Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsMedische WetenschappenNieuws
University Medical Center Groningen

Promoties en Oraties

Mw. M.F. Luxwolda: Omega-3 fatty acids and vitamin D in traditionally living east-African populations. Lessons from evolution for a healthy lifestyle

Wanneer:wo 02-01-2013 om 16:15

Promotie: mw. M.F. Luxwolda, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Omega-3 fatty acids and vitamin D in traditionally living east-African populations. Lessons from evolution for a healthy lifestyle

Promotor(s): prof.dr. F.A.J. Muskiet

Faculteit: Medische Wetenschappen

Voedingsadviezen verbeteren door onderzoek bij Afrikaanse stammen

Veel, zo niet alle ziektes in de Westerse samenleving worden veroorzaakt door een mismatch tussen het menselijk genoom, dat sinds de oude steentijd (2,5 miljoen – 10.000 jaar geleden) nauwelijks is veranderd, en onze razendsnel veranderende samenleving. De huidige voedingsvoorschriften zijn gebaseerd op onderzoek naar eetgewoonten onder westerse bevolkingsgroepen in de moderne tijd. Logischer zou het zijn om voedingsadviezen mede te baseren op onderzoek naar de voedingsgewoonten van onze voorouders uit de steentijd. Op hun eet- en leefgewoonten is ons genoom immers ‘ingesteld’, zo argumenteert UMCG-promovendus Martine Luxwolda in haar proefschrift.

Luxwolda analyseert in haar proefschrift de eetgewoonten van Afrikaanse stammen in Tanzania, die een leefstijl hebben die lijkt op die van onze voorouders. Ze concentreert zich hierbij op twee voedingsstoffen die overvloedig aanwezig waren in het land-water ecosysteem, waarin de menselijke evolutie moet hebben plaatsgevonden: het visolievetzuur DHA en vitamine D. Luxwolda stelt vast dat de onderzochte stammen door hun voeding aanzienlijk meer DHA en vitamine D binnen krijgen. Dit zou mede kunnen verklaren dat typisch westerse ziektes, zoals vele psychiatrische aandoeningen en hart- en vaatziekten onder deze stammen niet voorkomen. Zo heeft een hoog moedermelk-DHA waarschijnlijk gunstige invloeden op de neurologische ontwikkeling van de pasgeborene. Nader onderzoek naar eetgewoonten van onze verre voorouders zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van onze voedingsadviezen.

Martine Luxwolda (Ede, 1981) studeerde Geneeskunde te Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek aan de afdeling Laboratoriumgeneeskunde. Het onderzoek werd medegefinancierd door FrieslandCampina en het VSBfonds. Luxwolda volgt momenteel de verkorte opleiding tot tandarts voor medici, dit ter voorbereiding op de opleiding tot Mond- Kaak- en Aangezichtchirurg.

Mw. R. Sinha: Adjustments to amputation and artificial limb, and quality of life in lower limb amputees

Wanneer:ma 07-01-2013 om 14:30

Promotie: mw. R. Sinha, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Adjustments to amputation and artificial limb, and quality of life in lower limb amputees

Promotor(s): prof.dr. W.J.A. van den Heuvel, prof.dr. P. Arokiasamy

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kwaliteit van leven van patiënten met onderbeenamputatie in India in kaart gebracht

Het ondergaan van een amputatie van een of meer ledematen heeft grote impact. UMCG-promovendus Richa Sinha deed onderzoek naar de kwaliteit van leven van mensen na een onderbeenamputatie in India. Vooral het hebben van werk en een prothese hadden positieve invloed op aanpassing aan de nieuwe situatie.

Na een amputatie verandert niet alleen het zelfbeeld van de betreffende persoon, maar ook het sociaal en maatschappelijk functioneren. Sinha gebruikte twee instrumenten om factoren in kaart te brengen die van invloed zijn op de kwaliteit van leven van mensen met een onderbeenamputatie. Jongere leeftijd, het hebben van werk en een prothese bleken van grote invloed op de kwaliteit van leven.

Onderbeenamputaties worden in India meestal veroorzaakt door een trauma. Meer dan de helft van deze mensen is werkloos. Sinha stelde vast dat fantoompijn, problemen met de stomphuid en stomppijn minder vaak voorkomen bij de mensen in India, in vergelijking met bevindingen uit Westerse studies. Mogelijk spelen verschillen in activiteiten hierbij een rol. Werkgelegenheid is een belangrijke factor in verband met de psychosociale aanpassing en beperking van activiteiten. Mensen die werken hebben de neiging om meer fysiek actief en beter psychosociaal geïntegreerd te zijn, stelt Sinha. Zij pleit voor verder onderzoek om verschillen in de kwaliteit van leven in diverse populaties te leren begrijpen.

Richa Sinha (India, 1980) studeerde Gezondheidswetenschappen in Maastricht. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij het iRv, Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap en de afdeling Sociale Geneeskunde in het kader van Onderzoeksinstituut SHARE van het UMCG.

Dhr. D. Halenahally Veeregowda: Lubrication by salivary conditioning films

Wanneer:ma 07-01-2013 om 16:15

Promotie: dhr. D. Halenahally Veeregowda, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Lubrication by salivary conditioning films

Promotor(s): prof.dr.ir. H.J. Busscher, prof.dr. H.C. van der Mei, prof.dr. A. Vissink

Faculteit: Medische Wetenschappen

Onderzoek naar speekselfilms aan de basis voor behandeling droge slijmvliezen

Veel mensen hebben last van droge slijmvliezen als gevolg van veroudering, geneesmiddelgebruik, bestraling in het hoofd-halsgebied, of de Ziekte van Sjögren. Droge slijmvliezen veroorzaken op allerlei plaatsen in het lichaam irritatie of slijtage, en kauw- en spraakproblemen. UMCG-promovendus Deepak Halenahally Veeregowda gebruikte speekselfilms om onderzoek te doen naar de behandeling van droge slijmvliezen.

Halenahally Veeregowda stelde vast dat het gebruik van de mondholte allerlei voordelen heeft als model voor onderzoek naar de behandeling van droge slijmvliezen. Ook onderstreept hij de rol van vochtige slijmvliezen voor waarnemingen met de zintuigen. Deze kennis is bijvoorbeeld relevant voor de ontwikkeling van mondverzorgingsproducten.

In zijn onderzoek bestudeerde Halenahally Veeregowda de natuurlijk voorkomende structuren in speekselfilms die zorgen voor een goede bevochtiging van de mondslijmvliezen. Op basis van deze gegevens kan kunstmatig speeksel worden ontwikkeld. Dit is van groot belang voor een betere hydratatie van de mondholte en verbetering van functies zoals kauwen, slikken en spreken.

Deepak Halenahally Veeregowda (India, 1984) studeerde Mechanical Engineering aan de University of Mississippi in de VS. Hij voerde zijn promotieonderzoek uit bij het WJ Kolff Instituut voor Biomedical Engineering van het UMCG. Halenahally Veeregowda werkt inmiddels bij Ducom Instruments Europe B.V.

Mw. E.G. Gerrits: Cardiovascular risk and its determinants in high risk patients

Wanneer:wo 09-01-2013 om 11:00

Promotie: mw. E.G. Gerrits, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Cardiovascular risk and its determinants in high risk patients

Promotor(s): prof.dr. H.J.G. Bilo, prof.dr. R.O.B. Gans

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht

Mw. K. Boyen: Tinnitus. An MRI study on brain mechanisms

Wanneer:wo 09-01-2013 om 12:45
Waar:.

Promotie: mw. K. Boyen, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Tinnitus. An MRI study on brain mechanisms

Promotor(s): prof.dr. P. van Dijk

Faculteit: Medische Wetenschappen

MRI-onderzoek naar hersenmechanismen bij tinnitus

Mensen met tinnitus (oorsuizen) hebben last van een piep in de oren die andere mensen niet horen. Steeds meer jonge mensen hebben dit, vaak als gevolg van te luide muziek. UMCG-promovendus Kris Boyen heeft laten zien dat tinnitus is geworteld in een netwerk van hersengebieden en dat niet alleen het gebied dat geluid verwerkt (de auditieve hersenschors) erbij betrokken is.

Boyen voerde MRI-studies uit bij mensen met tinnitus. Zij onderzocht zowel de structuren in de hersenen, als de functies van hersengebieden. Zij stelt vast dat tinnituspatiënten meer grijze massa hebben in de auditieve hersenschors, maar ook in andere gebieden van het brein. De grijze massa is verantwoordelijk voor de verwerking van informatie.

Ook heeft Boyen een link gelegd tussen het hebben van tinnitus en het abnormaal functioneren van de thalamus. In een eerste studie vond zij een zwakkere functionele verbinding tussen de auditieve hersenschors en de hersenstam. In een vervolgstudie kon ze geen luidheidsafhankelijke activatie in de thalamus vinden, maar wel in de auditieve hersenschors en de hersenstam. Beide resultaten kunnen geïnterpreteerd worden als het abnormaal functioneren van de thalamus bij tinnituspatiënten. Boyen stelt dat de resultaten van haar onderzoek ons een stap dichter bij begrip van het ontstaan van tinnitus brengen.

Kris Boyen (België, 1986) studeerde Logopedische en Audiologische wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven in België. Haar onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksprogramma ‘Healthy Ageing and Communication’ bij de afdeling KNO van het UMCG en werd uitgevoerd in het kader van onderzoeksinstituut BCN. Het onderzoek werd gefinancierd door The American Tinnitus Association, de Heinsius Houbolt Foundation en NWO. Boyen werkt als onderzoeker bij de afdeling KNO van het UMCG en is als docent verbonden aan de Hanzehogeschool in Groningen.

Dhr. J.A.J. Moonen: Endothelial plasticity: shaping health and disease

Wanneer:wo 09-01-2013 om 16:15

Promotie: dhr. J.A.J. Moonen, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Endothelial plasticity: shaping health and disease

Promotor(s): prof.dr. M.J.A. van Luyn

Faculteit: Medische Wetenschappen

Mechanismen voor plasticiteit van endotheelcellen in kaart gebracht

Endotheelcellen (EC) vormen de ‘binnenbekleding’ van bloedvaten. Het blijkt dat ze een hoge mate van plasticiteit bezitten. Jan-Renier Moonen onderzocht hoe de plasticiteit van EC gestuurd wordt door lokale omgevingsfactoren.

Moonen toont aan dat de plasticiteit van endotheelcellen van belang is voor behoud van gezondheid en herstel van beschadigde bloedvaten maar ook kan bijdragen aan vaatziekten. Door schadelijke prikkels kunnen EC en hun voorlopercellen namelijk veranderen in spiercelachtige cellen die zorgen voor vaatvernauwing. Moonen toont niet alleen aan welke mechanismen deze verandering van celtype veroorzaken maar ook welke mechanismen dit tegen kunnen gaan. Deze kennis kan worden gebruikt om therapieën te ontwikkelen die zowel het ontstaan als de progressie van hart- en vaatziekten tegengaan.

De functionele diversiteit van endotheel vereist dat EC plastische eigenschappen bezitten, dat wil zeggen van vorm en functie kunnen veranderen. Chronische ontstekingsziekten zorgen voor verminderde aantallen voorloper EC die daarnaast ook minder functioneel zijn. Ook laat hij zien dat zowel volwassen EC als voorlopercellen transities kunnen ondergaan die leiden tot verandering naar spiercelachtige cellen. Factoren die fibrosevorming en ontsteking bevorderen blijken synergistisch te werken op dit proces en ook hemodynamische factoren, oftewel de krachten veroorzaakt door de bloedstroom, blijken dit proces zowel te kunnen afremmen als te kunnen stimuleren. Door zijn bevindingen verkreeg Moonen inzicht in de regulatie van endotheelplasticiteit en de mogelijke bijdrage ervan aan (vaat)ziekten.

Jan-Renier Moonen (Olst, 1983) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek in het kader van een MD/PhD traject bij de Cardiovascular Regenerative Medicine Research Group van de sectie Medische Biologie van het UMCG. Moonen vervolgt zijn loopbaan als arts-onderzoeker binnen dezelfde groep.

Oratie dhr. prof.dr. M.F. Reneman: Pijnrevalidatie werkt

Wanneer:di 15-01-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. M.F. Reneman, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Pijnrevalidatie werkt

Leeropdracht: Revalidatiegeneeskunde, i.h.b. pijnrevalidatie en arbeidsparticipatie

Faculteit: Medische Wetenschappen

Het is noodzakelijk om ons beter voor te bereiden op de toekomst van de oudere werkende, die vaker te maken zal krijgen met pijn en andere chronische aandoeningen, stelt prof.dr. Michiel Reneman in zijn oratie. Iedereen zal in de toekomst langer doorwerken, maar een oudere werkende heeft minder fysieke vermogens dan een jongere, en bij het stijgen van de leeftijd neemt het aantal mensen met chronische pijn en andere gezondheidsproblemen toe. We krijgen dus te maken met een grotere groep werkenden met een lagere arbeidsbelastbaarheid. De uitdaging is hoe werkenden met gezondheidsproblemen duurzaam inzetbaar kunnen blijven, aldus Reneman.

Zijn leerstoel is erop gericht de pijnrevalidatie en de arbeidsparticipatie van mensen met pijn te verbeteren, en dan voornamelijk op het gebied van aspecifieke chronische pijn aan het bewegingsapparaat. Die pijn heeft vaak gevolgen voor het functioneren (in arbeid) en de kwaliteit van leven. Ongeveer twintig procent van de volwassenen heeft chronische pijn. En van al het arbeidsverzuim is circa een derde gerelateerd aan pijn aan het bewegingsapparaat. De economische impact van pijn is fors.

Mensen met beperkingen als gevolg van chronische pijn aan het bewegingsapparaat kunnen worden aangemeld voor pijn- of arbeidsrevalidatie. Uit veel onderzoeken is gebleken dat pijn- en arbeidsrevalidatie effectief is voor het verbeteren van kwaliteit van leven en het functioneren in het dagelijks leven, inclusief de arbeidssituatie. De gemiddelde omvang van het effect is echter matig. Volgens Reneman is het daarom één van de grootste uitdagingen om het effect van de huidige pijn- en arbeidsrevalidatieprogramma’s te vergroten.

Mw. P.P. Landburg: ADMA, angiogenesis and clinical complications in sickle cell disease

Wanneer:wo 16-01-2013 om 11:00

Promotie: mw. P.P. Landburg, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: ADMA, angiogenesis and clinical complications in sickle cell disease

Promotor(s): prof.dr. A.J. Duits

Faculteit: Medische Wetenschappen

Factoren voor ontstaan van complicaties sikkelcelziekte nader onderzocht

Sikkelcelziekte (SCZ) is wereldwijd één van de meest voorkomende erfelijke aandoeningen. Pearl Landburg onderzocht de rollen van nieuwe bloedvatvorming (angiogenese) en specifieke factoren die de beschikbaarheid van nitrietoxide (NO) verlagen in aan SCZ gerelateerde complicaties.

