Christendom en cultuur. Een Tsjechisch eredoctoraat voor Gerardus van der Leeuw

Aan diverse Nederlandse theologische faculteiten ontstond in de jaren vijftig van de twintigste eeuw een discussie tussen moderne en meer traditionele godsdienstwetenschappers. Een discussie die zich toespitste op het verschil tussen bijbelexegese en kerktraditie enerzijds en anderzijds de beschouwing van godsdienst als sociologisch of ook wel psychologisch fenomeen, waarbinnen ook vergelijking mogelijk was met de niet-Westerse godsdiensten. In de laatste richting was Gerardus van der Leeuw een belangrijk figuur: hij werd in 1918, op zijn 28e, hoogleraar geschiedenis van de godsdiensten, de Egyptologie en de fenomenologie van de godsdienst aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Hoewel Van der Leeuw reeds in 1950 zou komen te overlijden, beschouwen verschillende leerlingen en collega’s hem als belangrijk referentiekader voor de ontwikkeling van de godsdienstwetenschap in Nederland.
Onlangs verschenen twee biografieën van bekende leerlingen van Van der Leeuw – Jannes Reiling en Fokke Sierksma – die uitgebreid ingaan op de invloed die hun leermeester heeft gehad op hun godsdienstbeleving. Biograaf Jelle Horjus schrijft dat Van der Leeuw een ‘electrificeerende uitwerking’ had op zijn assistent Jannes Reiling, de latere leider van de Unie der Baptistenkerken in Nederland. Van der Leeuw stond in de ogen van Reiling en Sierksma voor een ‘ethische’ richting in de theologie, een progressieve levenshouding die openstond voor de religieuze beleving van verschillende geloofsrichtingen, de oecumene en belangstelling voor politiek en samenleving, kunst en cultuur. Van der Leeuw leerde namelijk dat alles doortrokken was van Gods kracht en aanwezigheid.
Van der Leeuws colleges werden bezocht door een groot aantal studenten van buiten de theologische faculteit. Hij had een sterk charismatisch voorkomen en bewoog zich ook graag buiten de muren van de academische wereld. Tijdens de colleges kon hij het publiek vermaken met sterke verhalen en goede grappen, maar bovenal wilde hij dat de studenten hun godsdienst leerden te beleven. Om die reden kon Van der Leeuw in de collegezaal plotseling een negrospiritual aanheffen of een aria van Bach beginnen te zingen.

Ons archief van Van der Leeuw bevat diverse dozen met aantekeningen ter voorbereiding van de vele lezingen die hij gaf in binnen- en buitenland. Telkens ging hij in op de relatie tussen de individuele ervaring van de godsdienst, de fenomenologie zogezegd, en de culturele gemeenschap waaruit de gelovige voortkomt. Voor een lezing die Van der Leeuw in Brussel op 15 januari 1932 gaf, tekende hij op:
‘Cultuur is een groot en vaak misbruikt, maar onmisbaar woord. “Beschaving” gaat niet. Ook onbeschaafde menschen hebben cultuur. Beschaving kan men hebben of niet hebben, zoals menschen kunnen zijn of niet. (…) De cultuur is ons leven, onze heerlijkheid, onze macht. Híj is gegeven alle macht. Niemand kan twee heeren dienen. Geen strijd tusschen religie-cultuur, maar immensche strijd tussen IK en God, tusschen onze macht en zijn macht. Een strijd, die slechts kan eindigen met: buigen, knielen.’
Om de godsdienst als cultureel fenomeen te kunnen analyseren, moest de onderzoeker volgens Van der Leeuw iemands beleving van het goddelijke op zichzelf betrekken – dat noemde hij de ‘verstehende psychologie’. De brieven die Van der Leeuw gedurende de naoorlogse jaren aan zijn kinderen stuurde, laten goed zien hoe dit ‘Verstehen’ in de praktijk werkte. In november 1946 vertrok hij naar de Masaryk universiteit van Brno, in toenmalig Tsjechoslowakije. Daar werd hij ontvangen door rector Josef Ludvík Fischer, die hem een eredoctoraat in de wijsbegeerte had aangeboden. Fischer was tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Nederland gevlucht, een periode die hem volgens Van der Leeuw had gevormd tot een ‘bijzonder man, een dynamische persoonlijkheid’.
Naast de beschrijving van Fischers karakter schrijft Van der Leeuw over de levendige discussies die hij voerde met studenten en vakgenoten, met wie hij in het Engels, Frans en Duits kon spreken. Hij wilde begrijpen hoe mensen in de Tsjechische samenleving zo kort na de oorlog hun leven, religie en kunst beleefden. Na de uitreiking van het eredoctoraat schreef hij aan zijn kinderen: ‘Nou, nou! Het was een dagje gisteren! ’s Morgens bezoek bij rector en den decaan van de philosophische faculteit. (…) Toen de plechtigheid. Een stampvolle zaal, veel schijnwerpers. Prachtige fanfare, koorzang. Entree van de pedel van de rector met rector, pedel van de faculteit met deken.’ Alle eerbetoon werd Van der Leeuw algauw te veel. Na de ceremonie was er gelukkig tijd voor ‘bier in een café. Alles leeft hier in de café’s’.


Een dag na de plechtigheid trok Van der Leeuw met Fischer naar Praag, waar hij op uitnodiging van de minister van Justitie Prokop Drtina een uitvoering bijwoonde van de opera Jakobin van Antonín DvoĆák. Kennelijk was de ontvangst door Drtina zozeer bevallen, dat Van der Leeuw terug in Nederland besloot om twee reisbrieven over ‘Politiek en cultuur in Tsjechoslowakije’ te publiceren in het weekblad De Groene. Daarin beschreef hij hoe hij een ‘geanimeerd gesprek over politiek’ met de minister had gehad, ‘gevolgd door een nog meer geanimeerd gesprek over de opera. Een land, waar zelfs de minister van Justitie een hartstochtelijk opera-liefhebber is, moet wel bizonder beschaafd zijn.’
In de reisbrief tekende Van der Leeuw op dat de Tsjechen ‘slechts lauw godsdienstig zijn’: ‘In het algemeen kan men zeggen dat de geest van Hus, Comenius en Masaryk diepe sporen heeft achtergelaten en dat een practisch humanisme in de geestelijke houding overweegt.’ Toch moet de hartelijkheid waarmee de theoloog zijn Tsjechische gesprekspartners tegemoet trad, aanstekelijk hebben gewerkt. Het is de vraag of hij besefte dat de mogelijkheid om de Tsjechische cultuur van binnenuit te leren begrijpen niet lang na zijn vertrek danig zou worden ingeperkt. Na de machtsovername door de communistische partij in februari 1948 werd Tsjechoslowakije voor langere tijd afgesloten van de buitenwereld. Van der Leeuw meende een jaar voordien nog te mogen concluderen dat de ‘nationaal gefundeerde, democratisch gerichte, zeer doelbewuste cultuurpolitiek’ van het land een voorbeeld kon zijn voor Nederland: ‘Wij kunnen de Tsjechen niet nadoen, maar wij zouden wel het een en ander van hen kunnen leren’. In retrospectief een even wrange als onheilspellende conclusie.
