Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsWaar vindt u onsdr. P. (Petra) Broomans

dr. P. Broomans

Universitair Hoofddocent Europese talen en culturen (Scandinavisch/Zweeds)

VNC-project: "The Reception of Scandinavian Literature in The Netherlands and Flanders 1860-1940. A Comparative Analysis of the Role of Networks and of the Impact of the Ethnolinguistic Discourse."

 (Beknopt voorstel) Probleem- en doelstelling van het onderzoek

 De Scandinavische literatuur kende in de laatste decennia van de negentiende eeuw een plotse en krachtige doorbraak in Europa, wat tot uiting kwam door een groot aantal vertalingen naar diverse Europese talen en door een ruime aandacht in literaire tijdschriften. De Scandinavische literatuur werd alom in Europa als vernieuwend en inspirerend gepercipieerd. Contemporaine recensenten maakten gewag van een "progressieve", "frisse en jonge" literatuur.In het Nederlandse taalgebiedwerd de Scandinavische literatuur nadrukkelijk als een mogelijk voorbeeld voor de eigen literatuur voorgesteld en/of geprezen als welgekomen tegenwicht tegen andere dominerende literaturen (Broomans: 2004).In het begin van de twintigste eeuw en tijdens het interbellum zette deze trend aanvankelijk door, maargaandeweg werden andere aspecten naar voren gehaald en kwam de zgn. "Heimat"-literatuur in de belangstelling.

Dit onderzoeksprogramma beoogt de receptie van Scandinavische literatuur in Nederland en Vlaanderen in de periode van 1860 tot 1940 te bestuderen, met als focus de periode rond de eeuwwisseling. Het receptie-onderzoek zal zich toeleggen zowel op de esthetische dimensieals op detaal- en cultuurpolitieke dimensie en daarbij een vergelijkendNederlands-Vlaams perspectief aanleggen. Over het algemeen wordt immers aangenomen dat taalpolitieke en etnolinguïstische factoren in Vlaanderen een grotere rol speelden dan in Nederland. Hoe deze factoren doorwerken in de receptie van buitenlandse literatuur is nog nauwelijks onderzocht, aangezien receptieonderzoek zich meestal richtop de gehanteerde esthetische waardecriteria ofwel op de institutionele kaders en kanalen. Door een vergelijkende analyse van receptiedocumenten en door een systematische doorlichting van relevante Vlaamse en Nederlandse netwerken van cultuurbemiddeling kan inzicht worden verworven in de invloed van taalpolitieke factoren en kan ook nagegaan worden hoe deze factoren zich verhouden tot en interageren met esthetische waardecriteria en/of (andere) ideologische en maatschappelijke normen. Zowel in Nederland als in Vlaanderen is er in ruime mate receptiemateriaal voorhanden en zijn er netwerken van cultuurbemiddelaars aan te wijzen die zich specifiek richtten op de Scandinavische literatuur.

Beginpunt van dit onderzoek is het jaar 1860, waarin de eerste Nederlandstalige Scandinavische literatuurgeschiedenis werd gepubliceerd in Gent. Opmerkelijk is dat dit werk van de hand van Jacob Constant Hansen een hoofdstuk over de taalsituatie in Scandinavië bevat. Hiermee is meteen de toon gezet. Onder verwijzing naar de inzichten van Beyen (1998) m.b.t. de impact van het etnolinguïstisch nationalisme in het Nederlandse taalgebied werd als eindpunt het jaar 1940 gekozen. De periode die het onderzoek beslaat is bewust ruim gekozen om de impact van de taalpolitieke factoren, waarvan kan worden verwacht dat ze met name speelden tussen 1870 en 1914 (cfr. Hobsbawn 1990), te kunnen interpreteren in een breder tijdsegment, dat ook het cultuurklimaat van het interbellum omvat.

In dit onderzoeksprogramma worden twee aspecten uitgediept, die als deelprojecten worden uitgewerkt.Het eerste deelproject omvat een macro-analyse van de relevante netwerken en het tweede een micro-analyse van receptieteksten.

 Deelproject 1 - De 'Scandinavische' netwerken in Nederland en Vlaanderen: In dit deelproject zal de nadruk liggen op relevante netwerken van cultuurbemiddelaars (o.a. Margaretha Meyboom, Henri Logeman en Dien Logeman-Van der Willigen) en op de taalideologische gezichtspunten die in deze netwerken vigeerden. Complicerende factor is dat de onderzochte cultuurbemiddelaars verschillende posities innamen: ze waren bijvoorbeeld niet alleen actief als vertaler, maar ook als recensent, universiteitsdocent of bibliothecaris (Broomans, 2006; Espagne, 2006). Deze complexe rollen komen in het onderzoek aan bod. Het netwerk rond de tijdschriften Scandia (1904) en Scandinavië-Nederland. Tijdschrift voor Nederlandsche en Scandinavische Taal, Letteren en Kultuur (1905-06) vormt het vertrekpunt voor het onderzoek. In Vlaanderen is daarnaast een aantal netwerken aan te wijzen waarbinnen de Scandinavische literatuur eenreferentiekader vormde voor het denken overtaal en nationale identiteit: het netwerk rond het tijdschrift Van Nu en Straks (1893-1901) met o.a. Emmanuel de Bom, Pol de Mont en netwerken binnen de Vlaamse beweging (Claes, 1998).In de strijd voor de erkenning van het Nederlands als cultuurtaal in de jonge Belgische staat werd herhaaldelijk verwezen naar het “Noorsche broedervolk”, dat erin geslaagd was een eigen taal te ontwikkelen. Het taalparticularistische discours (cfr. Guido Gezelle) en het integrationistische gedachtengoed (cfr. Jan Frans Willems) staan hier in een paradoxale verhouding tot elkaar. De Romantische visie op taal als drager van de eigen identiteit leidt bij deze, ook in andere opzichten ideologisch en politiek onderscheiden,netwerken tot verschillende stellingnamen. De analyse van de netwerken zal gebeuren aan de hand van een model vanSocial Network Analysis (SNA), dattoegesneden is op onderzoek naar culturele transfer (cfr. Boissevain; 1974, Bourdieu: 1992, Mc Fadden: 1999).

 Deelproject 2 - De beeldvorming van ‘the Other/Self’ en het discours over nationale identiteit in receptiedocumenten.  Dit deel van het onderzoek behelst een discoursanalyse van receptiedocumenten (o.a. literatuurhistorische essays, artikelen, recensies) alsook egodocumenten (o.a. brieven) van een aantal representatieve actoren binnen de netwerken. Het onderzoek poogt een antwoord te geven op de vraag vanuit welke positie de Scandinavische literatuur in Nederland en Vlaanderen werd gerecipieerd. Meer bepaald zal worden onderzocht of deze literatuur vanuit de positie van 'the Self'(derhalve met nadruk op het vreemde, het exotische karakter van de Scandinavische literatuur = 'they are not like us')werd gerecipieerd dan wel vanuit de positie van 'the Other' (derhalve met nadruk op de punten van gelijkenis, met aandacht voor wat kan worden overgenomen en toegepast in de eigen context = 'they are like us!'). De eerste perceptie ligt voor de hand omwille van de relatieve onbekendheid van de Scandinavische literatuur tot dan toe; de tweede perceptie dient vooral gezien te worden als een hunkering naar lotgenoten voor een perifere (i.c. Nederlandstalige) literatuur, met name tegen de achtergrond van een marginalisering van dezeliteratuur door de dominante literaturen op het einde van de 19e eeuw.

 Speciale aandacht wordt besteed aan het expliciete en impliciete taal- en cultuurpolitieke discours in deze documenten en de rol die etnolinguïstische streefdoelen spelen voor de wijze waarop de Scandinavische literatuur wordt gerecipieerd. Uit het beschikbare tekstcorpus, samengesteld op basis van eerder gepubliceerd (bibliografisch) onderzoek (Grit, 1986; Groen, 1994, Broomans, 2001) enaangevuld met materiaal uit eerder onderzoek verricht bij de vakgroepen Scandinavistiek van de UGent en de RUGroningen en (zo mogelijk)bij deonderzoekseenheid ‘Literatuurwetenschap: Literatuur en cultuur’ van de KULeuven, zal een selectie van te analyseren teksten worden gemaakt. Het onderzoek zal worden uitgevoerd aan de hand van een bijgestelde variant van het discoursanalysemodel uitgewerkt door Broomans (2001), aangevuld met een imagologische invalshoek(Leerssen: 1999, 2005, 2006).

 In beide deelprojecten zal de vraag of etnolinguïstische factoren in Nederland daadwerkelijk van ondergeschikt belang waren voor de receptie van Scandinavische literatuur in de betrokken periode,terwijl ze in Vlaanderen dominant zouden zijn geweest, centraal staan. Tegen deze achtergrond zal het receptieproces bestudeerd worden in beide delen van het taalgebied, zullen de overeenkomsten en verschillen in kaart gebracht worden en zal nagegaan worden in hoeverre deze factoren interfereren met esthetische waardecriteria en/of (andere) ideologische of maatschappelijke normen. Op deze wijze beoogt het onderzoek meer in het algemeen inzicht te geven in de impactvan taalpolitieke factoren optransnationale receptie van literatuur van en in kleine taalgebieden.

Laatst gewijzigd:06 november 2012 01:29

Contactgegevens