SCZ werd oorspronkelijk gezien in Afrika, Saudi-Arabiё, India en landen rond de Middellandse Zee. De toegenomen immigratie uit Suriname, de Nederlandse Antillen en Afrikaanse landen zorgt ervoor dat SCZ in Nederland meer voorkomt. Kenmerken van de ziekte zijn o.a. chronische hemolyse (afbraak van rode bloedlichaampjes), verhoogde vatbaarheid voor infecties, pijncrises, pulmonale hypertensie en beroertes.

Landburg vond bij patiënten met SCZ hogere waarden van angiogene factoren en asymmetrische dimethylarginine (ADMA) in vergelijking met gezonde controles. Toch stelt zij dat het moeilijk is om een relatie aan te tonen tussen deze factoren en de ontwikkeling van aan sikkelcel gerelateerde complicaties. Wel constateert Landburg dat er een belangrijke rol is weggelegd voor ADMA in de ontwikkeling van aan SCZ gerelateerde pulmonale hypertensie.

Pearl Landburg (Amsterdam, 1980) studeerde Geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij voerde haar onderzoek uit binnen de onderzoekslijn ‘Pathofysiologie en klinische complicaties van sikkelcelziekte’ van de afdeling Interne Geneeskunde van het St. Elisabeth Hospitaal, Curaçao en het Laboratorium Stichting Rode Kruis Bloedbank Curaçao. Het onderzoek werd gefinancierd door de Nederlands Antilliaanse Stichting voor Klinisch Onderwijs (NASKHO) en de Stichting Rode Kruis Bloedbank. Landburg is in opleiding tot internist-intensivist in het AMC in Amsterdam.

Mw. N.D. Moes: Autoimmune enteropathy. Clinical and molecular aspects

Wanneer:wo 16-01-2013 om 14:30

Promotie: mw. N.D. Moes, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Autoimmune enteropathy. Clinical and molecular aspects

Promotor(s): prof.dr. E.H.H.M. Rings, prof.dr. F.M. Ruemmele

Faculteit: Medische Wetenschappen

Ontstaan van ernstige en zeldzame darmziekte bij kinderen nader in kaart gebracht

Auto-immuun enteropathie (AIE) is een zeldzame oorzaak voor chronische diarree op de kinderleeftijd. Kinderarts in opleiding Nicolette Moes deed onderzoek naar de moleculaire achtergronden van het ontstaan van AIE. Ook gaat zij in op de diagnostiek en behandeling van de ziekte.

Kenmerkend voor AIE zijn de aanwezigheid van antistoffen gericht tegen lichaamseigen cellen en verwoesting van de darmwand. Naast het darmlijden kunnen bij AIE ook andere uitingen van auto-immuniteit bestaan, zoals diabetes mellitus, schildklierziekte of bloedarmoede. Het is een zeer ernstige ziekte waaraan patiënten vaak op jonge leeftijd overlijden.

Moes toonde aan dat de regulerende T-cel (Treg)-functie een zeer belangrijke rol speelt in het ontstaan van AIE, naast andere factoren. Bij sommige patiënten ligt een mutatie in het FOXP3-gen ten grondslag aan de ziekte, bij andere patiënten is de oorzaak onduidelijk. Verder is duidelijk geworden dat de Treg-functie beïnvloed kan worden door omgevingsfactoren. Dit heeft belangrijke consequenties voor de manier waarop de cellen werken en het schept ook nieuwe mogelijkheden voor behandeling. Moes beschrijft een veel grotere variatie in klinische presentatie van de ziekte dan tot nu toe bekend was. Zij stelt dat de diagnose AIE bij een groter aantal patiënten moet worden overwogen. Tot slot gaat zij in op de huidige immunosuppressieve behandeling van AIE. Haar onderzoek ondersteunt het gebruik van sirolimus bij deze aandoening.

Nicolette Moes (Leidschendam, 1981) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verdiepte zich vervolgens in de immunologie aan de Université Paris V in Frankrijk. Haar promotieonderzoek verrichtte zij in Parijs bij de vakgroep Kinder maag-darm-leverziekten van het Hopital Necker Enfants Malades en het INSERM Laboratorium U793, in samenwerking met de vakgroep Kinder maag-darm-leverziekten van het UMCG. Het onderzoek werd gefinancierd door een ZonMw AGIKO beurs en het Nutricia Research Institute. Moes is in opleiding tot kinderarts in het UMCG.

Promotie dhr. M.J.H. Aries: Cerebral hemodynamics in stroke and traumatic brain injury. The interplay between blood pressure, cerebral perfusion, body position and autoregulation

Wanneer:ma 21-01-2013 om 16:15

Promotie: dhr. M.J.H. Aries, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Cerebral hemodynamics in stroke and traumatic brain injury. The interplay between blood pressure, cerebral perfusion, body position and autoregulation

Promotor(s): prof.dr. H.P.H. Kremer, prof.dr. J.H.A. de Keyser

Faculteit: Medische Wetenschappen

Rechtop in bed na een herseninfarct: risico’s nader in kaart

Na een acuut herseninfarct worden patiënten opgenomen op een speciale ziekenhuisafdeling om stoornissen in de bloedsomloop en de zuurstofvoorziening te monitoren en te behandelen. Snel rechtop verplegen of uit bed halen is mogelijk gunstig voor het herstel na het herseninfarct. Er zijn echter ook aanwijzingen dat dit nadelig zou kunnen zijn voor bloeddoorstroming in de hersenen.

UMCG-promovendus Marcel Ariës ontdekte dat tijdens rechtop zitten en staan de bloeddruk gemiddeld toeneemt bij deze patiënten. Dit fenomeen werd voornamelijk gezien op de eerste dag na het herseninfarct. Opmerkelijk hierbij was dat patiënten met een forse toename van de bloeddruk bij staan (>20%), uiteindelijk een beter herstel na drie maanden leken te hebben.

Nader onderzoek (continue bloeddruk- en ultrageluidmetingen van de grote hersenvaten en infraroodmetingen van de voorste hersengebieden) liet geen verschillen zien tussen patiënten met een herseninfarct en gezonde proefpersonen. De promovendus vond geen aanwijzingen dat de zittende positie bij licht tot matig aangedane patiënten met een acuut herseninfarct onveilig is tijdens de eerste drie dagen. Wiskundige analyse van de bloeddoorstroming van de hersenen laat zien dat intensief monitoren ook belangrijk is voor patiënten met fors gezwollen of gekneusd hersenweefsel na een ernstig ongeval (ernstig traumatisch schedelhersenletsel).

Marcel Ariës (Boxtel, 1979) studeerde geneeskunde te Nijmegen. Hij werd opgeleid tot neuroloog in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Hij verrichtte zijn onderzoek aan de afdelingen Neurologie en Intensive Care Geneeskunde van het UMCG en de afdeling Clinical Neurosciences van het Addenbrooke’s Hospital in Cambridge (UK). Het onderzoek werd medegefinancierd door ZonMw, de Europese Federatie voor Neurologische Verenigingen en het Remmert Laan Fonds Amsterdam. Ariës is in opleiding tot neuro-intensivist in Groningen.

Promotie mw. S.D. Soechitram: Polychlorinated and hydroxypolychlorinated biphenyls. Influence on child neurological and endocrine development

Wanneer:wo 23-01-2013 om 12:45

Promotie: mw. S.D. Soechitram, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Polychlorinated and hydroxypolychlorinated biphenyls. Influence on child neurological and endocrine development

Promotor(s): prof.dr. P.J.J. Sauer

Faculteit: Medische Wetenschappen

PCB’s nog steeds van invloed op ontwikkeling baby's

PCB’s zijn chemische stoffen die tot in de jaren zeventig op grote schaal werden toegepast in onder meer plastics, brandwerende en warmtegeleidende materialen. Veertig jaar geleden werd het gebruik ervan verboden, omdat de stoffen giftig zijn. Maar nog altijd zijn PCS’s en hun afbraakstoffen (OH-PCB’s) terug te vinden in onze voedselketen, en aantoonbaar in ons bloed. Met name voor de ontwikkeling van baby’s is dit schadelijk, zo laat onderzoek van UMCG-promovendus Shalini Soechitram zien.

De promovenda heeft de hoeveelheid PCB’s en OH-PCB’s gemeten en de effecten van deze stoffen onderzocht bij pasgeborenen tot de leeftijd van 18 maanden. Ze stelt vast dat de hoeveelheid PCB’s in het bloed van pasgeborenen de afgelopen jaren is gedaald, maar dat deze concentraties nog steeds schadelijk kunnen zijn. Soechitram laat zien dat PCB’s de werking van de schildklier van Nederlandse baby’s nog altijd beïnvloeden. Dit heeft mogelijk zijn weerslag op cognitieve en neurologische ontwikkeling. Ook stelt ze vast dat PCBs en OH-PCBs van invloed zijn op de motorische optimaliteit van pasgeborenen. Op het testikelvolume bij 3 en 18 maanden lijken de stoffen geen invloed te hebben. Het blijft dan ook van het grootste belang voor onze gezondheid om de toepassing van PCB’s en andere chemische stoffen te bestrijden, aldus Soechitram.

Shalini-Devi Soechitram (Paramaribo, 1969) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek binnen de Beatrix Kinderkliniek van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd medegefinancierd door het Milieu en Klimaat Programma van de Europese Commissie. Soechitram werkt inmiddels als kinder- en jeugdpsychiater bij het dr. Leo Kannerhuis, een expertisecentrum voor autisme.

Promotie dhr. J.H. Kedde: Sexual health of people with disability and chronic illness

Wanneer:wo 23-01-2013 om 14:30

Promotie: dhr. J.H. Kedde, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Sexual health of people with disability and chronic illness

Promotor(s): prof.dr. H.B.M. van de Wiel, prof.dr. W.C.M. Weijmar Schultz

Faculteit: Medische Wetenschappen

Na borstkanker: meer aandacht nodig voor seksualiteit

Een chronische ziekte of een lichamelijke beperking kan seksuele problemen veroorzaken. Het accepteren van de beperking of aandoening en het hervatten van het seksuele leven is een moeilijk en tijdrovend proces. De reguliere gezondheidszorg voorziet niet adequaat in de behoefte aan seksuele hulp, en hulpverleners lijken niet goed genoeg om te kunnen gaan met seksuele problemen. Dat blijkt uit onderzoek van UMCG-promovendus Harald Kedde.

Uit dit promotieonderzoek naar jonge vrouwen met borstkanker blijkt dat zij na verloop van tijd weer seksueel actief worden. Aanvankelijk is dit vooral om de partner een plezier te doen, maar de vrouwen kunnen er zelf maar beperkt van genieten. Vooral het herstel van de subjectieve, individuele beleving van seksualiteit duurt lang. Dit hangt samen met het wel of niet kunnen of durven praten, de kwaliteit van de relatie en de fysieke belemmeringen ten gevolge van de behandeling.

Kedde stelt dat er niet alleen tijdens de behandeling, maar ook daarna bij de follow-up, op meer gestructureerde wijze aandacht moet komen voor seksualiteit. In het geval van jonge vrouwen met borstkanker lijkt die rol het best te kunnen worden gelegd bij nurse practitioners en gespecialiseerde oncologieverpleegkundigen.

Harald Kedde (Hardenberg, 1973) studeerde algemene sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Hij verrichtte zijn onderzoek als buitenpromovendus in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en binnen onderzoeksinstituut SHARE van het UMCG. Het onderzoek werd medegefinancierd door Rutgers WPF, AGIS zorgverzekeringen, de Borstkanker Vereniging Nederland en de Stichting Amazones. Kedde blijft ook na zijn promotie werkzaam als onderzoeker bij Rutgers WPF.

Promotie mw. E.M. Kingma: Intelligence and functional somatic symptoms and syndromes

Wanneer:wo 23-01-2013 om 16:15

Promotie: mw. E.M. Kingma, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Intelligence and functional somatic symptoms and syndromes

Promotor(s): prof.dr. J.G.M. Rosmalen, prof.dr. J. Ormel, prof.dr. P. de Jonge

Faculteit: Medische Wetenschappen

Meer kans op onverklaarde lichamelijke klachten bij mensen met lagere intelligentie

Voor lichamelijke klachten kan niet altijd een duidelijke onderliggende lichamelijke oorzaak worden gevonden. Om meer inzicht te krijgen in het ontstaan van deze zogenaamde ‘functioneel somatische symptomen’ (FSS) onderzocht UMCG-promovendus Eva Kingma of de intelligentie van een persoon de kans op het ontstaan van FSS beïnvloedt. Mensen met een lagere intelligentie blijken gemiddeld genomen meer FSS te hebben dan mensen met een hogere intelligentie.

Kingma maakte gebruik van meerdere grote studies met gegevens van relatief gezonde mensen van uiteenlopende leeftijden. Bij de proefpersonen was de intelligentie gemeten en de ontwikkeling van de gezondheid gevolgd.

Om het verband tussen intelligentie en FSS te verklaren onderzocht Kingma verschillende factoren, waaronder socio-economische en stress-gerelateerde factoren. Zo blijken jongeren met een lagere intelligentie vooral vroeg in het leven kwetsbaar te zijn voor FSS wanneer ze hoge academische verwachtingen van hun ouders ervaren. Echter, waar deze hoge academische verwachtingen op jonge leeftijd een rol spelen, werkt dit mogelijk niet door tot in de volwassen leeftijd. Bij volwassen lijkt er een specifieke rol voor een ongunstige werksituatie. Volwassenen met een lagere intelligentie zijn gemiddeld vaker ongewild werkloos dan volwassenen met een hogere intelligentie wat de kans op FSS vergroot. De rol van intelligentie in relatie tot de gezondheid verdient verder onderzoek, vooral met betrekking tot de mechanismen die ten grondslag liggen aan de associatie tussen intelligentie en FSS.

Eva Kingma (Delfzijl, 1984) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij voerde haar promotieonderzoek uit in het kader van de Junior Scientific Masterclass bij het Interdisciplinair Centrum Psychopathologie en Emotieregulatie (ICPE) binnen Onderzoeksinstituut SHARE van het UMCG. Na haar promotie start Kingma als arts-assistent Neurologie in de Isala Klinieken in Zwolle.

Promotie dhr. H.R. Bouma: Immunological aspects of hibernation as leads in the prevention of acute organ injury

Wanneer:ma 28-01-2013 om 16:15

Promotie: dhr. H.R. Bouma, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Immunological aspects of hibernation as leads in the prevention of acute organ injury

Promotor(s): prof.dr. R.H. Henning, prof.dr. F.G.M. Kroese

Faculteit: Medische Wetenschappen

Winterslapers wijzen de weg naar beter koelen organen

Bij dieren die een winterslaap houden, neemt de toevoer van zuurstof naar de organen sterk af en daalt de lichaamstemperatuur. Dat hun organen toch niet beschadigd raken, komt doordat de dieren hun immuunsysteem onderdrukken. Dat blijkt uit onderzoek van UMCG-promovendus Hjalmar Bouma. Niet-winterslapers kunnen met medicijnen kunstmatig in winterslaap worden gebracht, zo stelt de promovendus verder vast. De gevonden mechanismen helpen om orgaanschade bij slachtoffers van onderkoeling te begrijpen, en maken het mogelijk (operatie)patiënten op een veiliger wijze te koelen.

