Skip to ContentSkip to Navigation
founded in 1614  -  top 100 university

Wetenschapswinkels

Een stage of scriptie met groot maatschappelijk nut, resultaten waar mensen buiten de universiteit op zitten te wachten en waar ze mee verder gaan. Dat kan binnen de projecten van de wetenschapswinkels. De medewerkers van deze wetenschapswinkels, die gezamenlijk alle faculteiten vertegenwoordigen, bemiddelen en geven waar nodig extra begeleiding. Ook de zorg over haalbaarheid, objectiviteit en publiciteit rond het onderzoek is bij ons in goede handen. Zowel voor bachelor- als masterstudenten zijn er projecten te vinden!

Waarom is een paard niet zindelijk? - en 399 andere vragen aan de RUG!

Column: Wat is valorisatie?

Door Marc Pauly

Sinds 2005 is valorisatie volgens de wet naast onderwijs en onderzoek de derde kerntaak van de universiteit. Ik word dus eigenlijk reeds 10 jaar geacht te valoriseren, om waarde te geven aan mijn onderzoek. Maar wat is valorisatie eigenlijk? We kunnen dit begrip vanuit verschillende invalshoeken benaderen.

Geschiedenis: Onze ideeën over hoe wetenschappelijk onderzoek waarde creëert zijn in de loop der jaren veranderd. Bij de opkomst van wetenschapswinkels in de jaren 70 betekende valorisatie het betrekken van burgers bij wetenschap. Burgers konden vragen stellen aan wetenschappers en betrokken raken bij onderzoek. Valorisatie werd verbonden aan democratisering van wetenschap. Deze betekenis van valorisatie leeft ook nu nog in de wetenschapswinkels en in sommige ideeën over burgerinvloed op de wetenschapsagenda. Hiertegenover staat dat het begrip valorisatie de laatste tijd een meer economische invulling heeft gekregen: waarde creëren betekent onderzoek doen dat economische waarde heeft en interessant is voor bedrijven.

Politiek: De betekenis van valorisatie wordt bepaald in een politiek proces en is dus ook onderdeel van politieke onderhandeling en macht. De regering zet valorisatie op haar verlanglijst voor de universiteiten, en vervolgens onderhandelt het ministerie van OCW met de vereniging van universiteiten VSNU over de precieze definitie van valorisatie. De Landelijke Commissie Valorisatie (LCV) stuurt dit proces over de valorisatie-agenda, en de leden van deze commissie, voor een groot deel uit de technisch-economische sector, hebben invloed op wat onder de noemer valorisatie gaat vallen.

Beleid: In het verlengde van het politieke proces moet valorisatiebeleid worden gemaakt. Welke specifieke activiteiten vallen onder valorisatie? Op basis van werk voor de Europese Commissie heeft de VSNU een stelsel met valorisatie-indicatoren ontwikkeld. Voorbeelden van indicatoren zijn het aantal onderzoekscontracten met externe partners, maar ook het aantal bijdragen aan tentoonstellingen. De indicatoren zijn dus behoorlijk divers en met name de VSNU probeert hiermee tegemoet te komen aan kritiek uit de sociale en geesteswetenschappen dat valorisatie vaak een te beperkte economische invulling krijgt. Deze discussie is nog steeds gaande.

Consequenties: Voor mij als wetenschapper heeft het toenemende belang van valorisatie verschillende consequenties. Positief is dat activiteiten die tot nu toe bijna onzichtbaar waren nu gewaardeerd worden: Krantenartikelen en lezingen voor een breed publiek waren tot nu toe niet relevant voor de beoordeling van een wetenschapper. Maar met een voldoende brede definitie van valorisatie(indicatoren) krijgen wetenschappers hier nu erkenning voor. Problematisch is echter dat de kwantificatie van valorisatie tot een nieuw instrument van normering en disciplinering kan leiden: naast de eisen van de wetenschappelijke productie (een bepaald aantal publicaties in A- of B-tijdschriften) moeten wetenschappers nu ook hun valorisatietargets halen.

