Skip to ContentSkip to Navigation
University museum
University Museum Collections Frits Zernike (1888-1966): Life and Work

De glazen erfenis van de Groningse botanische onderwijspraktijk rond 1900

Door: Jamilla Notebaard, Promovendus Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit Utrecht

In 1892 schreef Jan Willem Moll, professor Botanie aan de Rijksuniversiteit Groningen, samen met het College van Curatoren een brief naar de Minister van Binnenlandse Zaken waarin zij gezamenlijk pleitten voor de bouw van een nieuw Botanisch Laboratorium.1 Vanaf het begin van zijn professoraat (1890) zag Moll zich geconfronteerd met een groeiend aantal studenten dat zijn colleges bezocht. Ondanks dat het een goed teken was dat steeds meer studenten zich interesseerden voor de botanie, leidde dit ook tot pedagogische problemen:

"Een natuurlijk gevolg van deze omstandigheden is dat een aanmerkelijk deel van het auditorium niet in staat is te zien op het bord of de wandplaten [sic] en de genomen proeven en gedemonstreerde preparaten behoorlijk waar te nemen". 2

Als gevolg hiervan, werd er door Moll opvallend veel nadruk gelegd op het ‘noodzakelijke’ gebruik van de zogenaamde projectielantaarn voor het botanisch onderwijs. Dit was voor hem het ‘state-of-the-art’ medium waarmee fotografische lantaarnplaten van bijvoorbeeld microscopische preparaten, gelijktijdig en uitvergroot konden worden geprojecteerd in de collegezaal.

De projectielantaarn en de bijbehorende lantaarnplaten kunnen dan ook gezien worden als de ‘didactische oplossing’ voor het niet goed kunnen waarnemen van de gepresenteerde visuele informatie. De collectie van ruim 10.000 lantaarnplaten zoals aanwezig in het depot van het Universiteitsmuseum is de materiële erfenis van de botanische onderwijspraktijk zoals deze eind 19e eeuw werd geïntroduceerd door Moll.3 Stuk voor stuk vormden zij onderdeel van lezingen die in de loop der tijd door verschillende professoren werden gegeven, over zeer uiteenlopende onderwerpen. Zo kon Moll naar believen voor elk college weer nieuwe of andere beelden uitkiezen en zelf de volgorde van vertoning bepalen. Maar daarnaast werden zij ook door de studenten gebruikt voor de bestudering van planten in vergelijking met ‘levende’ of ‘gedroogde’ exemplaren.4

De historische waarde van deze collectie wordt verrijkt door de veelzijdige en grote hoeveelheid documentatie die rondom deze collectie bewaard is gebleven. Zo zijn er niet alleen talloze catalogi die beschrijvingen bevatten van wat er op de dia’s is afgebeeld, uit welke boeken de afbeeldingen afkomstig zijn of juist dat de foto’s “naar het leven” gemaakt zijn (zie afbeeldingen). Maar zijn er ook aantekeningenboekjes van studenten en docenten te vinden bij de Bijzondere Collecties die getuigen van het gebruik van projectie tijdens colleges. Tezamen bieden al deze documenten mogelijkheden om colleges te reconstrueren, met name de manier waarop beeld in het botanisch onderwijs werd toegevoegd.

Het pionierswerk van Moll op het gebied van het gebruik van de projectielantaarn en de implicaties hiervan voor de inrichting van collegezalen aan de universiteit – zoals deze te Groningen – verdient meer aandacht. De grote hoeveelheid overgeleverde lantaarnplaten benadrukt het belang van de intrinsieke verhouding tussen woord en beeld in kennisoverdracht binnen het academisch onderwijs. De grote waarde van deze objecten is dat zij ons dichter bij de dagelijkse praktijk van het wetenschappelijk onderwijs van het begin van de 20e eeuw brengen. Een dagelijkse, wetenschappelijke praktijk waarvan Moll zelf zei dat het de taak van de professor was om een “blijvende indruk” achter te laten op zijn studenten.5

Extra details over de inrichting van de collegezaal (afbeelding 4), die specifiek gericht was op projectie:
  • Projectiekamer achterin de zaal. Afgesloten ruimte zodat de studenten niet werden afgeleid door het wisselen van dia’s
  • Grote gordijnen om de collegezaal te verduisteren.
  • Inventief elektrisch lichtsysteem dat boven de studentenbanken hing zodat de studenten aantekeningen kunnen maken
  • De katheder van de professor werd links in de hoek geplaatst zodat ook de professor de lichtbundel van de projectie niet verstoorde.
Noten
  1. Voor meer informatie over het nieuwe Botanisch laboratorium dat eind 19e eeuw onder supervisie van J.W. Moll te Groningen werd gebruikt, zie o.a.: Jaline de Groot, “’Een goede inrichting voor onderwijs en onderzoek.’ Opvattingen over onderwijs en wetenschap in het Botanisch Laboratorium in Groningen”, in: Historisch Jaarboek Groningen (2018). https://www.verenigingstadenlande.nl/wp-content/uploads/2020/08/hjg2018-jaline-de-groot.pdf
  2. Nationaal Archief. Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling. Binnenlandse Zaken. Kunsten en Wetenschappen, 1875-1918. Inv.nr. 502. Afschrift J.W. Moll “Memorie van toelichting tot het ontwerp voor een botanisch laboratorium in den Hortus Botanicus te Groningen” 4 februari 1892.
  3. Deze praktijk werd tevens overgenomen door twee andere universiteiten, namelijk Leiden en Utrecht: M.J. Sirks, Botany in the Netherlands (E.J. Brill – Leiden, 1934) 15.
  4. J.W. Moll, “De hortus botanicus en het botanisch laboratorium”, in: Academia Groninga, MDCXIV-MCMXIV: gedenkboek ter gelegenheid van het derde eeuwfeest der Universiteit te Groningen uitgegeven in opdracht van den Academische Senaat (Noordhoff – Groningen, 1914): 473.
  5. J.W. Moll, Phytography as a fine art (Leiden, 1934) 512.
Laatst gewijzigd:20 juli 2023 15:45