Koeling van patiënten wordt vaak toegepast om orgaanschade te beperken tijdens hartoperaties, waarbij gebruik gemaakt wordt van de hart-longmachine. Toch vond Bouma in zijn onderzoek dat meer dan één op de tien patiënten na afloop van zo’n hartoperatie een tijdelijke verstoring van hun nierfunctie heeft. Dat leidt tot een blijvend verhoogd risico op overlijden tot 10 jaar na de ingreep. Verder blijkt dat het op gang brengen van een lokale ontstekingsreactie in de nieren een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van nierschade bij gebruik van de hart-long machine. Een kunstmatige winterslaap, waarbij ook het immuunsysteem onderdrukt wordt, kan mogelijk de uitkomst verbeteren.

Bouma ontrafelde de mechanismen die optreden bij winterslaap in knaagdieren. Hij stelt vast dat het immuunsysteem op ‘stand-by’ staat, doordat de witte bloedcellen uit het bloed gehaald worden. Ze worden tijdelijk opgeslagen in lymfeklieren of plakken vast aan de wand van de bloedvaten, waardoor ontstekingsreacties niet plaats kunnen vinden. Na afloop van de winterslaap verschijnen de cellen weer in het bloed en zijn snel weer klaar voor actie.

Niet-winterslapers kunnen in een kunstmatige winterslaap worden gebracht door toediening van de stof 5’-AMP, zo ontdekte Bouma. Dit leidt niet alleen tot remming van de stofwisseling, maar ook tot onderdrukking van het immuunsysteem. De onderzoekers denken dat toepassing van dit principe in patiënten tijdens grote operaties of op de intensive care het risico op orgaanschade kan beperken. Het vervolgonderzoek richt zich op de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen op basis van het ontdekte mechanisme, zodat dit veilig toegepast kan worden.

Over dit onderzoek verscheen eerder een persbericht: Winterslaap als ontstekingsremmer.

Hjalmar Bouma (Emmen, 1986) studeerde geneeskunde te Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek aan de afdeling Klinische Farmacologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en het onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek werd medegefinancierd door de Jan Hendrik de Cock Stichting en bekroond met de Ritsema van Eckprijs en de Max Gruberprijs. Bouma begint in april met de opleiding tot reumatoloog-immunoloog en zal daarnaast onderzoek blijven doen in het UMCG.

Promotie mw. I. Tsiligianni: Measurement of health status in COPD in daily clinical practice

Wanneer:wo 30-01-2013 om 12:45

Promotie: mw. I. Tsiligianni, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Measurement of health status in COPD in daily clinical practice

Promotor(s): prof.dr. T. van der Molen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Vragenlijst brengt gezondheid COPD-patiënten in kaart

Chronische obstructieve longziekte (COPD) staat in de top vijf van doodsoorzaken in Europa. De ziekte leidt tot een versnelde afname van de longfunctie, hoesten, slijm opgeven en kortademigheid.

Vaak wordt longfunctieonderzoek verricht om de ernst van de ziekte en de behandeling vast te stellen. Dit geeft echter onvoldoende duidelijkheid over de kwaliteit van leven en de gezondheidsstatus van COPD-patiënten, zo laat onderzoek van UMCG-promovendus Ioanna Tsiligianni zien. Zij vond slechts een zwak tot matig verband tussen de longfunctie en de gezondheidstoestand.

Een in Groningen ontwikkelde vragenlijst, de Clinical COPD Questionnaire (CCQ), blijkt de gezondheidssituatie en de kwaliteit van leven van COPD-patiënten nauwkeurig in kaart te brengen. Het verdient dan ook aanbeveling de CCQ te gebruiken in de dagelijkse zorg voor deze patiëntengroep.

Ioanna Tsiligianni (Griekenland, 1971) studeerde geneeskunde op Kreta, Griekenland. Ze verrichtte haar onderzoek aan de afdeling Huisartsgeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd medegefinancierd door de International Primary Care Respiratory Group (IPCRG). Tsiligianni werkt inmiddels als huisarts op het Griekse platteland.

Promotie mw. E.A.P. de Jong-Pleij: Echografie van het foetale gezicht in het tweede en derde trimester van de zwangerschap

Wanneer:wo 30-01-2013 om 14:30

Promotie: mw. E.A.P. de Jong-Pleij, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Echografie van het foetale gezicht in het tweede en derde trimester van de zwangerschap

Promotor(s): prof.dr. C.M. Bilardo

Faculteit: Medische Wetenschappen

Gezicht foetus beter te analyseren met 3D-echo

Aan het gezicht van een foetus kan veel worden afgelezen over eventuele aandoeningen of syndromen. Els de Jong-Pleij onderzocht de mogelijkheden om het gezicht van een foetus met 3D-echografie te analyseren. Uit het onderzoek blijkt dat een 3D-echo het profiel veel nauwkeuriger afbeeldt dan een 2D-echo. Structuren in het gezicht worden hierdoor nauwkeuriger meetbaar.

De Jong-Pleij ontwikkelde twee objectieve maten, waarmee het profiel beoordeeld kan worden: de maxilla-nasion-mandible angle en de profiellijn. Ook onderzocht ze hoe nauwkeurig ‘gezichtsmarkers’ voor het syndroom van Down met 3D-echografie afgebeeld en gemeten kunnen worden. Twee markers (nasal bone length en prenasal thickness) kunnen met een 3D-echo goed vastgesteld worden en vooral de ratio van deze beide metingen is een gevoelige marker, zo concludeert zij. Een derde gezichtsmarker, de frontomaxillary facial angle, is veel lastiger af te beelden.

Ook laat het onderzoek zien dat 3D-echografie een positief effect heeft op de moeder-foetus binding. Het is geruststellend dat als de echo kwalitatief niet gunstig (‘niet mooi’) uitvalt, dit geen meetbaar nadelig effect heeft op de moeder-foetus binding.

Els de Jong-Pleij (Maastricht, 1958) studeerde geneeskunde aan de Universiteit Utrecht. Ze verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Alnatal van het St Antonius Ziekenhuis Nieuwegein. In laatstgenoemd ziekenhuis blijft De Jong-Pleij ook na haar promotie werkzaam als arts-echografist.

Promotie mw. E. Piek: Depression in general practice. Underrecognition? Overtreatment? Adequate care!

Wanneer:ma 04-02-2013 om 14:30

Promotie: mw. E. Piek, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Depression in general practice. Underrecognition? Overtreatment? Adequate care!

Promotor(s): prof.dr. K. van der Meer, prof.dr. W.A. Nolen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Huisartsen leveren goede zorg bij depressiviteit

Huisartsen schrijven niet klakkeloos antidepressiva voor, zoals in de media en in sommige wetenschappelijke onderzoeken wordt gesuggereerd. Dat blijkt uit onderzoek van UMCG-promovendus Ellen Piek. Over het algemeen is de zorg in overeenstemming met geldende richtlijnen.

Ruim tweederde van de depressieve patiënten wordt door de huisarts herkend, zo stelt Piek vast. Patiënten die hun psychische problemen met de huisarts bespreken, patiënten die meer depressieve symptomen hebben, en patiënten die niet alleen een depressie hebben maar ook een angststoornis, worden beter herkend. Het atypische symptoom toegenomen eetlust leidt tot slechtere herkenning.

58% van de depressieve patiënten wordt doorverwezen voor psychologische of psychiatrische zorg. Huisartsen houden hierbij de aanbevelingen voor verwijzing uit de richtlijn in het oog. Patiënten met voorkeur voor psychotherapie, met chronische depressie of suïcidale neigingen worden vaker verwezen.

Ook behandeling met antidepressiva schrijven huisartsen volgens de richtlijn voor. Slechts bij 5,4% van de antidepressiva-gebruikers was sprake van overbehandeling. Bovendien was meer dan de helft van deze overbehandelde patiënten met een goede reden gestart, maar te lang doorbehandeld.

De behandeling van depressie en het gebruik van antidepressiva zijn actuele onderwerpen, waaraan de laatste jaren door de media veel aandacht is besteed. Vaak werd geconcludeerd dat te veel antidepressiva worden voorgeschreven, vooral door huisartsen. Dit onderzoek laat zien dat het tegendeel waar is, slechts weinig antidepressiva worden onterecht voorgeschreven en ook op andere gebieden van depressiebehandeling doet de huisarts het goed.

Ellen Piek (Groningen, 1983) studeerde geneeskunde te Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek aan de afdeling Huisartsgeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en binnen onderzoeksschool SHARE. Het NESDA-onderzoek waaraan zij de meeste van haar data ontleende, wordt gefinancierd door ZonMw. Piek werkt inmiddels als huisarts te Zwolle en Den Ham (OV).

Zie ook persbericht

Oratie dhr. prof.dr. R.P. Coppes: Sparen voor later

Wanneer:di 05-02-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. R.P. Coppes, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Sparen voor later

Leeropdracht: Radiotherapie, i.h.b. radiobiologie van schade aan normale weefsels

Faculteit: Medische Wetenschappen

De oratie van prof.dr. Robert Coppes gaat over de behandeling van kankerpatiënten met behulp van radiotherapie. Daarbij staat de volgende vraag centraal: hoe kunnen kankerpatiënten radiotherapie (bestraling) ondergaan en daar zo gezond mogelijk uitkomen? Kortom, wat kunnen we sparen voor later? Het onderzoek van Coppes en zijn collega’s richt zich de komende jaren op nauwkeurige bestralingsplannen met protonen, die mogelijk gecombineerd kunnen worden met stamceltherapieën. Op die manier kan de regeneratiecapaciteit (de herstelcapaciteit) van organen na radiotherapie worden vergroot, en dat kan een belangrijke bijdrage leveren aan levenskwaliteit van de kankerpatiënt die de bestraling moet ondergaan.

Een op de drie mensen krijgt een of andere vorm van kanker. Bij vijftig procent van de kankerpatiënten is radiotherapie in enige vorm een belangrijk onderdeel van de behandeling. Helaas gaat de behandeling van kanker bijna altijd met bijwerkingen gepaard, en moeten steeds meer mensen daarmee leven. Een voorbeeld is bestraling in het geval van hoofd- en halskanker, waarbij de speekselklieren vaak ernstig beschadigd raken. Hierdoor krijgt de patiënt een erg droge mond, met als gevolg dat praten, slikken en proeven wordt bemoeilijkt. Als gevolg van de bestraling kunnen er zelfs ontstekingen in de mond ontstaan.

Normaal gesproken zijn weefselspecifieke stamcellen verantwoordelijk voor het herstel van schade aan organen, maar het probleem is dat deze cellen eveneens worden gesteriliseerd door de straling. Nu is gebleken dat de stamcellen in de oorspeekselklier geconcentreerd zijn in een bepaald gebied. Sparen van juist dit stamcelrijke gebied (door bijvoorbeeld de zeer precieze protonentherapie te gebruiken), houdt de regeneratiecapaciteit van de oorspeekselklier intact en kan mogelijk een droge mond voorkomen. Een andere optie is het oogsten van speekselklier-specifieke stamcellen voordat de bestraling is begonnen. Deze cellen kunnen vervolgens worden getransplanteerd als de radiotherapie is afgerond, zodat de schade kan worden hersteld en de droge mond verdwijnt.

Promotie mw. M.L. de Groote: Potentials and pitfalls of epigenetic editing in the gene specific re-expression of epigenetically silenced genes

Wanneer:wo 06-02-2013 om 14:30

Promotie: mw. M.L. de Groote, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Potentials and pitfalls of epigenetic editing in the gene specific re-expression of epigenetically silenced genes

Promotor(s): prof.dr. M.G. Rots

Faculteit: Medische Wetenschappen

Mogelijkheden Epigenetische Editing in strijd tegen kanker nader verkend

Epigenetica is het vakgebied dat de invloed bestudeert van omkeerbare, erfelijke veranderingen in de genfunctie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA. Epigenetische modificaties zijn van belang voor het goed functioneren van het organisme in het geheel en de cel in het bijzonder. Net als in de genetische informatie die opgeslagen ligt in de DNA-volgorde, kunnen er ook foutjes optreden in de epigenetische informatie. Deze onbedoelde veranderingen in ‘epigenetische marks’ kunnen allerlei ziektes veroorzaken, waaronder kanker.

UMCG-promovendus Marloes de Groote onderzocht de mogelijkheid deze epigenetische fouten te repareren. Het ultieme doel van het onderzoek was om voor één specifiek gen dat in een bepaalde cel per ongeluk uitgeschakeld staat, met behulp van aanpassing van de epigenetische informatie te zorgen dat hij weer aan gaat en dus weer het bijbehorend eiwit produceert. Deze techniek wordt wel ‘Epigenetische Editing’ genoemd.

De Groote beschrijft in haar proefschrift twee tumorsuppressorgenen die epigenetisch uitgeschakeld bleken te zijn in bepaalde kankercellen en waarop dus epigenetische editing toegepast zou kunnen worden. Ze laat zien dat deze genen gereguleerd kunnen worden in de endogene situatie met behulp van zinkvingers die gefuseerd zijn aan transcriptieregulerende eiwitten, en dat hiermee de groei van kankercellen geremd kan worden. Epigenetische Editing lijkt een veelbelovende techniek in de strijd tegen onder meer kanker. Wel zal nog nader onderzocht moeten worden welk(e) epigenetische enzym(en) gebruikt kunnen worden voor de regulatie van specifieke endogene genen om een blijvend effect te bewerkstelligen.

Marloes de Groote (Groningen, 1985) studeerde Medische Biologie te Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek binnen de afdeling Pathologie en Medische Biologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en binnen onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd gefinancierd door NWO-VIDI. De Groote werkt inmiddels als Medical Writer/Clinical Research Associate bij QPS Nederland B.V., Groningen.

Promotie mw. E.J. Liemburg: Prefrontal networks in schizophrenia. Insights from neuroimaging

Wanneer:wo 06-02-2013 om 16:15

Promotie: mw. E.J. Liemburg, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Prefrontal networks in schizophrenia. Insights from neuroimaging

Promotor(s): prof.dr. A. Aleman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Rol prefrontale cortex bij schizofrenie nader in kaart

Het voorstel deel van het brein, de prefrontale cortex, heeft een belangrijke, regulerende rol in hersenfuncties. Verstoring van prefrontale netwerken kan leiden tot aandoeningen waarbij cognitieve functies verstoord zijn. Schizofrenie is hier een voorbeeld van.

UMCG-promovendus Edith Liemburg onderzocht verschillende cognitieve dysfuncties en de relatie met verstoorde hersenfunctie in schizofrenie. Ze stelt vast dat prefrontale taalnetwerken inderdaad een veranderde functie laten zien in patiënten met schizofrenie. Ook vertonen patiënten met slecht ziekte-inzicht en gezonde personen met een verstoorde emotieverwerking afgenomen samenwerking van hersengebieden in een netwerk dat betrokken is bij zelf-gerelateerde processen.

