Rep en roer aan de Groninger universiteit
Door Arwen Westerink
Tussen 1827 en 1828 stond de Universiteit Groningen op z’n kop. Waarom? Een van haar studenten had een spottend gedicht geschreven over zijn docent. Waarom had hij dat gedaan? En wat voor ergs stond er in dat gedicht?
In 1816 kwam Johan Jacob Antonie Goeverneur (1809-1889) te wonen aan de Peperstraat in Groningen. In 1825 ging hij theologie studeren aan de Groninger universiteit. Hij nam actief deel aan het studentenleven. Als lid van studentenvereniging Vindicat startte hij in 1829 met anderen de Groninger Studenten-Almanak. Onder de schuilnaam Jan de Rijmer leverde Goeverneur regelmatig een bijdrage aan dit jaarboek.

In zijn studententijd schreef Goeverneur twee hekeldichten, getiteld Minerva’s vloek en De Keesiade. De aanleiding voor het schrijven van deze gedichten was het feit dat een van zijn professoren, Cornelis (Kees) de Waal, kort tevoren betrapt was (december 1827) tijdens een bezoek aan het bordeel. Cornelis de Waal was een van de vijf hoogleraren in de faculteit der bespiegelende wijsbegeerte en letteren. Hij stamde uit een familie van hoge komaf en gaf wel drie verschillende colleges:geschiedenis, filosofie en natuurtheologie. Zijn colleges over metafysica waren duister van aard en voor de meeste studenten niet te volgen. Hij was dus al niet erg geliefd bij zijn studenten en daarnaast was hij ook nog eens gehuwd.
De Waal werd opgewacht door een volle collegezaal studenten en werd bespot. Ook werd het dichtbundeltje onder de titel Doornkransje, gevlochten ter eere van… (1828) uitgebracht, waarin het hekeldicht Minerva’s vloek stond. De Waal kon geen les meer geven en diende een klacht in bij de academische Senaat. In het gedicht Minerva’s vloek beschrijft Goeverneur hoe Minerva, de godin van wijsheid en wetenschap, in woede ontstak om het onrecht dat haar dienaar – de niet nader genoemde Cornelis de Waal – in Groningen was aangedaan.

Grappige details moesten duidelijk maken om welke hoogleraar het ging. Goeverneur refereert bijvoorbeeld aan De Waals bijnaam ‘Smak’, gekozen omdat hij voor zijn college altijd zou smakken. Verder wordt in het gedicht een ‘moeke Henzel’ genoemd, de prostituée die kennelijk de voorkeur had van De Waal.

Het bestuur van de universiteit kwam erachter dat Goeverneur het gedicht had geschreven en gaf hem op 17 maart 1828 twee weken huisarrest als straf. In deze twee weken schreef hij opnieuw een hekeldicht over het bordeelbezoek van De Waal, nu onder de titel ‘De Keesiade’. Met de ondertitel van het gedicht, ‘Een heldendicht, door verschillende dichters’, gaf hij aan dat hij de zogenaamde ‘cento’ stijl (lappendeken) voor dit gedicht had gebruikt: het gedicht bestond enkel uit citaten van andere gedichten in het Nederlands, Duits, Engels, Frans en Grieks. Deze citaten vervaardigde hij zonder boeken bij de hand te hebben waardoor hij met de creatie van het gedicht ook zijn grote belezenheid liet zien. Aanvankelijk liet Goeverneur het gedicht alleen als handschrift rondgaan. Pas in 1878, veertig jaar na de dood van De Waal, bracht Goeverneur het gedicht uit.

Opvallend is dat de auteurs die deze periode hebben onderzocht, alleen de gedrukte versie uit 1878 behandelen. Het handschrift wordt geen enkele keer benoemd. Sterker nog, er wordt beweerd dat er geen ander bronnen bestaan van dit gedicht. In Juni 1835 kwam Goeverneur bij de Leidse universiteit. Er wordt echter in geen enkele secundaire literatuur benoemd waarom Goeverneur Groningen verliet om in Leiden te studeren en vervolgens na zijn slagen weer terugkeerde naar Groningen. In het handschrift wordt dit wel benoemd. Dit handschrift, geschreven door de buurman van Goeverneur tijdens het college fysica in Leiden, benoemt dat Goeverneur Groningen moest verlaten vanwege de Keesiade. Dit zou betekenen dat ondanks dat Goeverneur de Keesiade alleen liet rondgaan als handschrift, dit gedicht wel bekend was geworden. Ook zijn er in de gedrukte versie bepaalde zinnen die in het handschrift niet staan. Omgekeerd bevat het handschrift zinnen die in de gedrukte versie ontbreken.
In 1830 ging Goeverneur vrijwillig in militaire dienst om te helpen bij het neerslaan van de Belgische opstand. In 1831 schreef hij daarover het gedicht Jan de Rijmer Soldaat voor de Groninger Studenten-Almanak. Dit gedicht is een satire op het akelige soldatenleven waarin hij op cynische wijze de nare klusjes en oorlogsomstandigheden beschrijft. Toen zijn medestudenten naar huis keerden, moest hij door omstandigheden blijven en maakte hele zware tijden mee. Ook uit die tijd stamt het gedicht Napoleon, waarin hij de oorlogszuchtige Franse keizer vervloekt. Hierin vertelt Goeverneur op een satirische manier over de ondergang van Napoleon, en laat hij een duidelijke afkeer blijken van mensen die Napoleons misdaden lijken te zijn vergeten.

