Verweven reizen: studenten reizen tussen Europa en het Midden-Oosten


De Universiteitsbibliotheek Groningen bezit een rijke verzameling reisverslagen van Nederlanders die naar het Midden-Oosten trokken. De collectie werd besproken tijdens de European Night of Researchers (26 september 2025) en zal uitgebreider worden bestudeerd ter gelegenheid van het eeuwfeest van Midden-Oostenstudies in 2026-2027 aan de Faculteit der Letteren. (Aanvankelijk, tot 1925, viel het vakgebied nog onder de Faculteit der Theologie.)
Sinds 2023 houden bachelorstudenten in het vak ‘Europe in the Middle East, the Middle East in Europe’ gangbare ideeën over Oost-Westtegenstellingen opnieuw tegen het licht. Ze volgen seminars, doen archiefonderzoek en nemen deel aan een vierdaagse excursie naar Parijs. Centraal in hun onderzoek staat de vraag in hoeverre de Mediterrane identiteit tussen de late negentiende en vroege twintigste eeuw werd beïnvloed door politieke, religieuze en culturele contacten.
Vorig jaar kregen de studenten als creatieve opdracht het schrijven van een op historische feiten gebaseerde reisblog, waarbij ze gebruikmaakten van brieven, memoires en boeken van Nederlandse reizigers. Ze begonnen hun onderzoek echter met vertaalde teksten van reizigers uit het Midden-Oosten die Europa hadden bezocht. In deze teksten worden gepolitiseerde Westerse representaties van het Oosten weerlegd ̶ de reizigers waren goed bekend met de Europese politieke en culturele cultuur ̶ en worden stereotypen over ‘de Oriënt’ doorbroken. Zo verkenden de studenten het oriëntalisme vanuit het perspectief van de ‘oriëntaalse mens’ zelf, en maakten ze kennis met de rijke en levendige intellectuele debatten tussen beide oevers van de Middellandse Zee
Wat volgt is een korte beschouwing, samengesteld uit fragmenten van de verschillende blogs die de studenten schreven. Aan de orde komt de manier waarop het Midden-Oosten is verbeeld en beschreven door Nederlandse reizigers. Daarnaast biedt het een inkijkje in de manier waarop de studenten de teksten hebben benaderd.
De studenten ontdekten een aantal terugkerende motieven die een verbindende schakel vormen tussen de verschillende reizen. De reizigers bewogen zich tussen spirituele en politieke sferen, en waren op zoek naar zowel geloof als kennis. Ook worden de teksten gekenmerkt door een voortdurende spanning tussen oriëntaalse stereotypen en momenten van zelfreflectie. De Europeanen definieerden hun ‘moderne’ identiteit door deze te contrasteren met een ‘Oosten’ dat zij zowel bewonderden als kleineerden. Ten slotte kennen de routes die de reizigers volgden een lange geschiedenis van mobiliteit en materiële uitwisseling. Een geschiedenis waarin goederen, ideeën en overtuigingen circuleerden, lang voordat het begrip globalisering bestond.

Vroomheid, missie, karavaanroutes en gastvrijheid
Jan de Liefde’s Nathan de Kajuitsjongen (1848) is een protestantse avonturenroman over een jongen die naar Jeruzalem vaart. Het is een reis in twee dimensies, waarbij ‘de fysieke reis naar Jeruzalem onlosmakelijk verbonden is met de zoektocht naar spirituele waarheid’ (M. Mohammadi). De roman is ook ‘een vorm van oriëntalisme op afstand’ (I. Wensik), waarbij het hoofdpersonage verklaart: ‘Er zijn twee Jeruzalems. De eene is gebonden, gevangen, in dienstbaarheid en onderdrukking; het andere is vrij en heerlijk...’. Het verhaal ‘levert subtiele kritiek op religieuze pelgrimstochten en toerisme, doordat het suggereert dat binnen het christendom heilige plaatsen niet noodzakelijk zijn voor verbinding met het goddelijke: het ware “Jeruzalem” ligt veeleer in de relatie tussen de gelovige en God’ (B. Krale). Een perspectief dat niet per se verrassend was voor calvinistische reizigers. Het boek laat ook zien hoe missionaire ijver en inspanningen voor wat destijds werd omschreven als ‘christelijk universalisme’ en minachting voor het jodendom of de islam verweven waren met de uitdijende reisnetwerken van die tijd. Het ingebeelde Jeruzalem van het hoofdpersonage toont bovendien hoe de heilige landschappen uitgroeiden tot arena’s voor intellectueel debat.