In haar proefschrift besteedt Liemburg speciale aandacht aan negatieve symptomen, die mogelijk ook veroorzaakt worden door prefrontale dysfunctie. Haar bevindingen suggereren dat prefrontale activiteit toeneemt na behandeling met nieuwere antipsychotica, maar dat symptomen niet gelijktijdig hoeven te verbeteren. Bovendien toont ze aan dat negatieve symptomen uit verschillende subdomeinen kunnen bestaan, die verschillend kunnen reageren op behandeling. Deze bevindingen stimuleren mogelijk onderzoek naar betere definities van symptomen, die weer als uitgangspunt kunnen dienen voor nader (neuroimaging) onderzoek en nieuwe behandelstrategieën.

Edith Liemburg (Heerenveen, 1985) studeerde Medische Biologie te Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek bij het Neuroimaging Center binnen de onderzoeksgroep Cognitieve Neuropsychiatrie, in samenwerking met het Universitair Centrum Psychiatrie en het Rob Giel onderzoekscentrum. Het onderzoek werd medegefinancierd door een EURYI-award aan prof. Dr. A. Aleman. Liemburg werkt inmiddels als onderzoeker in het Neuroimaging Center en Rob Giel onderzoekscentrum van het UMCG.

Promotie dhr. K.P. Rembacz: The functional relationship between peroxisomes, bile salts and lipid rafts in the liver

Wanneer:ma 11-02-2013 om 11:00

Promotie: dhr. K.P. Rembacz, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The functional relationship between peroxisomes, bile salts and lipid rafts in the liver

Promotor(s): prof.dr. K.N. Faber, prof.dr. H. Moshage

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nader inzicht in rol galzouten bij vetopname

De lever is een centraal orgaan in de menselijke stofwisseling. Een belangrijke eigenschap van de lever is het maken van gal voor efficiënte opname van vetten en vetoplosbare stoffen in de dunne darm. Galzouten spelen daarbij een belangrijke rol. UMCG-promovendus Krzysztof Rembacz bracht de rol van galzouten nauwgezet in kaart.

Galzouten worden gemaakt in levercellen (hepatocyten) en via de gal uitgescheiden in de twaalfvingerige darm (duodenum). Samen met vetten uit het dieet worden ze opgenomen in het terminal ileum en teruggetransporteerd naar de lever voor een nieuwe zogenaamde enterohepatische cyclus. Specifieke transporters in de membranen van hepatocyten en enterocyten zijn verantwoordelijk voor het transport van galzouten over de membraan. Tijdens de enterohepatische cyclus zijn galzouten onderhevig aan bacteriële modificaties in de darm, zoals deconjugatie van het glycine of taurine, die door de lever opnieuw geconjugeerd moet worden.

Rembacz laat zien dat reconjugatie van galzouten met glycine of taurine in het peroxisomale compartiment van de hepatocyt gebeurt. Voor het intracellulaire transport betekent dit dat galzouten over de peroxisomale membraan getransporteerd worden. De promovendus toont aan dat het peroxisomale membraaneiwit, PMP70, betrokken is bij het intracellulaire transport en reconjugatie van galzouten in de lever. Tevens laat hij zien dat PMP70, net als conventionele galzouttransporters, in cholesterol verrijkte microdomeinen van de membraan zit, de zogenaamde lipide rafts. Lipide rafts waren nog niet eerder aangetoond in humane peroxisomen. Rembacz laat echter zien dat ze essentiëel zijn voor de vorming van dit organel.

Krzysztof Rembacz (Polen, 1977) studeerde biologie te Wroclaw. Hij verrichtte zijn onderzoek aan de afdeling Maag-Darm en Leverziekten van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd medegefinancierd door NWO.

Promotie mw. L. Krishnappa: Proteolysis of extracytoplasmic proteins in Bacillus subtilis

Wanneer:ma 11-02-2013 om 14:30

Promotie: mw. L. Krishnappa, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Proteolysis of extracytoplasmic proteins in Bacillus subtilis

Promotor(s): prof.dr. J.M. van Dijl

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuwe stap in ontwikkeling supersecreterende bacteriën

Alle levende organismen hebben een beperkte levensduur, net als de afzonderlijke ‘componenten’ waaruit ze zijn opgebouwd. UMCG-promovendus Laxmi Krishnappa onderzocht hoe eiwitsplitsende enzymen (proteases) 'leven en dood' van eiwitten bepalen, die door bacteriën vanaf de plaats van hun synthese in het cytoplasma naar de cytoplasmamembraan, de celwand en het extracellulaire milieu getransporteerd worden. Hiertoe gebruikte Krishnappa de gram-positieve bacterie Bacillus subtilis als modelorganisme. Deze bacterie produceert tenminste tien belangrijke extracytoplasmatische proteases.

Uit eerder onderzoek bleek dat verschillende extracytoplasmatische proteases de biotechnologische inzetbaarheid van B. subtilis beperken. Het was echter niet bekend in welke mate deze proteases de eigen eiwitten van de bacterie afbreken.

Krishnappa laat zien dat eiwitten in de cytoplasmamembraan, de celwand en het extracellulaire milieu in grote mate aan proteolyse blootgesteld zijn. Daarbij viel op dat een aantal proteases zelfs componenten van de cellulaire ewitsecretiemachinerie afbreekt. Dit verklaart op zijn minst ten dele waarom mutante bacteriën, die meerdere proteases missen, beter in staat zijn om eiwitten af te scheiden (te secreteren). Daar staat tegenover dat sommige extracytoplasmatische eiwitten proteases nodig hebben voor hun stabiele productie. Dit heeft wellicht te maken met het feit dat deze proteases een belangrijke rol spelen in de eiwitkwaliteitscontrole.

De bevindingen uit dit onderzoek dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe super-secreterende bacteriën, die kunnen worden ingezet om aan de steeds groter wordende behoefte aan industriële enzymen en farmaceutische eiwitten te voldoen. Tevens heeft het onderzoek tot nieuwe inzichten geleid, die van belang kunnen zijn voor de bestrijding van ziekteverwekkende bacteriën die verwant zijn aan B. subtilis.

Laxmi Krishnappa (India, 1981) studeerde Biomoleculaire Wetenschappen te Utrecht. Ze verrichtte haar onderzoek aan de afdeling Medische Microbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en binnen onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd medegefinancierd door NWO-ALW en de Europese Commissie.

Promotie mw. Z. Metting: Advanced neuroimaging in mild traumatic brain injury

Wanneer:ma 11-02-2013 om 16:15

Promotie: mw. Z. Metting, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Advanced neuroimaging in mild traumatic brain injury

Promotor(s): prof.dr. H.P.H. Kremer

Faculteit: Medische Wetenschappen

CT scan met contrastvloeistof toont afwijkingen bij hersenschudding

Ondanks dat de reguliere CT scan geen afwijkingen liet zien, blijken patiënten met een hersenschudding wel doorbloedingsstoornissen van de hersenen te kunnen hebben in de acute fase na een ongeval. UMCG-neuroloog en onderzoeker Zwany Metting onderzocht of een CT scan met contrastvloeistof beter inzicht kan geven in wat er in de hersenen aan de hand is na het ongeval. Zij vond afwijkingen in de doorbloeding, vooral in de voorste delen van de hersenen. Bovendien bleek een lagere doorbloeding van de hersenen voorspellend te zijn voor een slechte uitkomst na de hersenschudding.

Vele mensen lopen jaarlijks een hersenschudding op, naar schatting 100 tot 300 per 100.000 inwoners. Het is een van de meest voorkomende neurologische aandoeningen en een van de belangrijkste oorzaken van invaliditeit en overlijden. Het merendeel van de patiënten herstelt binnen weken tot maanden na het ongeval maar een kleine groep blijft klachten houden waardoor volledige hervatting van werkzaamheden en sociale activiteiten niet mogelijk is.

De meest gebruikte beeldvormende techniek in de acute fase van de hersenschudding is de CT scan. De perfusie CT maakt gebruik van een contrastvloeistof. Het is een relatief nieuwe techniek, waarbij de doorbloeding van de hersenen gevisualiseerd en gekwantificeerd kan worden. Metting gebruikte deze techniek om de onderliggende pathofysiologische mechanismen bij patiënten met een hersenschudding in kaart te brengen en om betere prognostische parameters te verkrijgen. Tevens vergeleek zij de perfusie CT bevindingen met de uitkomsten van neuropsychologische tests en diffusion tensor imaging (DTI) studies op lange termijn, waarbij zij relevante relaties aantoonde.

Zwany Metting (1975, Groningen) studeerde geneeskunde in Groningen. Vervolgens begon ze aan haar opleiding tot neuroloog en verrichtte zij onderzoek bij de afdeling Neurologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door ZonMw. Inmiddels is Metting werkzaam als fellow kinderneurologie op de afdeling Kindergeneeskunde van het Martini Ziekenhuis.

Oratie dhr. prof.dr. E.M.D. Schuuring: ‘Next Generation’ pathologie

Wanneer:di 12-02-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. E.M.D. Schuuring, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstaat 5, Groningen

Titel: ‘Next Generation’ pathologie

Leeropdracht: Moleculaire oncologische pathologie

Faculteit: Medische Wetenschappen

Prof.dr. Ed Schuuring gaat in zijn oratie in op de stand van zaken in de moleculaire pathologie, die een steeds prominentere rol krijgt in de tumordiagnostiek. De ontdekking van een nieuwe generatie medicijnen die alleen aangrijpen op tumorcellen met een specifieke mutatie in het erfelijk materiaal, biedt nieuwe veelbelovende behandelmogelijkheden voor kankerpatiënten. Het effect van die medicijnen is zeer opmerkelijk, omdat de tumor in de meeste gevallen al een paar weken na de start van de behandeling niet meer zichtbaar is en patiënten zienderogen opfleuren. Deze nieuwe therapie heeft niet alleen impact voor kankerpatiënten, maar ook voor de diagnostiek binnen de pathologie, aldus Schuuring.

Nieuwe revolutionaire technische ontwikkelingen maken het mogelijk om alle tumor-specifieke mutaties in kaart te brengen. Ondertussen ontwikkelt de farmaceutische industrie vele nieuwe geneesmiddelen gericht tegen deze tumor-specifieke mutaties. Over afzienbare tijd zal de moleculaire pathologie van elke tumor een specifiek mutatieprofiel bepalen op basis waarvan de betreffende kankerpatiënt individuele ‘therapie op maat’ kan krijgen.

Door deze snelle geavanceerde technische ontwikkelingen, de verwachte enorme toename van het aantal testen, de vereiste borging van hoge kwaliteit en de zeer geavanceerde technische kennis op het gebied van dataverwerking, zullen de werkzaamheden binnen de pathologie de komende jaren aanzienlijk veranderen. Schuuring ziet de implementatie van deze ‘next-generation pathologie’ binnen de huidige diagnostiek dan ook als een grote uitdaging. Het vereist intensieve samenwerking tussen pathologen en oncologen in de noordelijke regio en het onderhouden van een (inter)nationaal netwerk met andere hooggekwalificeerde ‘next generation pathologie’-laboratoria, om een hoge kwaliteit van deze nieuwe diagnostiek te kunnen waarborgen.

Promotie dhr. K.J.J. van Hateren: Diabetes care in old age

Wanneer:wo 13-02-2013 om 14:30

Promotie: dhr. K.J.J. van Hateren, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Diabetes care in old age

Promotor(s): prof.dr. H.J.G. Bilo, prof.dr. K. van der Meer

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht: Weinig bekend over optimale diabeteszorg 75-plusser

Promotie dhr. R.P. Vermeulen: Quality management developments in cardiology

Wanneer:wo 13-02-2013 om 16:15

Promotie: dhr. R.P. Vermeulen, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Quality management developments in cardiology

Promotor(s): prof.dr. M.P. van den Berg

Faculteit: Medische Wetenschappen

Vernieuwing van de zorg voor hartpatiënten: kwaliteit in kaart gebracht

De opkomst van nieuwe beroepen in de gezondheidszorg, zoals physician assistants en nurse practitioners beïnvloedt de manier van zorgverlening. UMCG-promovendus Robbert Vermeulen onderzocht de invloed van enkele van deze veranderingen op de zorg voor patiënten met een hartaandoening. Hij bestudeerde onder meer hoeveel tijd er verstrijkt tussen diagnose en behandeling en de manier waarop risico’s in kaart worden gebracht, bijvoorbeeld het gebruik van lactaatwaarden als middel voor risicostratificatie.

Vermeulen stelt vast dat het (bedrijfskundig) model van Minkman kan helpen om zorgketens verder te professionaliseren. Ook stelt hij vast dat de ketensamenwerking voor patiënten met een hartinfarct in de provincie Groningen goed loopt, als wordt gekeken naar het percentage patiënten dat binnen de geldende richtlijnen tijdig behandeld wordt met een dotterprocedure. Een andere conclusie is dat wachtlijstbeheer voor patiënten voor elektrocardioversie veilig is als die wordt uitgevoerd door nurse practitioners en resulteert in minder onnodige opnames in vergelijking met wachtlijstbeheer door artsen. Deze en andere bevindingen vergroten het inzicht in de kwaliteit van zorg en kunnen zorgverleners helpen de zorg voor patiënten met een hartaandoening verder te verbeteren.

Robbert Vermeulen (Den Helder, 1972) is HBO-V opgeleid te Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek aan de afdeling Cardiologie (Thoraxcentrum) van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en binnen onderzoeksschool GUIDE. Vermeulen blijft ook na zijn promotie werkzaam als physician assistant in het UMCG op de afdeling short stay cardiologie.

Promotie: dhr. K.V. Haak, Computational neuroimaging of visual field loss

Wanneer:ma 25-02-2013 om 12:45

Promotie: dhr. K.V. Haak, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Computational neuroimaging of visual field loss

Promotor(s): prof.dr. J.M.M. Hooymans

Faculteit: Medische Wetenschappen

Visuele hersengebieden reorganiseren niet bij blindheid door oogziekten

Oogziekten zoals maculadegeneratie treden veel op bij ouderen. Ze beschadigen het netvlies van het oog, veelal met blindheid als gevolg. Vaak wordt aangenomen dat de visuele hersengebieden zich reorganiseren wanneer ze (door blindheid) niet meer gestimuleerd worden.

Onderzoek van UMCG-promovendus Koen Haak laat zien dat de organisatie van visuele hersengebieden stabieler is dan wordt aangenomen. De effecten die eerder voor reorganisatie werden aangezien, blijken ook bij gezonde mensen voor te komen. Dat is goed nieuws voor mensen met een netvliesbeschadiging. Als het in de toekomst mogelijk wordt om het netvlies te herstellen - en het onderzoek op dit terrein is veelbelovend - dan hoeft de patiënt niet meer opnieuw te “leren” zien. De hersenen kunnen de informatie die via de ogen binnenkomt nog gewoon verwerken.