In ieder geval is valorisatie dus een spannend thema omdat het vanuit verschillende perspectieven interessant is, en omdat deze verschillende perspectieven in de maatschappelijke discussie rondom valorisatie tegelijkertijd aanwezig zijn. Nu nog hopen dat deze column over valorisatie voor mij als filosoof ook geldt als valorisatie.

Column: Een oude typemachine redde een taal

Door Saskia Visser

Ik ontmoet John Elliott en zijn neef Kevin op de Living Knowledge conferentie in Kopenhagen. Twee aardige, gedreven mannen uit Vancouver Island, het uiterste Westen van Canada. John begint zijn presentatie met het uitspreken van klanken die ik nog nooit eerder gehoord heb. Mijn oren spitsen zich, uitgedaagd door deze wonderlijke geluiden. John sluit af met: “This is what my language sounds like”. Hij vervolgt zijn verhaal in het Engels, maar heeft met de eerste zinnen zijn taal een plaats gegeven in de ruimte. Dat is belangrijk voor hem. “De taal verbindt ons met de plek waar we zijn, met het land, met de verhalen en de geschiedenis van ons volk.” Zijn volk is de Saanich, een First Nations volk, zoals ze dat in Canada noemen, de oorspronkelijke inwoners van Canada.

John vertelt over zijn taal, het Senćoŧen dat bijna uitgestorven was. Er bleken namelijk nog maar 15 moedertaalsprekers te leven. Dat was het directe gevolg van een assimilatiepolitiek van de Canadese overheid vanaf ca. 1880. Het is een afschuwelijk verhaal, waarvan hij ons de meest gruwelijke details nog bespaart. Saanich kinderen werden bij hun ouders weggehaald en naar internaten gebracht. Daar mochten ze hun eigen taal niet meer spreken en hadden jarenlang geen contact meer met hun familie. Het motto was: “Kill the Indian inside the child”. De kinderen moesten assimileren, worden zoals de rest. Een vergelijkbaar beleid bestond in de USA voor indianen, in Denemarken voor de Groenlandse Inuit en in Australië voor aboriginals. Het leverde overal gebroken families, vervreemding, verdriet en zelfs doden op. In 2008 maakt de Canadese regering excuses voor deze afschuwelijke politiek. Het kwaad was natuurlijk allang geschied, maar de Saanich geven zich niet gewonnen.

John vertelt het verhaal van zijn vader Dave Elliott. “I used to think language is not important, but my father made me see it is. If we lose our language we lose who we really are.” Vader Dave was door zijn moeder gespaard gebleven van het internaat en sprak Senćoŧen. Maar op de school waar hij werkte, ontdekte hij dat de kinderen niets meer wisten van de taal en de cultuur van hun volk. “We moeten de taal op gaan schrijven om hem te bewaren en gemakkelijker door te kunnen geven”, bedacht hij. Maar dat bleek nog niet zo gemakkelijk. Dave was lang bezig met wetenschappers, maar het internationale fonetisch alfabet (een systeem dat gebruikt kan worden om gesproken taalklanken eenduidig vast te leggen) bleek niet bruikbaar. De klanken waren te afwijkend, de woorden werden te lang en onoverzichtelijk. Dave Elliott kocht daarom een oude typemachine voor 30 dollar. Veel geld voor een gezin dat net het hoofd boven water kan houden. Maar het moest. Op deze oude typemachine ontwierp hij een eigen alfabet. Simpelweg door letters en tekens over elkaar heen te typen. Een belangrijke stap voor de toekomst van de taal.

Zoon John nam het stokje van zijn vader over. Hij zette het werk voort op de plaatselijke school, waar kinderen inmiddels ook les krijgen in de eigen taal en cultuur. Hij loodste het alfabet van zijn vader de 21e eeuw in en kreeg het geaccepteerd als unicode. “Nu kunnen we in onze eigen taal mailen, sms’en, websites bouwen. De taal kan gebruikt worden door een nieuwe generatie. Er zijn al 10 leraren opgeleid om mijn werk voort te zetten.” Onder die nieuwe Saanich generatie is zijn neef Kevin, een dichter. Sinds kort probeert hij ook te dichten in Senćoŧen, en zo leeft de taal voort.

Deze tekst (in aangepaste versie) verscheen eerder als blog van de maand op meertalig.nl