Nadat hij was afgestudeerd aan de Leidse universiteit, verdiende Goeverneur zijn brood als schrijver. Hij werd redacteur van het familieblad De Huisvriend en schreef vele kindergedichten en sprookjes. Voor Goeverneur was het belangrijk dat kinderen geaccepteerd zouden worden zoals ze waren: soms vrolijk, soms stout. Hij waardeerde de sprankelende persoonlijkheid van kinderen, waarvoor je begrip en geduld moest opbrengen.
De Nederlandse dichter Willem Wilmink (1936-2003) had veel bewondering voor Goeverneur. Volgens Wilmink was hij de enige kinderdichter die daadwerkelijk kinderen voor ogen had en met zijn verhalen geen opvoedkundige adviezen wilde geven. De Belgische kinderboekenschrijver Jan van Coillie (1957) beschouwde Goeverneur als de belangrijkste kinderpoëet van de negentiende eeuw. Volgens hem beheerste Goeverneur de kunst om kind te zijn met kinderen, door kindertaal te spreken en zijn personages geloofwaardig te maken. Als er een moraal in zijn verhaal zit, brengt Goeverneur deze volgens Coillie op een luchtige wijze. Zo leert Goeverneur in veel gedichtjes kinderen om goed om te gaan met dieren door de verhaaltjes te schrijven vanuit het oogpunt van het dier. Ook maakte hij op speelse wijze veel christelijke kindergedichtjes en gebeden. Naast de gedichtjes en sprookjes van Goeverneur zijn er in zijn publicaties veel sprekende prenten te vinden, onder andere van de Groninger kunstenaar Otto Eerelman. Deze boekjes waren zeer gewild en vooral met Sinterklaas werden ze bij duizenden verkocht.
Een bekend gedicht van de Goeverneur is Het Roodborstje aan het venster:
Het roodborstje pikt aan het venster: tin! tin!
En zegt: Ach, doe open en laat mij er in.
Doe open lief meisjen, ‘k weet anders geen raad,
Zoo sneeuwt en zoo waait het hier buiten op straat.
Ik sterf van de koude, toe, laat mij er binnen,
‘k zal zoet zijn en allerlei grapjes beginnen.
Het meisje deed open en gaf, op haar schoot,
Aan t’roodborstje suiker en kruimeltjes brood.

Goeverneur is vooral bekend geworden met de bewerkingen van het verhaal Mijnheer Prikkebeen (1858). Waar de eerdergenoemde verhaaltjes komisch en lieflijk zijn, zijn de verhalen over Prikkebeen komisch met een scherp randje. Het zijn verhaaltjes die vandaag de dag niet altijd meer geaccepteerd zouden worden. Zo is de vriend van Prikkebeen stevig van figuur en is zijn naam daarom Dikkie. Prikkebeen en Dikkie worden opgeslokt door een walvis, waarna ze worden gered door walvisvaarders. In die tijd deed Nederland nog volop mee aan de walvisjacht. Ook zijn de verhalen vrij stereotyperend. In één van de scenes breekt er een gevecht uit met “de Turken”, over wie Goeverneur beweert: “Al wie hen maar durft weerstaan; Hunne sabels, scherp en goed, Druipen dra van Christenbloed”.

Goeverneur overleed op 18 maart 1889. Tijdens zijn leven heeft hij voor jong en oud een grote bijdrage geleverd aan de Nederlandse literatuur. Uit de gedichten die hij schreef tijdens zijn studentenjaren – zoals De Keesiade, Jan de Rijmer Soldaat en Napoleon – blijkt dat hij bepaald geen lieverdje was. Hij hield van satirische grappen en was niet bang om kritiek te uiten. Hoewel veel van zijn latere kindergedichten en sprookjes erg lieflijk zijn, zien we een stukje van de student Goeverneur terug in zijn verhalen over Prikkebeen. Vandaag de dag zijn sommige van zijn gedichtjes, zoals Het roodborstje aan het venster, nog steeds bekend. Van komische verhaaltjes tot gebeden voor het slapen gaan - hij kon het allemaal.