Binnen zijn promotieonderzoek ontwikkelde Haak ook een nieuwe functionele MRI-analysemethode. Deze maakt het mogelijk de verbindingen tussen verschillende hersengebieden uiterst nauwkeurig in beeld te brengen. Dit is niet alleen een stimulans voor het onderzoek naar de gevolgen van blindheid voor onze hersenen, maar kan ook nieuwe inzichten in andere hersenprocessen opleveren.

Koen Haak (Groningen, 1982) studeerde Kunstmatige Intelligentie te Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek aan het Laboratorium voor Experimentele Oogheelkunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en binnen onderzoeksschool BCN. Samenwerking vond plaats met de universiteiten van York (Groot-Brittannië) en Stanford (VS). Het onderzoek werd medegefinancierd door de Europese Commissie, de Stichting Nederlands Oogheelkundig Onderzoek (SNOO) en de Vereniging voor Biofysica & Biomedische Technologie. Haak werkt inmiddels als onderzoeker aan de University of Minnesota, Twin Cities in de Verenigde Staten.

Promotie dhr. V. Farshchi Andisi: Cations and oxidative stress response in Streptococcus pneumoniae

Wanneer:wo 27-02-2013 om 12:45

Promotie: dhr. V. Farshchi Andisi, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Cations and oxidative stress response in Streptococcus pneumoniae

Promotor(s): prof.dr. J.M. van Dijl

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nader inzicht in verdedigingsstrategie S. pneumoniae

Streptococcus pneumoniae is een bacterie die voorkomt in de menselijke neus-keelholte en ernstige ziekten kan veroorzaken, zoals longontsteking, oorontsteking, hersenvliesontsteking en bloedvergiftiging. Vooral kleine kinderen en ouderen lopen risico. In het menselijk lichaam wordt de bacterie blootgesteld aan diverse zuurstofradicalen, die de bacterie kunnen doden of beschadigen. UMCG-promovendus Vahid Farshchi Andisi onderzocht hoe de bacterie zich tegen zuurstofradicalen ‘wapent’.

In zijn proefschrift beschrijft hij een nieuw eiwitcomplex dat de bacteriën beschermt tegen de schadelijke effecten van zuurstofradicalen, waarschijnlijk door geoxydeerde eiwitten te repareren. Wanneer dit complex wordt verwijderd uit de bacteriën, blijken ze minder goed in staat om in een diermodel ziekte te veroorzaken. Verder toont de promovendus - voor het eerst - aan dat de resistentie tegen oxidatieve stress essentieel is voor de eigenschap van de bacterie om op droge oppervlakten te overleven. Tolerantie voor uitdroging draagt waarschijnlijk bij aan de verspreiding van S. pneumoniae. Andisi identificeerde en beschreef twee specifieke systemen die bijdragen aan uitdrogingstolerantie.

Vahid Farshchi Andisi (Iran, 1981) studeerde diergeneeskunde te Tabriz. Hij verrichtte zijn onderzoek aan de afdeling Medische Microbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG).

Promotie dhr. W.K.H. Kuchenbecker: Obesity and female infertility

Wanneer:wo 27-02-2013 om 14:30

Promotie: dhr. W.K.H. Kuchenbecker, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Obesity and female infertility

Promotor(s): prof.dr. J.A. Land, prof.dr. B.H.R. Wolffenbuttel

Faculteit: Medische Wetenschappen

Vruchtbaarheidsbehandeling onverstandig bij vrouwen met ernstig overgewicht

Vrouwen met overgewicht (obesitas) hebben veel meer moeite om zwanger te worden dan vrouwen met een normaal gewicht. Ook treden door obesitas tijdens de zwangerschap vaker complicaties op. Onderzoek van UMCG-promovendus Walter Kuchenbecker laat zien hoe belangrijk het voor deze vrouwen is om af te vallen als zij zwanger willen worden.

Veel vrouwen met obesitas en verminderde vruchtbaarheid hebben grote moeite om af te vallen en houden zich slecht aan gestructureerde leefstijlprogramma’s (gezond eten, regelmatig bewegen), zo stelt Kuchenbecker vast. Zij hebben moeite om gewicht te verliezen en staken vaak hun pogingen om hun leefstijl te verbeteren. Omdat bij vrouwen met ernstig overgewicht veel meer zwangerschapscomplicaties optreden, zouden zij geen vruchtbaarheidsbehandeling aangeboden moeten krijgen, aldus de promovendus. Fertiliteitklinieken zouden deze vrouwen intensieve begeleiding moeten aanbieden om alsnog af te vallen.

Toename van buikvet en vooral het vet om de darmen (intra-abdominaal vet) spelen een belangrijke rol in de vrouwelijke vruchtbaarheid. In vrouwen die niet ovuleren en het polycysteus ovarium syndroom hebben, leidt afname van intra-abdominaal vet tot herstel van de ovulatie, zo stelt Kuchenbecker verder vast. Ook concludeert hij dat het meten van intra-abdominaal vet met behulp van echografie een betrouwbare, goedkope en op veel plaatsen beschikbare manier is om de effecten van intra-abdominaal vet op de voortplanting bij vrouwen te bestuderen.

Walter Kuchenbecker (Zuid-Afrika, 1962) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van Pretoria. Hij verrichtte zijn onderzoek aan de afdeling Obstetrie en Gynaecologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Kuchenbecker werkt als gynaecoloog in de Isala klinieken te Zwolle.

Promotie mw. A. Meijer: The forest through the trees. Investigating depression in patients with cancer and patients with myocardial infarction using systematic reviews and meta-analytic techniques

Wanneer:wo 27-02-2013 om 16:15

Promotie: mw. A. Meijer, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The forest through the trees. Investigating depression in patients with cancer and patients with myocardial infarction using systematic reviews and meta-analytic techniques

Promotor(s): prof.dr. P. de Jonge

Faculteit: Medische Wetenschappen

Verhoogd risico op nieuw infarct of overlijden bij depressie na hartinfarct

Depressie komt vaker voor bij mensen met een lichamelijke aandoening dan onder de algemene bevolking. Onder andere kankerpatiënten en mensen die hartinfarct hebben gehad, lopen een groter risico op depressie. Patiënten met een depressie hebben een slechtere prognose dan patiënten zonder depressie. Wereldwijd wordt veel onderzoek gedaan naar dit verschijnsel.

UMCG-promovenda Anna Meijer voerde systematisch literatuuronderzoek en meta-analyses uit van bestaand onderzoek op dit terrein. Ze concludeert dat patiënten met een depressie na een hartaanval een twee tot drie maal zo groot risico hebben op een nieuw infarct of overlijden dan mensen zonder depressie. Een deel van dit verband wordt verklaard doordat depressieve patiënten vaak ook ernstiger ziek zijn. Er is meer onderzoek nodig om te bepalen waarom depressie in patiënten met een hartaanval zo slecht is, en of een verbeterde behandeling van depressie ook tot een betere hartprognose leidt.

Daarnaast concludeert Meijer dat er bij kankerpatiënten onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing is om een standaard screening op depressie in te voeren. Kankerpatiënten hebben er mogelijk meer aan dat de behandeling van depressie verbeterd wordt dan aan screening op zich, zo stelt Meijer.

Anna Meijer (Zuidlaren, 1977) studeerde Engelse Taal- en Letterkunde en Psychologie in Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek aan de afdeling Psychiatrische Epidemiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd medegefinancierd door ZonMw. Ze blijft ook na haar promotie als onderzoeker werkzaam in het UMCG.

Mw. D.E. Vader-van Imhoff: The management of hyperbilirubinemia in preterm infants

Wanneer:ma 04-03-2013 om 16:15

Promotie: mw. D.E. Vader-van Imhoff, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The management of hyperbilirubinemia in preterm infants

Promotor(s): prof.dr. A.F. Bos

Faculteit: Medische Wetenschappen

Landelijke richtlijn voor te vroeg geboren baby’s die geelzien

Alle intensive care units in Nederland waar te vroeg geboren baby’s worden behandeld, gebruiken vanaf nu dezelfde richtlijn en behandelgrenzen voor de behandeling van geelzien. Hiermee is gevolg gegeven aan een van de aanbevelingen uit het promotieonderzoek van Deirdre Vader-Van Imhoff. Het stellen van de diagnose en de behandeling van te vroeg geboren baby’s die geelzien is daarmee verbeterd.

De afbraakstof bilirubine – de stof die het geelzien veroorzaakt – komt bij alle baby’s vrij na de geboorte. Kinderen met teveel bilirubine gaan geel zien. Hoge waarden van vrij bilirubine in het bloed kunnen schade veroorzaken in de hersenen en tot blijvende ontwikkelingsstoornissen leiden. Bilirubine dat zich hecht aan het eiwit albumine is niet schadelijk, maar ongebonden bilirubine wel. Baby’s die geelzien worden behandeld met lichttherapie. Soms is een wisseltransfusie van het bloed nodig.

Vader-Van Imhoff stelde vast dat het niet zinvol is om het meten van de verhouding tussen bilirubine en albumine in het bloed op te nemen in de richtlijn. Ook vond zij dat minder bloedafnames nodig zijn omdat de hoeveelheid bilirubine via de huid gemeten kan worden. Door onder een luier, op de huid van de baby te meten, kan de methode ook worden gebruikt als baby’s lichttherapie krijgen.

Verder vond Vader-Van Imhoff dat artsen en verpleegkundigen op intensive care units de fototherapielamp vaak te ver van de baby afzetten waardoor behandeling van een te hoog bilirubine niet effectief was. Tot slot heeft het onderzoek opgeleverd dat de apparatuur om de hoeveelheid bilirubine in het bloed te meten geijkt is voor baby’s. De verschillende maatregelen hebben geleid tot een meer uniforme behandeling van te vroeg geboren baby’s die geelzien.

Deirdre Vader-Van Imhoff (Groningen, 1981) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij voerde haar onderzoek uit bij de afdeling Neonatologie van het Beatrix Kinderziekenhuis van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd gefinancierd door ZonMw. Vader-Van Imhoff is inmiddels in Groningen in opleiding tot huisarts.

Zie ook het persbericht ZonMw Parel voor onderzoek naar geelzien bij te vroeg geboren baby’s over een prijs voor dit onderzoek voor Vader-van Imhoffs begeleider Peter Dijk, kinderarts-neonatoloog in het UMCG.

Oratie dhr. prof. N.M. Jansonius: Oog voor de blinde vlek

Wanneer:di 05-03-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof. N.M. Jansonius, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Oog voor de blinde vlek

Leeropdracht: Oogheelkunde, i.h.b. op het gebied van glaucoom

Faculteit: Medische Wetenschappen

Prof.dr. Nomdo Jansonius gaat in zijn oratie in op de behandeling van de chronische oogziekte glaucoom. De laatste jaren is het inzicht ontstaan dat - uitzonderingen daargelaten - een intensieve behandeling de beste uitkomsten biedt in termen van kwaliteit van leven, en dat zo’n behandeling ook het meest doelmatig is. De behandeling bestaat uit oogdrukverlaging, met behulp van medicijnen of door middel van een operatie. Het tijdig bijstellen van de behandeling vereist een zorgvuldige monitoring van het proces om progressie tijdig te kunnen opsporen. Met de huidige technieken is dat mogelijk, maar ook tijdrovend en intensief. Daarmee is glaucoomzorg - gezien het grote aantal patiënten - een logistieke uitdaging.

Glaucoom is een chronische oogziekte die op alle leeftijden voorkomt maar het meest bij ouderen. Boven de 45 jaar heeft ongeveer twee procent van de bevolking deze aandoening. Bij glaucoom sterft de oogzenuw geleidelijk af, met onomkeerbaar verlies van het gezichtsvermogen tot gevolg. De oorzaak is goeddeels onbekend, maar een verhoogde oogdruk speelt een belangrijke rol. Indien onbehandeld leidt de ziekte in principe tot blindheid.

Het glaucoomonderzoek in Groningen richt zich vooral op het verbeteren van de diagnostiek en daarmee op het verbeteren van de logistiek rond de zorg voor glaucoompatiënten. Daarbij wordt samengewerkt met onder andere het Erasmus Medisch Centrum, het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen in Amsterdam, het Maastricht Universitair Medisch Centrum en de universiteiten van Tübingen, Oulu en Iowa.

Mw. E. van den Berg: Nutrition and cardiovascular health in renal transplant recipients

Wanneer:wo 06-03-2013 om 16:15

Promotie: mw. E. van den Berg, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Nutrition and cardiovascular health in renal transplant recipients

Promotor(s): prof.dr. G.J. Navis, prof.dr. R.O.B. Gans

Faculteit: Medische Wetenschappen

Veel gezondheidswinst te behalen met gezonde voeding na niertransplantatie

Else van den Berg onderzocht de rol van voeding bij hart- en vaatziekten waar veel mensen na een niertransplantatie last van krijgen of houden. Niertransplantatiepatiënten blijken minder zout te gebruiken dan gezonde mensen in een controlegroep, maar nog steeds meer dan in de richtlijn voor de algemene bevolking wordt geadviseerd. Als mensen zich na een niertransplantatie zouden houden aan de aanbevolen hoeveelheid zout, zouden zij een lagere bloeddruk hebben. Hun risico op hart- en vaatziekten zou daarmee kunnen worden beperkt, concludeert Van den Berg.

De rol van voedingscomponenten als eiwitten, calcium en vitamine K werden ook door Van den Berg onderzocht. Omdat deze voedingsmiddelen op complexe wijze bijdragen aan gezondheid en het ontstaan van hart- en vaatziekten, kan zij nog geen eenduidige aanbevelingen doen voor niertransplantatiepatiënten. Wel worden de patiënten die aan dit onderzoek deelnemen ook de komende jaren nog vervolgd. Verder is het onderzoek van Van den Berg de basis voor het starten van het programma Lifestyle Medicine in het UMCG. In dit programma worden patiënten kort na de transplantatie begeleid in het omschakelen naar gezonde voedingsgewoontes. Van den Berg verwacht dat dit zal bijdragen aan een langere overleving van patiënten na een niertransplantatie.

Else van den Berg (Smallingerland, 1981) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij voerde haar onderzoek uit op de afdeling Nefrologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen in samenwerking met Top Instituut Food and Nutrition in Wageningen. De laatste financierde ook het onderzoek. Inmiddels is Van den Berg in opleiding tot internist in de Isala Klinieken in Zwolle.

Oratie dhr. prof.dr. D.J. Reijngoud: Metabolisme - de kern

Wanneer:di 12-03-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. D.J. Reijngoud, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Metabolisme: de kern

Leeropdracht: Laboratoriumgeneeskunde, i.h.b. de erfelijke variëteit van het metabolisme

Faculteit: Medische Wetenschappen

De oratie van prof.dr. Dirk-Jan Reijngoud gaat over onze stofwisseling. Wij eten dagelijks, veel en soms zelfs teveel. Die vloedgolf aan voedingsstoffen moet zo snel en efficiënt mogelijk omgezet worden in energie en lichaamseigen stoffen, die bedoeld zijn voor onderhoud en voorraadvorming. Tussen de maaltijden door is er immers geen nieuw aanbod en moet het lichaam toch onderhouden worden. Dat vraagt een zeer grote flexibiliteit. Reijngoud gaat in op de vraag: hoe zorgt het metabolisme voor die vereiste flexibiliteit?

