt dat een academische tekst helder en goed gestructureerd moet zijn. De stijl moet objectief zijn en in de eerste plaats gericht op de beoogde lezer. Geen enkele bewering mag gedaan worden zonder een goede onderbouwing en argumentatie.

Bij het schrijven voor een bètavak moet daarnaast rekening gehouden worden met conventies op het gebied van de opbouw van de tekst, de stijl en de notatie.  


Opbouw

Elke tekst moet een heldere opbouw hebben. De richtlijnen hiervoor verschillen soms en voor theoretische (literatuur-)onderzoeken is de vorm vaak redelijk vrij. De verschillende elementen hoeven niet altijd onder deze naamgeving in een stuk te staan, maar komen meestal wel in deze volgorde terug in de tekst.

Abstract

Een bondige samenvatting met daarin in elk geval het doel van het onderzoek, de belangrijkste resultaten, de relevantie hiervan en de (belangrijkste) conclusie(s). Een abstract is over het algemeen niet langer dan een alinea (ongeveer 150 woorden).

Inleiding

Een korte introductie in het onderwerp, een overzicht van relevante voorgaande onderzoeken en de formulering van de onderzoeksvraag. Ook een uitleg over de relevantie van het onderzoek kan hier nuttig zijn.

Materialen en methoden

Een overzicht van de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Voor de betrouwbaarheid van een onderzoek is het belangrijk dat het ook herhaalbaar is, dus een goede beschrijving van de methode is van groot belang. Bij het gebruik van een standaardmethode mag echter ook verwezen worden naar literatuur waar deze in beschreven staat, en hoeft die hier niet tot in detail uiteengezet te worden.

Resultaten

Een uiteenzetting van de belangrijkste resultaten zoals meetwaarden en uitkomsten van de berekeningen die daarop zijn uitgevoerd. Meestal zijn tabellen en grafieken de meest overzichtelijke manier om deze te presenteren, maar belangrijke resultaten moeten wel expliciet in de tekst genoemd worden. Vaak is het echter wel voldoende om bijvoorbeeld een berekening uit te lichten, en voor soortgelijke resultaten naar een tabel of een appendix te verwijzen.

Discussie

Een analyse, interpretatie en uitleg van de resultaten. Vergelijk hier de resultaten met de theorie, of met soortgelijke onderzoeken. Onthoud dat resultaten die niet stroken met de theorie ook resultaten zijn, en vaak zelfs juist heel interessant zijn.

Conclusie

De conclusie van het onderzoek, beantwoording van de onderzoeksvraag en suggesties voor vervolgonderzoek. De conclusie kan heel kort zijn, en mag in elk geval niets bevatten dat niet al eerder in de tekst genoemd is.

Referenties

Alle gebruikte (achtergrond-)literatuur staat hier in, genoteerd volgens de heersende conventies (zie ook Verwijssystemen). Het gebruikte verwijssysteem kan verschillen per vak of docent.

Appendices

Hier kunnen de ruwe data toegevoegd worden, zoals tabellen met meetwaarden en grote berekeningen.

Theoretisch (gedeelte van een) onderzoek

Wanneer sprake is van een theoretisch (gedeelte van een) onderzoek, geldt een aantal basisregels met betrekking tot het formuleren van definities, stellingen en bewijzen:

  • Wanneer een stelling, lemma of propositie geformuleerd wordt, moet deze duidelijk als zodanig gekenmerkt worden, dus niet terloops in de tekst genoemd. Vaak is het handig om deze stellingen, lemma’s of proposities te nummeren, vooral wanneer er later vaak naar terug verwezen moet worden.
  • Gebruikte wiskundige symbolen moeten altijd gedefinieerd worden (behalve hooguit algemeen bekende symbolen waarvan iedereen de betekenis meteen herkent). Wanneer het symbool in een stelling gebruikt wordt, moet het niet in de stelling maar daarvoor reeds gedefinieerd zijn.
  • Wanneer een theoretisch bewijs voor een stelling geleverd wordt (in bijvoorbeeld wiskundige teksten) moet steeds eerst de te bewijzen bewering geformuleerd worden, alvorens deze te bewijzen.  

Stijl

Ook bètawetenschappelijke teksten moeten steeds een objectieve en duidelijke stijl hebben, evenals elke academische tekst. Zo is het bijvoorbeeld steeds aan te raden de actieve vorm boven de passieve vorm te verkiezen, bijvoorbeeld: “Professor Jansen voerde dit experiment uit” in plaats van “Dit experiment werd uitgevoerd door professor Jansen”. Het is echter niet de bedoeling deze actieve vorm te gebruiken wanneer het te persoonlijk wordt: “Ik voerde dit experiment uit” zul je nooit ergens aantreffen. Daarnaast moet er in de bètawetenschappen extra gelet worden op het gebruik van woorden die hoeveelheid aanduiden, de interpretatie van de meetwaarden en/of berekeningen, en het gebruik van tabellen en illustraties.

Getallen en hoeveelheden

Bij het beschrijven van een experiment is het verleidelijk woorden als “veel”, “heet” of “snel” te gebruiken: woorden die een hoeveelheid of mate aangeven. Het verschilt echter per persoon en per situatie hoe deze woorden geïnterpreteerd worden, en het is dus het beste om zo nauwkeurig mogelijk te zijn. Dus “de reactie vond plaats in minder dan een milliseconde” is altijd te prefereren boven “de reactie ging snel”. Eventueel kunnen woorden als “veel” en “snel” wel gebruikt worden, wanneer duidelijk gedefinieerd wordt in welke orde van grootte ze gebruikt worden.

Interpretatie van de meetwaarden en berekeningen

De conclusies die uit de resultaten getrokken worden, moeten niets meer en niets minder zeggen dat wat er logisch uit volgt. Wees dus voorzichtig met conclusies zoals “variabele x wordt beïnvloed door variabele y”: dit mag je alleen concluderen als je kunt aantonen dat er daadwerkelijk een causale relatie bestaat, waarmee je zeker weet dat het x is die y beïnvloedt, en niet andersom. Ook voorspellingen op basis van de gegevens kunnen gevaarlijk zijn: een voorspelling kun je nooit met zekerheid doen, er zijn altijd uitzonderingen op de regel. Strikt genomen mag je bijvoorbeeld uit een experiment waarbij je steeds een steen van grote hoogte laat vallen niet concluderen dat een steen altijd naar beneden valt, ook al wijzen al je meetwaarden in die richting. Wees dus zeer nauwkeurig met het formuleren van conclusies!

Tabellen en illustraties

Een tabel of een illustratie kan heel verhelderend werken bij de tekst. Belangrijke informatie moet echter wel altijd ook in de tekst genoemd worden, en de tabellen en illustraties moeten voorzien zijn van een onderschrift. Een illustratie kan echter wel een toegevoegde waarde hebben, denk bijvoorbeeld aan het uitleggen van een meetopstelling: een foto daarvan maakt het in een oogopslag duidelijk. De illustratie moet echter wel altijd informatief zijn.

Een tabel moet altijd een logische indeling hebben, en het liefst een legenda waarin uitgelegd wordt hoe de tabel geïnterpreteerd moet worden. Maak ook een goede keuze in de ordening van de tabel. Doe je bijvoorbeeld onderzoek naar bloemsoorten, dan kun je de soorten ordenen op hoogte van de plant, grootte van de bladeren of misschien wel bloeiperiode. Wanneer je echter geïnteresseerd bent in dat laatste om daarmee verder te rekenen, is het handig om ook je tabel op basis daarvan in te delen.  


Notatie en gebruik van wiskundige symbolen

Bij het noteren van wiskundige symbolen is het gebruikelijk letters schuingedrukt te schrijven. Dus f(x)=y wordt f(x)=y.
  • Gebruik geen wiskundige notatie in een volzin, dus schrijf bijvoorbeeld wel “En dus volgt dat het volume gelijk is aan twee” of “En dus volgt V=2” maar niet “En dus volgt dat het volume=2”.

Bronnen

  • Katz, M.J, 2006. From Research to Manuscript, a Guide to Scientific Writing. Springer, Nederland.
  • Tudose, G.; Khoo, E., 2005. A Guide to Writing in Math. The Writing Centre, University of Toronto at Scarborough.
  • Gillman, L., 1987. Writing Mathematics Well. The Mathematical Association of America.

Deze tekst is geschreven door Charlotte Vlek in het kader van het vak Schrijfadvisering I, 2007-2008.

Laatst gewijzigd:15 september 2017 21:01