Vrouwen in de Bijzondere Collecties, Getijdenboeken

Op 6 februari 2026 gaf ik een lezing over Vrouwen in de Bijzondere Collecties van de UB Groningen ter gelegenheid van de onthulling van de portretten van onze huidige en vorige bibliothecaris. De huidige bibliothecaris is namelijk de eerste vrouwelijke in de geschiedenis van de Universiteitsbibliotheek. Toen ontstond het idee om deze lezing om te zetten in een serie blogposts en deze te publiceren. Vandaag dus deel 1.
Vrouwen zijn al vroeg te vinden in de Bijzondere Collecties, bijvoorbeeld in 15e eeuwse getijdenboeken. Getijdenboeken zijn handschriften gemaakt voor privédevotie met gebeden voor gezette tijden van de dag. De getijdenboeken die wij hebben, zijn geschreven in het Middelnederlands, de volkstaal. Dit is bijzonder, omdat het Latijn bijna overal de standaardtaal was voor deze boekjes. Alleen in de Noordelijke Nederlanden bevatten de meeste getijdenboeken teksten in het Nederlands, in een 14e eeuwse vertaling van het Latijnse getijdenboek door Geert Grote. Hij had een zusterhuis opgezet in zijn ouderlijk huis in Deventer. De vrouwen die daar woonden legden geen religieuze geloften af, zoals in kloosters gebeurde, maar wilden wel devoot leven volgens een aantal huisregels. Zij kwamen bekend te staan onder de naam ‘zusters van het gemene leven’. Een paar jaar later kwam er ook een huis voor ‘broeders van het gemene leven’ en al gauw werden er ook op andere plekken gemeenschappen van het gemene leven gesticht. Hoewel sommigen uit de gemeenschap bekend waren met Latijn, waren velen dat niet, vooral onder de zusters.
Voor hen maakte Geert Grote zijn vertaling, die heel populair werd bij leken. Ze wordt wel de bestseller van de Late Middeleeuwen genoemd. Vanwege zijn religieuze aard werd het getijdenboek ook gezien als gepast voor vrouwelijke lezers.
Door gebruikssporen zoals aantekeningen weten we soms welke vrouw een getijdenboek in haar bezit had. Een voorbeeld is deze aantekening in een getijdenboek uit klooster Selwerd (uklu HANDS ADD 429), dat we afgelopen zomer hebben aangekocht op een veiling in Chicago.

Het lijkt erop dat ene zuster ‘Agnes ten Dasselt’ haar naam hier heeft opgeschreven in de 16e eeuw. Haar naam staat er zelfs 2 keer, in 2 verschillende handschriften. Waarom dit is, is niet geheel duidelijk. Misschien schreef zuster Ten Dasselt zelf de afgekorte versie van haar naam, en heeft iemand daarna haar volledige naam toegevoegd, ter verduidelijking?
Getijdenboeken werden ook in opdracht van vrouwen gemaakt. In deze handschriften staat de naam van de opdrachtgeefster soms achterin vermeld in het handschrift van de kopiist die het hele handschrift geschreven heeft. Een voorbeeld hiervan is dit handschrift (uklu HANDS ADD 424), dat eindigt met de woorden ‘Dit boec hoert brecht Iohan beert soens’. De naam Brecht werd voor zowel mannen als vrouwen gebruikt. Maar de naamsconstructie - die ook in andere veertiende- en vijftiende-eeuwse teksten wordt gebruikt - maakt duidelijk dat het hier om een vrouw gaat, namelijk ‘Brecht, de vrouw van Johan, zoon van Beert’.
Getijdenboeken werden daarnaast geschreven door vrouwen in kloosters. Dit werk was zowel een spirituele oefening als een bron van inkomsten voor het klooster. Één van die vrouwen was een non uit het Benedictijnerklooster in Thesinge, genaamd Stine Dutmers. Ze schreef haar initialen in een getijdenboek (uklu HANDS ADD 274) dat nu onderdeel is van onze collectie; we weten dat de initialen naar haar verwijzen, omdat er meer handschriften van haar bewaard zijn gebleven; in één daarvan, in de UB Gent, had ze haar naam voluit geschreven.

Het is duidelijk dat vrouwen een belangrijke rol spelen in de geschiedenis van het getijdenboek, als makers en als lezers van deze populaire boekjes.