Het metabolisme blijkt te zijn georganiseerd langs metabole reactiepaden, series van omzettingen gekatalyseerd door de bijbehorende enzymen. Deze reactiepaden kruisen elkaar op vele punten. In dit opzicht lijkt het stofwisselingssysteem op een wegenkaart. Tijdens het doorlopen van reactiepaden worden allerlei tussenproducten gevormd. De essentie is dat deze tussenproducten gebruikt worden als signalen over de toestand van het metabolisme; het metabolisme reguleert zichzelf!

Het metabolisme doet dat door gebruik te maken van eiwitten die gevoelig zijn voor de hoeveelheid van de vele tussenproducten. Deze eiwitten kunnen bijvoorbeeld een metabool reactiepad stimuleren zodat de doorstroming wordt verhoogd. Dat is te vergelijken met filemeldingen en het gebruik van vluchtstroken als extra rijbaan om zo het verkeer beter te laten doorstromen. Die maatregel is echter niet altijd voldoende en dat geldt ook voor het metabolisme. In dat geval wordt de celkern aan het werk gezet, zodat er uiteindelijk meer enzymen gemaakt worden.

In de celkern is de genetische code voor deze enzymen opgeslagen. Deze code is erfelijk, want hij wordt doorgegeven van ouders op hun kinderen. Dat is vergelijkbaar met wet- en regelgeving, die ook generaties lang wordt ‘doorgegeven’. Bijna altijd is de genetische code correct en worden er goede eiwitten afgegeven. Maar soms is de code verhaspeld en komt er een ‘gammel’ enzym uit dat slechts matig werkt. In het ergste geval is de code onleesbaar en komt er helemaal geen enzym uit. Dat is wat de erfelijke variëteit van het metabolisme wordt genoemd.

De onderzoeksgroep van Reijngoud zal deze erfelijke variëteit onderzoeken aan de hand van twee strategieën. Allereerst wordt onderzocht welke associaties er zijn tussen veranderingen in de hoeveelheid van zoveel mogelijk tussenproducten (‘metabolomics’) en veranderingen in de genetische code (‘genomics’). Wanneer er associaties gevonden worden, zal in gerichte (dier)experimenten worden bestudeerd of deze associaties toevallig zijn of dat er een oorzaak-gevolgrelatie is. Ook metabole ziekten die zich openbaren op de kinderleeftijd en de rol van metabolisme in kanker zal nader worden onderzocht. Het onderzoek wordt gedaan in nauwe samenwerking met verschillende afdelingen van de Rijksuniversiteit Groningen en het UMCG, te weten: analytische biochemie, medische genetica, oncologie en het Beatrix Kinderziekenhuis.

Promotie dhr. M. Shafique: Development of a mucosal vaccine against Respiratory Syncytial Virus infection

Wanneer:wo 13-03-2013 om 11:00

Promotie: dhr. M. Shafique, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Development of a mucosal vaccine against Respiratory Syncytial Virus infection

Promotor(s): prof.dr. J.C. Wilschut

Faculteit: Medische Wetenschappen

Neusspray lijkt geschikt voor vaccin tegen verkoudheidsvirus

Het verkoudheidsvirus ‘Respiratoir Synctieel virus’ (RSV) kan ernstige luchtweginfecties veroorzaken. Vaccinatie van pasgeboren kinderen en ouderen met verminderde afweer zou de kans op infectie en complicaties kunnen verkleinen. UMCG-promovendus Muhammad Shafique stelde vast dat een neusspray geschikt is voor toediening van een nieuw type vaccin tegen RSV.

Het nieuwe vaccin bestaat uit virosomen, een virusmantel zonder het genetisch materiaal van het virus. Aan de virosomen zijn stoffen gezet die bedoeld zijn om een sterkere afweerreactie in het lichaam te krijgen. In proefdieronderzoek vond Shafique dat het vaccin met de versterkende stoffen leidde tot een afweerreactie in het bloed en in de luchtwegen. Na blootstelling aan levend RSV, bleken de proefdieren beschermd te zijn tegen infectie.

Shafique testte het vaccin in een neusspray bij jonge proefdieren en bij dieren met een verouderd afweersysteem. In beide situaties bleek de neusspray geschikt. Hij concludeert dat het nieuwe vaccin, toegediend met een neusspray, een veelbelovende benadering is voor vaccinatie tegen het verkoudheidsvirus.

Muhammad Shafique (Pakistan, 1974) studeerde Biotechnologie aan de Quaid-I-Azam University in Islamabad. Hij voerde zijn promotieonderzoek uit bij de afdeling Medische Microbiologie, Sectie Moleculaire Virologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in het kader van Onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek werd gefinancierd door de Higher Education Commission (HEC) van de Pakistaanse overheid, het Top Instituut Pharma en de J.K. de Cock Stichting.

Promotie Mw. A.H. Arnardóttir: Regulatory benefit - risk assessment. Different perspectives

Wanneer:wo 13-03-2013 om 12:45

Promotie: mw. A.H. Arnardóttir, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Regulatory benefit - risk assessment. Different perspectives

Promotor(s): prof.dr. F.M. Haaijer-Ruskamp, prof.dr. P.A. de Graeff

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kennis over bijwerkingen meegenomen bij beoordeling nieuw geneesmiddel in zelfde klasse

De beoordeling van nieuwe geneesmiddelen is erop gericht alleen veilige, effectieve en kwalitatief hoogwaardige geneesmiddelen toe te laten tot de markt. UMCG-promovendus Arna Arnardóttir onderzocht hoe registratieautoriteiten een passend evenwicht vinden tussen voordelen en risico’s. Zij stelde vast dat kennis over bijwerkingen van middelen die al op de markt zijn, wordt meegenomen bij de beoordeling van een nieuw geneesmiddel uit dezelfde klasse. Zij concludeert dat registratieautoriteiten gebruik maken van lerende processen.

Voordat geneesmiddelen op de markt komen is er relatief weinig kennis over hun effecten, vooral over de bijwerkingen. Dit komt omdat studies in kleine en geselecteerde groepen patiënten plaatsvinden. Bovendien zijn de studies gericht op het vaststellen van werkzaamheid. Arnardóttir vond dat echt vernieuwende geneesmiddelen, en geneesmiddelen die nog maar zeer beperkte bij patiënten zijn getest, niet vaker ernstige veiligheidsproblemen geven als ze op de markt zijn, dan ‘gewone’ geneesmiddelen.

Tot slot onderzocht Arnardóttir hoe toezichthouders, artsen en patiënten met type 2 diabetes vanuit het perspectief van patiënten afwegingen maken over voordelen en risico’s van geneesmiddelen tegen diabetes. Zij vond geen verschillen tussen de drie groepen.

Arna Arnardóttir (Reykjavik, 1979) studeerde farmacie aan de Universiteit van IJsland. Zij verrichte haar promotieonderzoek bij de afdeling Klinische Farmacologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en in het kader van Onderzoeksinstituut SHARE. Het onderzoek werd gefinancierd door Top Instituut Pharma.

Promotie mw. D.A. Abdulahad Al-Qas Alias: The role of nuclear protein High Mobility Group Box-1 (HMGB1) in the pathogenesis of Systemic Lupus Erythematosus (SLE)

Wanneer:wo 13-03-2013 om 14:30

Promotie: mw. D.A. Abdulahad Al-Qas Alias, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The role of nuclear protein High Mobility Group Box-1 (HMGB1) in the pathogenesis of Systemic Lupus Erythematosus (SLE)

Promotor(s): prof.dr. C.G.M. Kallenberg, prof.dr. P.C. Limburg

Faculteit: Medische Wetenschappen

Eiwit HMGB1 is merker voor ziekteactiviteit SLE

Systemische Lupus Erythematosus (SLE) is een auto-immuunziekte met ontstekingen in allerlei organen, waaronder de nieren. UMCG-promovendus Deena Abdulahad toonde aan dat het eiwit HMGB1 verhoogd aanwezig is in het bloed bij ziekteactiviteit in de nieren. Het aantonen van HMGB1 in de urine kan helpen om ontsteking in de nieren als gevolg van SLE te meten.

Abdulahad deed onderzoek naar de rol van het eiwit HMGB1 bij SLE. Dit eiwit komt vrij uit de kernen van cellen als deze afsterven. Patiënten met SLE zijn niet zo goed in staat om afgestorven cellen op te ruimen en de grotere hoeveelheid HMGB1 in het bloed kan ontstekingsreacties op gang brengen. Patiënten met SLE maken afweerstoffen aan tegen het eiwit, zo stelde Abdulahad vast. Zowel de hoeveelheid HMGB1 in het bloed, als de hoeveelheid antistoffen hiertegen, bleken samen te hangen met de mate van ziekteactiviteit.

Patiënten met SLE kunnen vaak niet goed tegen zonlicht. Abdulahad onderzocht daarom of de blootstelling van de huid aan zonlicht (UVB) kan leiden tot vrijkomen van HMGB1 uit huidcellen en huidontstekingen als gevolg daarvan. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Concluderend blijkt HMGB1 een belangrijk ontstekingsbevorderend eiwit bij SLE te zijn. Door de hoeveelheid in het bloed te meten kan de activiteit van het ziekteproces worden gevolgd. Mogelijk is HMGB1 een goede target voor het ontwikkelen van behandeling tegen SLE.

Deena Abdulahad (Engeland, 1983) studeerde farmacie aan de Universiteit van Jordanië. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij de afdeling Reumatologie & Klinische Immunologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en in het kader van de Onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd deels gefinancierd door de J.K. de Cock Stichting.

Mw. T.A. van de Water: Potential benefits of intensity-modulated proton therapy in head and neck cancer

Wanneer:wo 13-03-2013 om 16:15

Promotie: mw. T.A. van de Water, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Potential benefits of intensity-modulated proton therapy in head and neck cancer

Promotor(s): prof.dr. J.A. Langendijk, prof.dr. A.J. Lomax

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht: Protonentherapie spaart gezond weefsel

Oratie dhr. prof.dr. H.V. Hogerzeil: Whom do we choose to ignore? Choices in global health

Wanneer:di 19-03-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. H.V. Hogerzeil, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Whom do we choose to ignore? Choices in global health

Leeropdracht: Global Health, i.h.b. in de geneeskunde opleiding, vanwege Jan Cornelis de Cock-Stichting

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht 'Keuzes in Global Health: wie laten we buiten de boot vallen?'

Promotie mw. P.G. Serbanescu-Kele: Radiological assessment of the postoperative liver

Wanneer:wo 20-03-2013 om 14:30

Promotie: mw. P.G. Serbanescu-Kele, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Radiological assessment of the postoperative liver

Promotor(s): prof.dr. E.J. van der Jagt, prof.dr. R.J. Porte

Faculteit: Medische Wetenschappen

Factoren voor aangroei lever na gedeeltelijke verwijdering beter in beeld

Verschillende soorten kanker leiden vaak tot uitzaaiingen in de lever. Vooral bij dikkedarmkanker is dat het geval. Bij slechts een deel van de patiënten is een operatie mogelijk waarbij het zieke deel van de lever wordt verwijderd. Juist bij deze groep is weinig bekend over factoren die van invloed zijn op de unieke mogelijkheid van de lever om weer uit groeien. UMCG-promovendus Petra Serbanescu-Kele bestudeerde dit proces.

Gezond leverweefsel is een voorwaarde voor optimale uitgroei (regeneratie) na gedeeltelijke verwijdering. Bij kankerpatiënten is de situatie echter niet optimaal. Serbanescu-Kele vond dat de hoeveel lever die weer aangroeit sterk afhangt van de hoeveel leverweefsel dat wordt weggehaald. Ook stelde zij vast dat leververvetting – steatose – het regeneratievermogen van de lever uitgesproken negatief beïnvloedt. Steatose komt vooral voor bij mensen met overgewicht (obesitas). Deze groep heeft een grotere kans op leverfalen als operatief een deel wordt weggehaald.

Bloedplaatjes spelen een rol bij leverregeneratie. Als eerste heeft Serbanescu-Kele bij mensen aangetoond dat patiënten met veel leverregeneratie na de operatie een sterkere daling van het aantal bloedplaatjes hebben dan patiënten met weinig leverregeneratie. De bloedplaatjes leveren groeifactoren af aan levercellen, maar hun precieze rol is nog niet duidelijk.

Tenslotte heeft Serbanescu-Kele onderzoek gedaan naar de wijze waarop levertumoren aan te pakken zijn als ze niet operatief verwijderd kunnen worden. Plaatselijke verhitting (thermoablatie) is een veel toegepaste methode, waarvoor de promovendus in kaart heeft gebracht op welke manier scans gemaakt kunnen worden om te bepalen hoeveel weefsel verwijderd moet worden.

Petra Serbanescu-Kele (Roemenië, 1982) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zij voerde haar onderzoek uit bij de afdeling Radiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in samenwerking met de afdeling Hepatobiliaire chirurgie. Na haar promotie begint Serbanescu met de opleiding tot psychiater bij de GGZ Drenthe.

Promotie mw. F.H. Jorna: Diagnostic tools and risk identification in management of hyperparathyroidism

Wanneer:wo 20-03-2013 om 16:15

Promotie: mw. F.H. Jorna, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Diagnostic tools and risk identification in management of hyperparathyroidism

Promotor(s): prof.dr. J.T.M Plukker, prof.dr. C.A. Stegeman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Doelmatigheid beeldvormende technieken bij operaties aan bijschildklieren

Overactieve bijschildklieren produceren teveel parathyreoïd hormoon (PTH). Voor of tijdens een operatie is het belangrijk om vast te stellen of een of meer bijschildklieren te hard werken. UMCG-promovendus Ciska Jorna onderzocht de meerwaarde van verschillende technieken om de bijschildklieren af te beelden om de operatie te verbeteren.

De meeste mensen hebben vier bijschildklieren die in de hals achter de schildklier liggen. Soms zijn het er meer, of liggen de klieren meer verspreid. Tijdens een operatie kan het lastig zijn ze te vinden of herkennen. In verreweg de meeste gevallen is een te hard werkende bijschildklier een goedaardige aandoening met verschillende oorzaken, waaronder een langdurig verstoorde nierfunctie zoals bij nierdialyse.

