Page content:
Nederlands

Naamkundigen bestaan bijna niet meer


--door Saskia Visser (DvhN, 28 februari 2004)--

 

Op verzoek van de buurtvereniging Klatering in Beilen speurt de Talenwinkel van de Rijksuniversiteit Groningen naar de betekenis en de herkomst van de buurtschapsnaam Klatering. Dat is lastig, want geen enkele universiteit heeft meer iemand aangesteld op het gebied van naamkunde. Alleen op het P.J. Meertensinstituut in Amsterdam werkt nog een naamkundige. Saskia Visser van de Talenwinkel doet in een aantal afleveringen verslag.


Buurtschap Klatering bij Beilen: rust, ruimte en ruige luchten. (c) Foto: Marcel Jurian de Jong
Buurtschap Klatering bij Beilen: rust, ruimte en ruige luchten. (c) Foto: Marcel Jurian de Jong

 

Naamkunde houdt zich bezig met onderzoek naar de herkomst en ontwikkeling van allerlei namen. Dat kunnen voornamen, familienamen, plaatsnamen en namen van rivieren en streken zijn. Maar ook namen van huisdieren, boten, horecagelegenheden, instellingen en bedrijven en natuurverschijnselen kunnen onderwerp van onderzoek zijn.

De laatste naamkundige van de RUG is vier jaar geleden met pensioen gegaan. Naamkunde was ondergebracht bij het Nedersaksisch Instituut als hulpwetenschap voor dialectologie. De colleges naamkunde trokken meestal vier of vijf studenten van allerlei richtingen: Duits, geschiedenis, mediaevistiek.

 

Geschiedenis

Dat komt omdat naamkunde met meer dingen te maken heeft dan alleen taal. Je moet weten hoe woorden zijn ontstaan, gevormd en veranderbaar zijn in de tijd (dat is historische taalkunde). Maar je moet ook veel weten van de geschiedenis van een gebied: hoe zag het er uit, wat voor mensen woonden er, hoe maakten ze gebruik van het landschap, hoe waren de sociale verhoudingen. Want je kunt bijvoorbeeld taalkundig wel vaststellen dat een plaatsnaam moerassig gebied betekent, maar als dat in de tijd van ontstaan geografisch niet kan kloppen, deugt de verklaring natuurlijk niet.

Voor het verzoek uit Beilen nam de Talenwinkel contact op met de gepensioneerde naamkundige van de RUG, de heer dr. R.A. Ebeling, die op de juiste bronnen wees: Het boek: Nederlandse plaatsnamen: de herkomst en betekenis van onze plaatsnamen, van Van Berkel en Samplonius, geeft een overzicht. Hierin kan iedereen de herkomst en betekenis van de eigen woon- of geboorteplaats opzoeken. Het boek is in veel openbare bibliotheken wel te vinden. Hierin vonden we ook Klatering:

'Klatering: in 1400 komt reeds de geslachtsnaam of toenaam Clateringhe voor, in 1519 Klateringe, een afleiding van de spotnaam Klatere, kwebbelaar.'

 

Kletskous

Klatering zou dus Klatering heten omdat er vroeger een kletskous woonde. Maar dr. Ebeling vindt dit nog geen overtuigende en sluitende verklaring. Het is wel een mogelijkheid, maar niet de enige. Ook de Encyclopedie van Drenthe, voor iedereen in te zien in de Universiteitsbibliotheek, en ook op andere plekken wel te vinden, geeft dezelfde verklaring.

Het probleem bij dit soort onderzoeken is dat een naam afgeleid kan zijn van een woord met meerdere betekenissen (in dit geval klater) en ook nog op meerdere manieren gevormd kan zijn (in dit geval met het achtervoegsel 'ing'). Dat kan weer andere betekenissen met zich meebrengen. Ook de buurtvereniging vroeg hiernaar. Heeft de uitgang 'ing' in Klatering te maken met veel Drentse familienamen met dezelfde uitgang, zoals Beuving en Meijering? En hoe zit het met andere buurtschappen en dorpen waarvan de naam eindigt op 'ing'? En de Twentse familienamen op 'ink', zoals Reesink en Makkink?

De Talenwinkel speurt verder.

 

 


Last modified:July 06, 2011 14:47
Associative links:
 
To top