Hoe functioneren de kunsten in een cultuur? Hoe komen kunstuitingen tot stand (productie), hoe worden ze verspreid (distributie), hoe worden ze ervaren (receptie), hoe kun je ze analyseren en interpreteren (verwerking)? Wat is de rol van media (zoals het lichaam, de taal, de audio-visuele en de elektronische media) als dragers van de kunsten in een cultuur?
De opleiding Kunsten, Cultuur en Media (KCM) stelt deze vragen aan de orde in een breed en interdisciplinair kader. De nadruk ligt behalve op de geschiedenis van kunsten en media - in het algemeen maar ook van afzonderlijke kunstdisciplines - ook op de analyse, theorie en filosofie van kunsten en media (hermeneutiek, semiotiek, kunstwetenschap, kunstfilosofie), op het functioneren van de kunsten in de samenleving (kunstsociologie) en op de organisatie van de productie, distributie en receptie van de kunsten (kunstbeleid, kunstmanagement en kunsteducatie).
De opleiding KCM is uniek in Nederland. Het programma kenmerkt zich door:
- de interdisciplinaire en geïntegreerde benadering. Studenten volgen vakken die zich op de kunsten in hun onderlinge samenhang richten;
- de mogelijkheid tot verdieping. Studenten volgen vakken waarin het specifieke van een kunstdiscipline (historisch en theoretisch) wordt bestudeerd;
- een maatschappelijke inslag. Behalve voor de bestudering van de kunst zelf is er veel aan-dacht voor de maatschappelijke context. De verschillende kunstvormen worden vanuit soci-ologische, filosofische, bedrijfskundige, educatieve en maatschappijkritische invalshoeken bestudeerd.
Het Masterprogramma KCM kent zeven specialisaties, die corresponderen met die van de Bachelor: vier kunstdisciplinaire en drie contextuele programma’s. Alle programma’s beslaan 60 EC, waarvan er 50 op het terrein van de gekozen specialisatie worden besteed: twee werkgroe-pen (elk 10 ECTS), een stage (10 ECTS) en een scriptie (20 ECTS). De overige 10 punten wor-den gebruikt om een werkgroep uit een ander programma te volgen. Een kunstdisciplinair Masterprogramma wordt aangevuld met een werkgroep uit de contextuele programma’s en andersom (voorzover het gevolgde Bachelorprogramma dit toelaat). Elk programma kent een coördinerende docent die o.a. het stage- en scriptietraject met iedere student afzonderlijk bespreekt.