Jorna deed onderzoek naar het gebruik van scintigrafie, een techniek om bijschildklieren af te beelden na het inspuiten van een radioactieve stof die zich in de bijschildklier ophoopt. Dit bleek goed bleek te werken bij de ene vorm van te snel werkende bijschildklieren, maar niet bij een andere. Dezelfde techniek kan tijdens de operatie worden gebruikt waarbij straling vanuit de bijschildklier met een klein instrument wordt gemeten. Deze methode bleek niet veel nut te hebben tijdens de operatie bij het vinden van de bijschildklieren in het geval van verstoorde nierfunctie, maar wel in de bevestiging dat het weggehaalde weefsel een overactieve bijschildklier is. Het meten van het hormoon PTH om vast te stellen of alle te hard werkende bijschildklieren zijn verwijderd, bleek bij patiënten met een verstoorde nierfunctie niet doelmatig.

Tenslotte bracht Jorna risicofactoren voor twee specifieke vormen van overactieve bijschildklieren in kaart, namelijk die waarbij verstoorde nierfunctie een rol speelt en bijschildklierkanker. Kennis over deze factoren kan bijdragen aan betere diagnostiek.

Ciska Jorna (Leeuwarden, 1976) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij voerde haar onderzoek uit bij de afdeling Heelkunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het werd gefinancierd uit een doelmatigheidsproject waaraan subsidie was toegekend door de Verenging van Academische Ziekenhuizen/College voor Zorgverzekeringen. Jorna is opgeleid tot chirurg.

Promotie dhr. M.T. Khan: Novel physiological and metabolic insights into the beneficial gut microbe Faecalibacterium prausnitzii. From carbohydrates to current

Wanneer:ma 25-03-2013 om 12:45

Promotie: dhr. M.T. Khan, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Novel physiological and metabolic insights into the beneficial gut microbe Faecalibacterium prausnitziii. From carbohydrates to current

Promotor(s): prof.dr. J.M. van Dijl

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zuurstofgevoelige darmbacterie toch in te zetten bij chronisch ontstoken darm

UMCG-onderzoeker Tanweer Khan ontwikkelde een formule waarmee de nuttige darmbacterie Faecalibacterium prausnitziii tenminste 24 uur in leven kan blijven buiten het lichaam. Daardoor is deze bacterie wellicht in de nabije toekomst in te zetten als probioticum voor patiënten met een chronisch ontstoken darm. Normaal gesproken sterft de bacterie binnen twee minuten na blootstelling aan lucht.

De miljarden micro-organismen in onze darmen vervullen een sleutelrol voor de gezondheid. Veranderingen in de darmflora hangen samen met ziektes, waaronder chronische darmontstekingen. Een van de goede micro-organismen die verdwijnen in een chronisch ontstoken darm is Faecalibacterium prausnitziii, een uiterst zuurstofgevoelige bacterie met belangrijke ontstekingsremmende eigenschappen. Mogelijk kan F. prausnitziii worden gebruikt als probioticum voor behandeling van patiënten met chronisch ontstoken darmen. Probleem is echter dat de bacterie normaal gesproken binnen twee minuten na blootstelling aan lucht sterft.

Khan analyseerde eigenschappen van F. prausnitziii. Hij ontdekte dat ze in matig zuurstofbevattende omstandigheden, zoals het darmslijmvlies, goed kunnen groeien door zuurstof te consumeren en zich in een beschermende slijmlaag in te kapselen. Hiervoor gebruikt F. prausnitziii flavines en geoxideerde zwavelverbindingen die in ruime mate in de darm voorkomen. Met deze kennis ontwikkelde Khan een formulering waarmee F. prausnitziii tenminste 24 uur in lucht kan overleven.

Tanweer Khan (Pakistan, 1979) studeerde Microbiologie aan de Universiteit van Karachi. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Medische Microbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), binnen de onderzoeksrichting Gut Microbial Ecology. Khan vervolgt zijn onderzoek aan de Universiteit van Gothenburg in Zweden.

Promotie mw. G. Ghobadi: Pathophysiology of thoracic irradiation

Wanneer:ma 25-03-2013 om 14:30

Promotie: mw. G. Ghobadi, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Pathophysiology of thoracic irradiation

Promotor(s): prof.dr. R.P. Coppes, prof.dr. J.A. Langendijk

Faculteit: Medische Wetenschappen

Oorzaken bestralingsschade normaal weefsel in borstkasgebied onderzocht

Bestraling van kanker in de borstkas (thorax) kan leiden tot levensbedreigende ademhalingsproblemen. UMCG-onderzoekster Ghazaleh Ghobadi stelt vast dat de schade veroorzaakt wordt door veranderingen in het hele systeem waarin de longen en het hart met elkaar verbonden zijn.

Ghobadi vond dat bestraling van kanker in de borstkas een verhoogde bloeddruk in de longen kan veroorzaken. Deze aandoening bleek sterk samen te hangen met de ademhalingsproblemen die zich kunnen voordoen na bestraling. Een mogelijke oorzaak is schade aan de bloedvaten waardoor vocht in de longen komt (oedeem) en de werking van het hart zich moet aanpassen. Ghobadi concludeert dat schade aan de longen en het hart sterk met elkaar verbonden zijn doordat zij deel uitmaken van hetzelfde systeem.

Verder deed Ghobadi onderzoek naar criteria voor de beoordeling van ademhalingsproblemen na bestraling. Zij stelt voor om over te stappen op objectieve en meetbare parameters, die verkregen kunnen worden met een CT-scan van de longen. Zij ontwikkelde een nauwkeurige methode om longschade als gevolg van bestraling vast te stellen. De bevindingen kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van beter op de patiënt toegesneden en efficiëntere bestraling van kanker in de borstkas.

Ghuzaleh Ghobadi (Iran, 1981) studeerde Natuurkunde aan de Tehran University en deed daar een Maters in Medische Fysica. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij de afdelingen Radiotherapie en Celbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd gefinancierd door KWF Kankerbestrijding en NWO. Ghobadi gaat als postdoc onderzoeker werken bij het Nederlands Kanker Instituut.

Oratie mw. prof.dr. O.C.M. Sibon: Er komt een vlieg bij de doctor

Wanneer:di 26-03-2013 om 16:15

Oratie: mw. prof.dr. O.C.M. Sibon, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Er komt een vlieg bij de doctor

Leeropdracht: Celbiologie

Faculteit: Medische Wetenschappen

Tijdens haar oratie zal prof.dr. Ody C.M. Sibon uitleggen waarom vooral de fruitvlieg (Drosophila melanogaster) geschikt is om zeldzame Parkinson-achtige aandoeningen te begrijpen en hoe fruitvliegonderzoek aan de basis kan staan voor therapie-ontwikkeling van tot nog toe onbehandelbare ziekten. Het DNA van de fruitvlieg lijkt verbazend veel op dat van de mens en veel principes in de vlieg zijn geconserveerd gebleven tijdens de evolutie. Sibon is hoogleraar Celbiologie, in het bijzonder van processen die ten grondslag liggen aan neurodegeneratie.

Heel veel kennis die noodzakelijk is voor een goede behandeling van patiënten is het resultaat van door nieuwsgierigheid gedreven puur fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. In de toekomst zal er nog veel fundamenteel onderzoek nodig zijn om uiteindelijk grote maatschappelijke problemen adequaat te kunnen oplossen. Modelorganismen zoals de Drosophila melanogaster zijn daarbij van grote waarde.

Zie ook Kennis in Zicht, april 2013

Promotie mw. J.S. Kovaleva: Microbiological safety in endoscope reprocessing

Wanneer:wo 27-03-2013 om 14:30

Promotie: mw. J.S. Kovaleva, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Microbiological safety in endoscope reprocessing

Promotor(s): prof.dr. J.E. Degener, prof.dr. H.C. van der Mei

Faculteit: Medische Wetenschappen

Beter protocol voor ontsmetting van endoscopen

Als een endoscoop niet goed schoongemaakt wordt bestaat de kans dat infecties van patiënt op patiënt worden overgedragen. UMCG-onderzoeker Julia Kovaleva bestudeerde welke bacterie de bron was voor een infectie onder verschillende patiënten en hoe flexibele endoscopen beter gedesinfecteerd kunnen worden. Een goede droogprocedure na de desinfectiefase blijkt hierbij van belang te zijn.

Kovaleva gaat in op infecties en kruisbesmettingen die verband houden met endoscopische procedures. Besmetting en infectie kunnen samenhangen met het niet effectief kunnen verwijderen van bacteriën in de biofilm in de endoscoop. Kovaleva ontwikkelde een in vitro model om de effecten van desinfectie met perazijnzuur en drogen met verwarmde lucht te testen op biofilmvorming door micro-organismen die ze isoleerde uit besmette endoscopen. De hoge effectiviteit en het belang van een droogprocedure na een desinfectiefase van flexibele endoscopen tegen verschillende micro-organismen in biofilms werd in deze studie aangetoond.

Biofilmvorming in een endoscoop kan leiden tot het falen van de desinfectie en besmetting en infecties bij patiënten die worden behandeld met flexibele endoscopen met een biofilm. Microbiologische monitoring van het hergebruik van flexibele endoscopen is geschikt om besmettingen op te sporen en infecties te voorkomen of te beperken bij patiënten na endoscopische procedures.

Julia Kovaleva (Rusland, 1978) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van Gent. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij de afdelingen Medische Microbiologie en Biomedische Engineering van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in het kader van de microbiologische veiligheid rond endoscopische procedures. Kovaleva is werkzaam als arts-microbioloog in opleiding op de afdeling Medische Microbiologie.

Promotie dhr. M.L. Schrijvers: New prognostic markers to predict clinical outcome in patients with laryngeal cancer

Wanneer:wo 03-04-2013 om 14:30

Promotie: dhr. M.L. Schrijvers, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: New prognostic markers to predict clinical outcome in patients with laryngeal cancer

Promotor(s): prof.dr. B.F.A.M. van der Laan, prof.dr. E. Schuuring

Faculteit: Medische Wetenschappen

Eiwitmarkers voorspellen terugkeer stembandkanker na bestraling

Om de behandeling van kanker aan de stembanden voor individuele patiënten te verbeteren is het gewenst te kunnen voorspellen of de tumor reageert op een bepaald soort behandeling. UMCG-promovendus Michiel Schrijvers vond dat bepaalde eiwitmarkers verband houden met betere lokale controle na bestraling, en andere met het optreden van uitzaaiingen in lymfeklieren.

Hoofd- hals kanker is de vijfde meest voorkomende vorm van kanker in de wereld. Jaarlijks worden 600.000 nieuwe patiënten gediagnosticeerd en sterven er 350.000 patiënten aan deze vorm van kanker. Twintig procent van alle hoofd-halstumoren zijn gelokaliseerd in het strottenhoofd (larynx), waarvan ongeveer 66% op de stembanden.

De meeste kleine tumoren op de stembanden worden bestraald. Voor de meer uitgebreide tumoren is een operatie en/of chemotherapie en radiotherapie eerste keus behandeling. Tot nu toe hangt de keuze voor behandeling af van factoren zoals tumorlokalisatie en grootte. Voor een betere inschatting van het effect onderzocht Schrijvers celbiologische tumormarkers als voorspellers van het effect van radiotherapie.

In een groep patiënten met stembandkanker vond Schrijvers na bestraling dat hoge expressie van pFADD, en een lage expressie van HIF1a en CA-IX significant geassocieerd waren met een betere lokale controle. Hoge EGFR expressie was geassocieerd met uitzaaiingen in de lymfeklier. Deze resultaten kunnen helpen om patiënten te selecteren die mogelijk baat hebben bij het toevoegen van chemotherapie of andere behandeling aan de huidige standaard van radiotherapie.

Michiel Schrijvers (Groningen, 1978) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij voerde zijn onderzoek uit bij de Afdelingen KNO en Pathologie, in het kader van Onderzoeksinstituut GUIDE van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Schrijvers rondt per 1 mei 2013 zijn opleiding tot KNO-arts af.

Promotie mw. L.V. Fortington: Enabling the elderly person with lower limb amputation through surgery, rehabilitation and long term care

Wanneer:ma 08-04-2013 om 12:45

Promotie: mw. L.V. Fortington, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Enabling the elderly person with lower limb amputation through surgery, rehabilitation and long term care

Promotor(s): prof.dr. J.H.B. Geertzen, prof.dr. P.U. Dijkstra

Faculteit: Medische Wetenschappen

Hoe kan revalidatie na beenamputatie mensen helpen om weer te leven?

In Nederland is 80% van de mensen die een beenamputatie ondergaat ouder dan 65 jaar. UMCG-onderzoeker Lauren Fortington onderzocht hoe en in welke mate het oudere mensen na een beenamputatie mogelijk wordt gemaakt om te leven. Zij stelt dat revalidatie na de beenamputatie verder moet gaan dan alleen het been.

Chronisch vaatlijden of type 2 diabetes kunnen leiden tot onomkeerbare afsluiting van bloedvaten of levensbedreigende infecties. Dit zijn de belangrijkste redenen voor beenamputaties bij ouderen. Ondanks betere preventie en medische behandeling, is amputatie in sommige gevallen de beste optie om een halt te roepen aan langdurige pijn, ziekenhuisopnames en infectie/afsluiting van de bloedvaten en daarmee leven weer mogelijk te maken.

Alleen een oudere leeftijd is geen belemmering om na een beenamputatie weer mobiel te worden, stelt Fortington. Het “mogelijk maken om te leven” houdt in dat revalidatieteams in verpleeghuizen ook moeten kijken naar psychische en sociale factoren. Vóór de amputatie zijn zowel het medisch onderzoek en beslissingen sterk gericht op de operatie. Input van het revalidatieteam in deze fase kan helpen om andere behandelmogelijkheden af te wegen en na te denken over het meest wenselijke moment waarop de amputatie plaatsvindt. Revalidatieteams met inbreng van verschillende disciplines zouden overwogen moeten worden, aldus Fortington.

Lauren Fortington (Australië, 1980) studeerde 'Prosthetics & Orthotics’ aan La Trobe University, Melbourne. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Rehabilitatie Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in het kader van Onderzoeksinstituut SHARE.

Promotie mw. E.M. Opmeer: Linking depression. Longitudinal and neuroimaging genetic studies in major depressive disorder

Wanneer:ma 08-04-2013 om 16:15

Promotie: mw. E.M. Opmeer, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Linking depression. Longitudinal and neuroimaging genetic studies in major depressive disorder

Promotor(s): prof.dr. A. Aleman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Genen en hersenactiviteit bestudeerd bij depressieve patiënten

Om een depressie goed te kunnen behandelen, is inzicht nodig in het ontstaan ervan. Erfelijkheid en omgevingsfactoren spelen een rol bij depressie, maar de onderliggende mechanismen zijn nog onbekend. UMCG-onderzoeker Esther Opmeer gebruikte gegevens over hersenactiviteit en genetica van deelnemers aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angststoornissen (NESDA) om hier meer zicht op te krijgen.

Bij het zien van negatieve plaatjes vond Opmeer dat de hersenen van depressieve patiënten meer activiteit laten zien in gebieden betrokken bij aandacht geven, dan niet-depressieve patiënten. Tijdens het zien van positieve plaatjes zijn die gebieden juist minder actief.