In een ander reisverslag, Karavaanreis door Zuid-Perzië (1926), dat zich verder oostwaarts afspeelt, beschrijft Maurits Wagenvoort op gedetailleerde wijze het vertraagde reizen per karavaan van ver voor de moderne snelwegen. De Perzische karavanserai wordt een ‘een miniatuurversie van de samenleving’, waarvan de muren tot leven lijken te komen door de inscripties van vele generaties reizigers (J. Kleinhuis).
Een koloniale blik


Het boek Reis door het Heilige Land (1862) van de Zwitserse protestant Félix Bovets, veelal gelezen in Nederlandse vertaling, kan worden gezien als ‘een vroege vorm van empirische theologie’. Tegelijkertijd zet de auteur het zich moderniserende Westen voortdurend af tegen het ‘onbewegelijke Oosten’, ‘dat hij gebruikt als referentiekader om de kwetsbaarheid van het moderne Europa te onderzoeken’ (I. Beerens).


Bovets verwondering over de kleuren van Alexandrië (D. van der Marel) contrasteert scherp met zijn minachting voor de ‘plundering van inheemse kunst’ door de Britten (S. Ostendorf). Zijn ambivalente houding in Caïro vertoont overeenkomsten met Willem de Famas Testa’s memoires De Schilderskaravaan (1862) (J. Stenvert) en met Dr. Noordtzij’s latere reisverslag Langs Nijl en Jordaan (jaren 1920), waarin zendingswerk enigszins ongemakkelijk samengaat met bewondering voor de lokale gastvrijheid (L. Roos).

De verhalen laten ook een duidelijk genderperspectief zien. Kuyle’s beschrijvingen van Tunesische dansers en Aletta Jacobs’ oordelen over moslimvrouwen maken duidelijk dat de waarneming van het Midden-Oosten mede werd gevormd door de geslachtsgebonden ideeën van de reiziger zelf. Jacobs’ brieven uit Palestina (1915) bevatten een duidelijk koloniale ondertoon: deze baanbrekende Nederlandse feministe prijst Joodse landbouwkolonies om hun moderne hygiëne, zet deze af tegen de Arabische straten van Palestina die zij ‘onbeschrijfelijk smerig’ noemt, en maakt scherpe opmerkingen over het onderscheiden van mannen en vrouwen aan de hand van gezichtsbeharing. Tegelijkertijd bewondert ze de opgeleide moslimvrouwen die ‘de traditie tarten’, hetgeen de complexiteit van vroeg-20e-eeuwse feministische reisverslagen weergeeft (H. Noordhof).
Het Maghrebgebied ontbreekt niet in de reisverslagen. In Van Pij en Burnous (1927) reizen de Nederlandse katholieke schrijvers Albert Helman en Albert Kuyle van Rome naar Tunis. Hun oriëntalistische blik vertoont veel overeenkomsten met die van andere Nederlandse tijdgenoten die naar het Midden-Oosten reisden: na een discussie over de islam negeren zij hun gastheren (‘Arabiërs redeneren niet’) en plaatsen ze gesluierde vrouwen tegenover dansers, die in detail en in sensuele termen worden beschreven (A. Swinkels).
Reizigers als spiegels?
De doelstellingen van deze cursus - het kritisch bevragen van binaire opvattingen over Oost-Westrelaties en het onderzoeken van culturele uitwisseling - komen in de blogs op levendige wijze tot uiting. Door zich kritisch te verdiepen in de reisverslagen hebben de studenten aangetoond dat het Midden-Oosten en Europa nooit geïsoleerde werelden zijn geweest. Hun teksten, waarvan slechts enkele in dit artikel zijn aangehaald, nodigen de hedendaagse lezer uit om overgeleverde stereotypen ter discussie te stellen en reizen niet louter te zien als een verplaatsing in de ruimte, maar als een dialoog van ideeën, identiteiten en verbeelding.

Bij het lezen van de verslagen uit de 19e en vroege 20e eeuw ontmoeten we reizigers die nieuwsgierige waarnemers, culturele critici én producten van hun eigen tijd waren. Ze laten zien hoe reizen zowel ontmoeting als projectie kan zijn. Hun verslagen leren ons dat reizen nooit neutraal kan zijn: ze registreren verschillende plaatsen en gemeenschappen, maar dragen ook vooronderstellingen en verlangens met zich mee. Ze herinneren ons eraan dat mobiliteit – van mensen, ideeën en geloven – mede de geschiedenis van Europa en het Midden-Oosten heeft gevormd. Door in kaart te brengen hoe deze reizigers landschappen beschreven, gewoonten bezagen en hoe ze worstelden met hun geloof, komen we ook meer te weten over de zich ontwikkelende Europese verbeelding, de projecties en ontmoetingen.
Deze blog bevat bijdragen van (in alfabetische volgorde) Isabel Beerens, Julia Kleinhuis, Boudewijn Krale, Dirk van Marel, Mo Mohamedi, Hugo Noordhoff, Lars Roos, Jens Stenvert, Alana Swinkels en Ivo Wensik, derdejaars bachelorstudenten (2024–2025) die deelnamen aan het seminar ‘Europe in the Middle East, the Middle East in Europe’.
