Hoe komt het dat alle mensen over een ingewikkelde taal beschikken en onze naaste verwanten --de chimpansees-- niet? Vertonen talen, naast verschillen, misschien ook grote overeenkomsten? Hoe komt het dat kinderen die taal schijnbaar moeiteloos leren in dezelfde fase van hun leven? Is ons taalvermogen aangeboren en heeft het misschien iets te maken met de aard van onze hersenen?
Dit is het soort vragen waar de taalwetenschap een antwoord op probeert te geven. Als je Frans, Duits of Engels studeert, dan is je studie in de eerste plaats gericht op die ene taal. Bij Taalwetenschap daarentegen wordt het verschijnsel taal in algemene zin bestudeerd. De klankvormen, de zinsbouw, maar ook de betekenisstructuren van talen vertonen grote en vaak onverwachte overeenkomsten. Die overeenkomsten probeert de taalwetenschap te achterhalen.