Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsActueelNieuwsberichten

Patiënt met Dissociatieve Identiteitsstoornis herinnert zich afzonderlijke identiteiten wél

19 juli 2012

Er is kennisuitwisseling mogelijk tussen de afzonderlijke identiteiten van mensen met een Dissociatieve Identiteitsstoornis (DIS). Dit blijkt uit experimenten van NWO-onderzoeker Rafaele Huntjens van de Rijksuniversiteit Groningen. Hoewel de onderzochte patiënten aangeven zich niets van andere identiteiten te herinneren, blijkt uit objectieve gegevens dat dit wel degelijk het geval is. De onderzoeksresultaten hebben belangrijke implicaties voor de behandeling en de diagnostisering van de stoornis. De klinisch psychologe publiceerde haar onderzoek op 18 juli in het Open Access-tijdschrift PLoS ONE.

Een Dissociatieve Identiteitsstoornis (DIS) kan optreden als reactie op een traumatische ervaring. Door meerdere identiteiten te ontwikkelen, waaronder een identiteit die zich niet bewust is van de traumatische gebeurtenis, kan de persoon deze ervaring ‘wegstoppen’. Personen met DIS kunnen zich belangrijke of alledaagse gebeurtenissen niet meer herinneren als tijdens het gebeurde een andere identiteit aanwezig is. Ze vergeten bijvoorbeeld afspraken, raken spullen kwijt of herkennen zelfs hun eigen kinderen niet omdat ze zich hun geboorte op dat moment niet herinneren. Tot nu toe werd jarenlang verondersteld dat personen met DIS gescheiden geheugensystemen hebben voor elke identiteit. Uit recent onderzoek blijkt echter dat dit niet zo is: de patiënten bezitten wel degelijk kennis over een andere identiteit, al ervaren ze dat zelf niet zo.

In haar onderzoek testte Huntjens de kennis van identiteiten op autobiografische kennis van een andere identiteit. Allereerst dienden de proefpersonen in de huid van twee verschillende persoonlijkheden twintig vragen te beantwoorden over hun voorkeuren en levensgeschiedenis. “Die vragen varieerden van de naam van de beste vriend of favoriete film tot het lievelingseten of favoriete muziek van die persoonlijkheid,” beschrijft Huntjens. “Daarna vroegen we de eerste identiteit om diezelfde vragen nogmaals te beantwoorden, maar dan voor de tweede identiteit”. Meerdere vragen werden daarbij door de eerste persoonlijkheid onjuist beantwoord of open gelaten. Dat lijkt te duiden op het niet kunnen reproduceren van kennis over een andere identiteit.

Reactietijd cruciaal

Het tegendeel werd echter aangetoond bij een reactietest. Voorafgaand had één identiteit de instructie gekregen enkele willekeurige woorden uit het hoofd te leren. Kwam dat woord vervolgens in beeld op het scherm, dan diende ze vlug op de ‘ja’-knop te drukken. Bij elk ander woord diende de proefpersoon zo snel mogelijk op de ‘nee’-knop te drukken. Die andere woorden waren echter niet allemaal verzonnen. Er stonden namelijk antwoorden tussen die de eerste persoonlijkheid had ingevuld bij de autobiografische vragenlijst uit de eerste test. Ook bevatte de reactietest de juiste antwoorden van de tweede persoonlijkheid, waar de eerste persoonlijkheid geen weet van had.

Uit dit experiment bleek dat de reactietijd om op de ‘nee’-knop te drukken wanneer niet een van geleerde woorden, maar hun eigen antwoord uit de eerste test óf een antwoord van de andere identiteit uit de eerste test in beeld kwam, significant langzamer was dan bij het zien van verzonnen antwoorden. “Dat komt omdat het antwoord opvalt: het individu herkent het woord als persoonlijk relevant,” verklaart de onderzoekster. “Dat herkenningseffect zorgt voor de vertraging in reactie”. Volgens de klinisch psychologe is hiermee objectief vastgesteld dat er kennisuitwisseling plaatsvindt tussen beide identiteiten: de ene identiteit herinnert zich woorden die persoonlijk relevant zijn voor de andere identiteit.

Behandeling aanpassen

Tot nu toe was geheugenverlies het belangrijkste element dat DIS onderscheidde van een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS). Dit onderscheidende element is volgens Huntjens nu komen te vervallen. “Therapeuten kunnen zodoende overwegen om DIS-patiënten de snellere en bewezen effectieve behandeling te geven zoals die gegeven wordt aan patiënten met PTSS,” zegt Huntjens. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of deze aanpak inderdaad ook efficiënter is voor DIS-patiënten. Ook zijn er implicaties voor de forensisch onderzoek: een dader met DIS heeft dus wel degelijk kennis van misdaden die hij of zij begaan heeft in een andere identiteit.

Rafaele Huntjens heeft haar onderzoek uitgevoerd met een Veni-subsidie van NWO. Het onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met de universiteiten van Harvard en Amsterdam. Het artikel is online te lezen op http://dx.plos.org/10.1371/journal.pone.0040580.
Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:29
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws