Uit: D.J. Elzinga en G. Voerman, Om de stembus. Verkiezingsaffiches 1918-1998, Amsterdam/Antwerpen, 2002, 150-157.
"De 29e november 1972 leek een najaarsdag als de meeste andere. De wolken hingen laag over Nederland en er blies een kille wind door de straten. Een dag om snel te vergeten. Toch speelde zich op die dag een grote electorale revolutie af - waarschijnlijk de grootste uit het naoorlogse Nederland. Toen op die woensdagavond de stembussen open gingen, moet de bloeddruk van heel wat politici snel zijn gestegen. Binnen drie kwartier was duidelijk dat de 6,3 miljoen kiezers de traditionele verhoudingen volledig ondersteboven hadden gegooid. De politieke kaart van het eens zo stabiele land was in weinige uren onherkenbaar geworden. Gevestigde posities waren verloren gegaan, nieuwe waren ontstaan. Vooral het politieke midden was drastisch verzwakt. De vleugelpartijen aan de linker- en de rechterkant hadden aanzienlijke winsten geboekt." Beeldend beschrijft de parlementair journalist Vis de dramatische uitslag van de verkiezingen van 1972 in zijn boek De slag om het Catshuis.
Aanleiding tot de verkiezingen was de val van het kabinet-Biesheuvel. Al na een jaar struikelde het over de problemen voor het begrotingsjaar 1973. In zijn korte bestaan werd het vijfpartijenkabinet geplaagd door nogal wat incidenten en kleine binnenbrandjes. Het bezoek van Japanse keizer Hirohito aan Nederland leverde felle protesten op. De mogelijke vrijlating van drie Duitse oorlogsmisdadigers die gevangen zaten in Breda was eveneens zeer omstreden. De nieuwe en nog onervaren minister van Justitie Van Agt verklaarde op een persconferentie dat hij het moeilijk zou krijgen met de ‘Drie van Breda’, vooral omdat hij in vergelijking tot zijn voorganger Polak jonger was en ‘ariër’. De verontwaardiging over dit woordgebruik was groot. Het parlementaire debat over de voorgestelde vrijlating van ‘de Drie’ leidde in februari 1972 tot zeer emotionele taferelen in en buiten de Kamer. Het kabinet liep schade op, mede omdat het intern nogal verdeeld was over de vrijlating. Het voornemen om de drie oorlogsmisdadigers te laten gaan, werd na een parlementaire afkeuring teruggenomen.
Vooral de positie van DS'70 in het kabinet leidde tot wrijvingen. DS'70 wilde dat de regering krachtiger zou ingrijpen in de loon- en prijsvorming. Daarnaast hadden de DS'70-bewindslieden de indruk dat hun departementen het zwaarst door de bezuinigingen werden getroffen. De bezuinigingsvoorstellen voor de begroting 1973 en de weigering van het kabinet tot het voeren van een slagvaardig loon- en prijsbeleid werden de breekpunten. Halverwege juli 1972 vroegen de DS'70-ministers Drees jr. en De Brauw hun ontslag. De crisis was daarmee een feit. Na een mislukte lijmpoging bleef de rest van het kabinet-Biesheuvel aan. Nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven voor de herfst.
‘Polarisatie’ was het kenmerkende woord voor de verkiezingscampagne. Jarenlang had de VVD samenwerking met de socialisten uitgesloten. Voor het eerst - wellicht omdat de liberalen van oordeel waren dat van een geradicaliseerde PvdA weinig gevaar was te duchten - werd deze blokkade opgeheven. Nu echter polariseerde links tegen rechts. De progressieve drie (PvdA, D66 en PPR) aasden op het regeringsroer; de vier partijen van het ‘rompkabinet’ Biesheuvel (KVP, ARP, CHU en VVD) hoopten dat hun 74 zetels zouden uitgroeien tot een werkzame en solide parlementaire meerderheid.
Niet eerder na de oorlog was een premier van confessionele huize als enige lijsttrekker voor zijn partij de verkiezingen ingegaan. Biesheuvel deed dat wel. Zijn positie als leider van de ARP was onomstreden. Hoewel het beleid van het kabinet-Biesheuvel niet geheel tot inzet van de verkiezingen werd gemaakt door het verzet van de anti-revolutionaire fractievoorzitter in de Tweede Kamer Aantjes, kwam het daar in feite wel op neer. Tegenspeler van Biesheuvel was Den Uyl. Deze polariserende blokvorming met twee politieke gezichten kenmerkte de verkiezingsstrijd in het televisietijdperk en zou bij latere verkiezingen in verschillende varianten terugkomen.
Van grote overeenstemming tussen de confessionele drie was ondertussen geen sprake. De KVP toonde de meeste bereidheid tot regeringssamenwerking met de PvdA. ARP en CHU hadden aanzienlijk meer aarzelingen. Biesheuvel bijvoorbeeld gaf te kennen het niet met de PvdA op een akkoord te willen gooien. In het kamp van de progressieven was de overeenstemming groter. Het gezamenlijke programma ‘Keerpunt '72’ vormde de grondslag van de samenwerking. Opnieuw was er een schaduwkabinet. Dit keer geen volwaardige alternatieve regering, zoals in 1971, maar een deelkabinet met een aantal schaduwministers onder leiding van Den Uyl. Er werd ingezet op de vorming van een progressief minderheidskabinet, met de mogelijkheid voor toetreding van confessionele ministers. In beginsel zou er echter niet met andere, niet-progressieve partijen over Keerpunt '72 onderhandeld kunnen worden. Geprobeerd werd om ook de PSP bij de progressieve alliantie te betrekken. Het pacifistisch-socialistische partijbestuur was bereid een progressief minderheidskabinet te steunen, als het een zekere zeggenschap zou krijgen. Op het laatste moment werd een dergelijke afspraak door D66 geblokkeerd, uit angst voor negatieve electorale effecten.
Naarmate de verkiezingsdag naderde, werden de tegenstellingen tussen de partijen scherper. Opzien baarden de uitspraken van Gruijters (D66) over de structurele onbetrouwbaarheid van confessionele politici. Gruijters zei letterlijk: "Als ik een confessioneel een hand gegeven heb moet ik mijn vingers natellen." De christelijke politiek omschreef hij als ‘twee duizend jaar onbetrouwbaarheid’.
In deze gepolitiseerde verhoudingen was de belangstelling voor de stembusstrijd groot. De verkiezingskassen van de partijen waren echter leeg. De campagne in 1971 had veel geld gekost en de meeste penningmeesters waren er nog niet in geslaagd nieuwe financiële reserves aan te leggen. De geïmproviseerde campagne sloeg echter goed aan. Vooral de nieuwe en jonge lijsttrekkers van de VVD en de PPR, Wiegel (31 jaar) en De Gaay Fortman (35 jaar), trokken veel publiek. Wiegel deed zich kennen als een begenadigd verkiezingsredenaar. Met enkele duidelijke thema's wist hij de zalen te bespelen. "Wie harder werkt, moet meer verdienen", hield hij zijn gehoor voor. Zijn aanvallen op de ‘torenhoge’ belastingen sloegen ook aan. Samen met secretaris-propaganda De Korte voerde Wiegel een snelle, maar krachtige campagne onder het centrale motto: ‘Houd Den Uyl uit het Catshuis." In de laatste-dag-advertentie wendde Wiegel zich rechtstreeks tot de sociaal-democratische kiezers: "Waarom stemt U eigenlijk op de PvdA?" Het boegbeeld van de PPR, De Gaay Fortman jr., moest het vooral van stunts hebben, zoals een nacht slapen in een sloopwoning. Toch maakte hij indruk op een grote groep, meest jonge, kiezers.
Naast Biesheuvel en Den Uyl, die beiden een sterk persoonlijke gerichte campagne voerden, waren Wiegel en De Gaay Fortman de spraakmakers. Meer gematigde lijsttrekkers, zoals Andriessen (KVP) die Veringa had afgelost, Van Mierlo van D66 en Drees jr. die DS'70 leidde, werden te midden van dit polariserende geweld naar de achtergrond gedrongen. De KVP kwam in de campagne slecht uit de verf, onder meer door een falend campagnebureau. De opzegging van het partijlidmaatschap door Luns, jarenlang minister van Buitenlandse Zaken, versterkte de neerwaartse spiraal. D66 leed onder de nauwe samenwerking met de PvdA, waardoor de eigen punten niet duidelijk over het voetlicht kwamen. De aanleiding voor de kabinetscrisis en het daarmee verbonden uittreden van Drees jr. en De Brauw raakte in het verbale verkiezingsgeweld ondergesneeuwd. De breuk kostte DS'70 veel kiezers, waarmee de oude politieke wijsheid ‘wie breekt, betaalt’ weer eens werd bevestigd.
De harde polarisatie van links tegen rechts leidde tot een uitholling van het politieke midden. De verkiezingsuitslag was daarvan het meest tastbare bewijs. De PvdA en de PPR behaalden een winst van vier en vijf zetels. Opmerkelijk was ook de gestage groei van de CPN. Nu de Koude Oorlog voorbij was en de internationale ontspanning de toon zette, kregen de communisten er bij elke verkiezing een Kamerzetel bij. De partij verwierf ook aanhang in studentenkringen. Vooruitgang was er tevens voor de partijen aan de rechterzijde van het politieke spectrum: de VVD won zes zetels en de Boerenpartij twee. In het politieke centrum werd flink verloren: de KVP ging van 35 naar 27 zetels. Eén hiervan kwam terecht bij de behoudende Rooms-Katholieke Partij Nederland (RKPN). D66 zakte van elf naar zes zetels; de CHU van tien naar zeven zetels en DS'70 van acht naar zes zetels. Uit de verkiezingsanalyses op de televisie - gepresenteerd door drs. Marcel van Dam - bleek dat de deconfessionalisering en de sterke verjonging van het kiezerscorps (als gevolg van de geboortegolf van vlak na de Tweede Wereldoorlog) de belangrijkste oorzaken waren van de politieke aardverschuiving. VVD, PvdA en PPR haalden gedrieën meer dan de helft van de nieuwe kiezers binnen.
Het kabinet-Biesheuvel kwam verzwakt uit de verkiezingen. De regeringspartij VVD won aanzienlijk, maar haar katholieke partner, de KVP, verloor sterk. Gezamenlijk hadden de regeringspartijen minus DS'70 zeventig zetels. De progressieve drie hadden weliswaar gewonnen, maar door het verlies van D66 was die winst gering (vier zetels in totaal). Het geheel vormde nauwelijks een duidelijk aanknopingspunt voor de kabinetsformatie, die dan ook maar liefst 164 dagen duurde. Resultaat was het kabinet-Den Uyl, bestaande uit PvdA, D66, PPR, KVP en ARP. Drie informateurs, Ruppert (ARP), Van Agt (KVP) en Alberda (ARP), en twee formateurs, Burger (PvdA) en opnieuw Ruppert (ARP), moesten er aan te pas komen. Terwijl KVP, ARP en CHU in een fusieproces verwikkeld waren, werden ze door formateur Burger uit elkaar gespeeld. KVP en ARP deden in een wonderlijke ‘gedoogrol’ mee aan de regering; de CHU belandde in de oppositie. Deze ‘inbraak’ van Burger zou een zware hypotheek leggen op toekomstige samenwerking tussen de PvdA en de confessionele partijen.