Skip to ContentSkip to Navigation
Rijksuniversiteit Groningen/Campus Fryslân
Header image Friesestraatweg

Een tweede taal leren: hoe eerder hoe beter?

Datum:10 mei 2016
Auteur:Evelyn Bosma MA
Een tweede taal leren, hoe eerder hoe beter?
Een tweede taal leren, hoe eerder hoe beter?

Er wordt vaak beweerd dat je het beste zo vroeg mogelijk kunt beginnen met het leren van een tweede taal. Maar is dat wel zo?

Voordeel of nadeel?

Bij het leren van een tweede taal ondervinden oudere kinderen zowel nadelen als voordelen in vergelijking met jongere kinderen. Een nadeel is dat oudere kinderen bij het leren van een tweede taal gehinderd kunnen worden door hun eerste taal. Hoe meer de patronen van hun eerste taal zijn ingesleten, hoe moeilijker het wordt om nieuwe, onbekende eigenschappen van de tweede taal te leren. Maar er zijn ook voordelen, want oudere kinderen hebben meer vaardigheden tot hun beschikking. Doordat ze verder zijn in hun cognitieve, sociale en talige ontwikkeling, leren ze sneller een tweede taal dan jongere kinderen.

Zo hebben ze een beter ontwikkeld geheugen, waardoor ze nieuwe woorden makkelijker kunnen onthouden. Bovendien kennen ze al meer concepten. Ze weten bijvoorbeeld al wat een hond is en wat een kat. Als ze een tweede taal leren, dan hoeven ze het concept ‘hond’ en het concept ‘kat’ niet opnieuw te leren. Ze hoeven alleen nog maar de juiste woorden bij die concepten te leren. Dat scheelt tijd.

Woordenschat en grammatica

In verschillende studies is onderzoek gedaan naar het verband tussen taalontwikkeling en de leeftijd waarop een kind begint met het leren van een tweede taal. Die leeftijd waarop kinderen voor het eerst blootgesteld worden aan een tweede taal wordt in vaktermen ‘Age of Onset’ genoemd.

Dit moet niet verward worden met het aantal jaren dat een kind al bezig is om zijn tweede taal te leren, iets wat natuurlijk samenhangt met de Age of Onset. Een kind dat al vroeg blootgesteld is aan zijn tweede taal, heeft meer leerjaren achter de rug dan een even oud kind dat pas later blootgesteld is aan zijn tweede taal. Het aantal leerjaren kan het effect van Age of Onset dus overschaduwen. Met behulp van statistiek kun je die twee factoren echter uit elkaar trekken. Daarnaast zijn er nog een aantal andere factoren die ook de taalontwikkeling beïnvloeden en waar je dus rekening mee moet houden, bijvoorbeeld hoeveel de kinderen hun tweede taal horen en hoe goed ze hun eerste taal al beheersen.

Bijna alle studies die het verband tussen Age of Onset en woordenschat onderzochten, hebben een positief effect van Age of Onset gevonden: kinderen die later beginnen met het leren van hun tweede taal, doen het beter. Ze leren in korte tijd een heleboel nieuwe woorden. Het verband tussen Age of Onset en grammatica is minder duidelijk. Sommige studies vinden geen verband, andere een positief verband en weer andere een negatief verband. Het lijkt er maar net vanaf te hangen wat voor grammaticale elementen je onderzoekt en met welke combinatie van talen.

Ons onderzoek met Friese kinderen

En hoe zit het met Friese kinderen die Nederlands leren? Dat hebben we onderzocht en ons artikel hierover is net gepubliceerd!

De 110 kinderen in onze studie hadden vanaf hun geboorte Fries gehoord en waren ergens tussen hun nulde en vierde voor het eerst blootgesteld aan het Nederlands. Sommige kinderen hoorden het Nederlands al vanaf hun geboorte, andere vanaf het moment dat ze naar de peuterspeelzaal gingen en weer andere pas vanaf het moment dat ze naar de basisschool gingen. Op het moment dat de kinderen vijf of zes jaar oud waren, deden ze mee aan ons onderzoek. In onze studie hebben we gekeken of het moment waarop de kinderen naast Fries ook Nederlands gaan horen, van invloed is op hun Nederlandse woordenschat en grammatica. Wat grammatica betreft hebben we specifiek gekeken naar het maken van voltooide deelwoorden (spelen – gespeeld) en het meervoud van zelfstandige naamwoorden (dak – daken).

Net als in de meeste andere studies bleek een latere Age of Onset van het Nederlands samen te hangen met een grotere Nederlandse woordenschat. De invloed van Age of Onset op grammatica bleek echter wat complexer te zijn. Het had geen effect op het maken van het meervoud. Op de voltooide deelwoorden bleek een latere Age of Onset wel een positief effect te hebben, maar alleen bij een selecte groep kinderen, namelijk die kinderen die vrij goed zijn in het Fries en thuis relatief weinig Nederlands horen. Het effect was alleen zo klein dat het eigenlijk verwaarloosbaar is.

Hoe later hoe beter?

Het algemene idee van ‘hoe eerder je een tweede taal leert, hoe beter’ blijkt in veel gevallen niet op te gaan. Ons onderzoek laat zien dat het ook niet opgaat voor Friese kinderen die Nederlands leren. Voor het leren van Nederlandse grammatica blijkt het niet echt uit te maken of ze al vanaf hun geboorte ook Nederlands horen of dat ze daar pas mee beginnen als ze naar de basisschool gaan. En voor Nederlandse woordenschat is het eerder andersom: als het al uitmaakt, dan is het eigenlijk ‘hoe later, hoe beter’.

Blom, E. & Bosma, E. (2016). The sooner the better? An investigation into the role of age of onset and its relation with transfer and exposure in bilingual Frisian-Dutch children. Journal of Child Language, 43, 3,581-607.