Ook vond Opmeer specifieke genen die de hersenactiviteit beïnvloeden op dezelfde manier als bekend is van mensen met een depressie. Zij concludeert dat mogelijk de genetische, erfelijke aanleg voor depressie te vinden is door te kijken hoe genen de hersenen beïnvloeden. De studies van Opmeer dragen bij aan het onderzoeksveld neuroimaging genetics omdat zij als een van de eersten aantoonde dat de aanwezigheid van een depressieve stoornis de relatie tussen gen en hersenactiviteit beïnvloedt.

Esther Opmeer (Utrecht 1984) studeerde Psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij het Neuroimaging Centrum (NIC) van het Universiteit Medisch Centrum Groningen (UMCG) binnen de afdeling Cognitieve Neuropsychiatrie in het kader van Onderzoeksinstituut BCN. Het onderzoek vond plaats binnen de Nederlandse Studie naar Depressie en Angststoornissen (NESDA) die wordt gefinancierd door het Geestkracht programma van ZonMw. Sinds september 2012 is Opmeer bij het NIC werkzaam als postdoctoraal onderzoeker.

Promotie dhr. Q. Ye: Molecular and cellular mechanism of collagen degradation in the foreign body reaction

Wanneer:wo 10-04-2013 om 11:00

Promotie: dhr. Q. Ye, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Molecular and cellular mechanism of collagen degradation in the foreign body reaction

Promotor(s): prof.dr. Y. Ren, prof.dr. R.A. Bank

Faculteit: Medische Wetenschappen

Afbraak collageen bij weefselregeneratie beter in kaart

De bio-polymeer collageen wordt veel gebruikt als bouwsteiger voor weefselregeneratie. Implantatie van collageen veroorzaakt reacties tegen de lichaamsvreemde stof, die uiteindelijk zorgen voor de ontbinding ervan. UMCG-onderzoeker Adam Ye onderzocht hoe de afbraak van collageen zo gereguleerd kan worden dat de snelheid ervan overeenkomt met de opbouw of regeneratie van het nieuwe weefsel.

Implantatie van collageen voor weefselregeneratie ziet het lichaam als een ‘vreemd lichaam’. Dit veroorzaakt immunologische afweerreacties die uiteindelijk leiden tot ontbinding van de collageen-steiger. Ye bracht de gehele cascade van onderling verbonden processen in kaart: infiltratie van afweercellen, activering van ontstekingscellen, fagocytose (omsluiten van de collageendeeltjes) en proteolyse (enzymatische afbraak). Ye identificeerde verschillende immunologische stoffen die mogelijk gebruikt kunnen worden in de regulatie van de afbraak van collageen. Toch denkt hij dat er nog een lange weg te gaan is voordat zijn inzichten in de kliniek toegepast kunnen worden.

Qingsong (Adam) Ye (China, 1981) studeerde Orthodontie aan de Sichuan Universiteit in China. Hij voerde zijn promotieonderzoek uit bij de afdelingen Pathologie & Medische Biologie en Orthodontie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in het kader van de onderzoekslijn Stamcellen en Tissue Engineering. Inmiddels werkt Ye als universiteit docent aan de Dental School, James Cook Universiteit in Australië.

Promotie dhr. Alkhalaf: Novel approaches in diabetic nephropathy

Wanneer:wo 10-04-2013 om 16:15

Promotie: dhr. Alkhalaf, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Novel approaches in diabetic nephropathy

Promotor(s): prof.dr. G.J. Navis, prof.dr. H.J.G. Bilo

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuwe techniek voor opsporen vroege nierschade bij diabetes

Analyse van eiwitten en collageenfragmenten in de urine is een bruikbare methode om al vroeg de diagnose te kunnen stellen van nierschade bij patiënten met diabetes. UMCG-onderzoeker Alaa Alkhalaf denkt dat het daarmee in de toekomst mogelijk wordt om diabetespatiënten met een verhoogd risico op nierschade tijdig te behandelen en regelmatig te controleren.

De analyse van eiwitten en collageenfragmenten in urine die Alkhalaf heeft ontwikkeld maakt gebruik van proteomics-technieken. Meer onderzoek is nodig om te kijken of het routinematige gebruik van deze techniek bij patiënten met diabetes een zinvolle en kosteneffectieve benadering is.

Verder heeft Alkhalaf onderzoek gedaan naar genetische risicofactoren voor nierziekten bij diabetespatiënten. Het volgen van patiënten in de tijd leverde nieuwe inzichten op, waaronder de bevinding dat het carnosinase-1 gen (CNDP1) voorspellend is voor het risico op eindstadium nierfalen bij patiënten met type 1 diabetes. Genetische varianten bleken bij patiënten met type 1 diabetes andere effecten te hebben op achteruitgang van de nierfunctie dan bij patiënten met type 2 diabetes. Alkhalaf hoopt dat andere studies zijn bevindingen kunnen bevestigen en daarmee bijdragen aan het verhelderen van de rol van CNDP1 bij diabetische nierschade.

Tenslotte heeft Alkhalaf geen onderbouwing gevonden voor het gebruik van vitamine B1 bij patiënten met type 2 diabetes, omdat het niet leidt tot vermindering van eiwituitscheiding in de urine of andere markers van nierschade.

Alaa Alkhalaf (Syrië, 1982) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij voerde zijn promotieonderzoek uit bij de afdeling Nefrologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in het kader van Onderzoeksinstituut GUIDE, en het Diabetes Kenniscentrum en de afdeling Interne Geneeskunde van de Isala Klinieken Zwolle. Alkhalaf is momenteel in opleiding tot specialist in Maag-, Darm- en Leverziekten in de Isala Klinieken in Zwolle.

Oratie dhr. prof.dr. R.J.M.Groen: De klinische neurochirurgie in een veranderend landschap

Wanneer:di 16-04-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. R.J.M.Groen, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: De klinische neurochirurgie in een veranderend landschap

Leeropdracht: Klinische neurochirurgie

Faculteit: Medische Wetenschappen

In zijn oratie gaat prof.dr. Rob Groen in op de ontwikkelingen binnen het vakgebied van de klinische neurochirurgie. De neurochirurgie vindt tegenwoordig in belangrijke mate plaats vanuit multidisciplinaire werkgroepen, waarin de indicaties voor behandeling worden gesteld. Daardoor is de case-load van de neurochirurg op complexe onderdelen afgenomen, zoals patiënten met neurovasculaire afwijkingen (AVM en aneurysma) en van patiënten met bepaalde tumoren van de schedelbasis.

Dat heeft gevolgen voor de organisatie van de zorg en voor de borging van die zorg voor de toekomst, stelt Groen. Behoud van neurochirurgische expertise vraagt om concentratie van die expertise, en het veranderende aanbod van patiënten noopt tot maatregelen ter bevordering van de overdracht van kennis en vaardigheden aan de komende generaties neurochirurgen. Kwantiteit en kwaliteit gaan hand in hand, en dat thema loopt als een rode draad door de inrichting van de patiëntenzorg, de opleiding, het onderwijs en het onderzoek in de hedendaagse klinische neurochirurgie.

Neurochirurgie is een van de jongste chirurgische specialismen en wordt in ons land nog maar een kleine tachtig jaar uitgeoefend. Aanvankelijk was het een vakgebied voor solisten, die zich tegen de verdrukking in tussen de gevestigde orde van algemene chirurgie en neurologie bestaansrecht moesten zien te verwerven. Sinds de jaren 1930 heeft het vak een enorme vlucht genomen en is het werkterrein sterk uitgebreid. Aanvankelijk kwam dat door de verbetering van de operatie- en narcosetechnieken, later door de invoering van de operatiemicroscoop en van geavanceerde beeldvormende technieken.

Aan het eind van de vorige eeuw vond een kentering plaats als gevolg van de komst van de radiochirurgie en de interventieneuroradiologie. Voor enkele aandoeningen die tot het exclusieve werkterrein van de neurochirurg behoorden, bestaan nu alternatieve behandelingsmogelijkheden waardoor vooral verdunning is opgetreden in het aanbod van patiënten met neurovasculaire afwijkingen (AVM en aneurysma) en van patiënten met bepaalde tumoren van de schedelbasis.

Promotie mw. K. Azijli: TRAIL-induced kinases activation and apoptosis: towards improved death receptor targeted therapy for lung cancer

Wanneer:wo 17-04-2013 om 14:30

Promotie: mw. K. Azijli, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: TRAIL-induced kinases activation and apoptosis: towards improved death receptor targeted therapy for lung cancer

Promotor(s): prof.dr. F.A.E. Kruyt, prof.dr. G.J. Peters, prof.dr. S. de Jong

Faculteit: Medische Wetenschappen

Beter inzicht in behandeling van niet-kleincellige longkanker

Longkanker komt veel voor in de westerse wereld en is verantwoordelijk voor het grootste aantal kankergerelateerde sterftegevallen. UMCG-onderzoeker Kaamar Azijli bestudeerde moleculaire mechanismen van het medicijn TRAIL die de behandeling van niet-kleincellige longkanker mogelijk kunnen verbeteren.

Bestaande behandelingen met chemotherapie en radiotherapie zijn vaak onvoldoende effectief bij longkanker. Nieuwe behandelmethoden zijn daarom noodzakelijk. Het gebruik van TRAIL om selectief geprogrammeerde celdood (apoptose) in tumorcellen te veroorzaken, met behoud van normale cellen, is een veelbelovende strategie.

Azijli bestudeerde de effecten van TRAIL receptor activatie. Hoewel TRAIL in een deel van de longtumorcellen effectief geprogrammeerde celdood activeert, is een ander deel resistent. In de resistente tumorcellen bleek TRAIL ongewenste effecten te hebben; het stimuleerde het invasieve gedrag van tumorcellen. Het moleculaire mechanisme dat hiervoor verantwoordelijk is, heeft Azijli (deels) opgehelderd. Deze nieuwe inzichten kunnen het gebruik van het apoptose-inducerende medicijn TRAIL bij de behandeling van niet-kleincellige longkanker mogelijk verbeteren.

Kaamar Azijli (Amsterdam, 1984) studeerde Farmaceutische Wetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij de afdeling Medische Oncologie, Cancer Center Amsterdam (CCA) van het VUmc. Het onderzoek werd gefinancierd door het Top Instituut Pharma. Na haar promotie blijft Azijli als postdoc onderzoeker verbonden aan het VUmc.

Promotie dhr. T.A. Westra: Health-economic modelling of Human Papillomavirus vaccination

Wanneer:wo 17-04-2013 om 16:15

Promotie: dhr. T.A. Westra, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Health-economic modelling of Human Papillomavirus vaccination

Promotor(s): prof.dr. M.J. Postma, prof.dr. J.C. Wilschut, prof.dr. C.A.H.H. Daemen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie dhr. H.G. Rettke: Long-term outcomes in stroke rehabilitation: patients and informal caregivers

Wanneer:ma 22-04-2013 om 11:00

Promotie: dhr. H.G. Rettke, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Long-term outcomes in stroke rehabilitation: patients and informal caregivers

Promotor(s): prof.dr. W.J.A. van den Heuvel

Faculteit: Medische Wetenschappen

Patiënten profiteren van betere begeleiding na beroerte

Na een beroerte hebben mensen vaak levenslang zorg nodig. Dat leidt tot een zware belasting van het zorgstelsel en van mantelzorgers. Des te belangrijker is het dat patiënten zo goed mogelijk herstellen, niet alleen tijdens, maar ook na de revalidatie in een kliniek. Horst Rettke en collega-onderzoeker Heike Geschwindner gingen voor 287 patiënten in meerdere revalidatiecentra in Duitstalig Zwitserland na in hoeverre zij eerder gestelde revalidatiedoelen na drie jaar wisten te bereiken. Ook onderzochten ze hoe mantelzorgers (vaak de partner of naaste familie) in deze periode de zorg voor de patiënten ervoeren. Geschwindner en Rettke promoveren op dezelfde dag op dit onderzoek.

Rettke en Geschwindner ontdekten dat de revalidatiedoelen die de patiënten in het revalidatiecentrum formuleerden weliswaar vaak gehaald werden, maar dat re-integratie in de maatschappij vervolgens vaak maar ten dele lukt. Volgens de onderzoekers komt dat omdat de focus in het revalidatiecentrum op lichamelijk, en daarna pas op geestelijk herstel ligt. Juist cognitieve functies, zoals communicatievaardigheden, zijn essentieel om goed te kunnen re-integreren. De promovendi stellen daarom dat aan cognitief herstel meer aandacht zou moeten worden besteed.

Ook ontdekten Rettke en Geschwinder dat mantelzorgers de zorg voor een partner of familielid minder belastend vonden, naarmate ze het gevoel hadden de situatie meester te zijn en een structurele bijdrage te kunnen leveren aan verder herstel. Wel concludeerden ze dat mantelzorgers wat dat betreft nog beter op hun taak voorbereid kunnen worden.

Heike M. Geschwindner (Duitsland, 1958) en Horst Rettke (Duitsland, 1952) studeerden beiden Verplegingswetenschap aan de Universiteit van Maastricht. Ze voerden hun onderzoek uit bij hun huidige werkgevers, respectievelijk ‘Nursing Homes’ van het Department of Health and Environment (Gemeente Zürich) en het ‘Center Clinical Nursing Resarch’ van het University Hospital Zürich.

Promotie mw. H.M. Geschwindner: Long-term outcomes in stroke rehabilitation: patients and informal caregivers

Wanneer:ma 22-04-2013 om 12:15

Promotie: mw. H.M. Geschwindner, 12.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Long-term outcomes in stroke rehabilitation: patients and informal caregivers

Promotor(s): prof.dr. W.J.A. van den Heuvel

Faculteit: Medische Wetenschappen

Patiënten profiteren van betere begeleiding na beroerte

Na een beroerte hebben mensen vaak levenslang zorg nodig. Dat leidt tot een zware belasting van het zorgstelsel en van mantelzorgers. Des te belangrijker is het dat patiënten zo goed mogelijk herstellen, niet alleen tijdens, maar ook na de revalidatie in een kliniek. Heike Geschwindner en collega-onderzoeker Horst Rettke gingen voor 287 patiënten in meerdere revalidatiecentra in Duitstalig Zwitserland na in hoeverre zij eerder gestelde revalidatiedoelen na drie jaar wisten te bereiken. Ook onderzochten ze hoe mantelzorgers (vaak de partner of naaste familie) in deze periode de zorg voor de patiënten ervoeren. Geschwindner en Rettke promoveren op dezelfde dag op dit onderzoek.

Geschwindner en Rettke ontdekten dat de revalidatiedoelen die de patiënten in het revalidatiecentrum formuleerden weliswaar vaak gehaald werden, maar dat re-integratie in de maatschappij vervolgens vaak maar ten dele lukt. Volgens de onderzoekers komt dat omdat de focus in het revalidatiecentrum op lichamelijk, en daarna pas op geestelijk herstel ligt. Juist cognitieve functies, zoals communicatievaardigheden, zijn essentieel om goed te kunnen re-integreren. De promovendi stellen daarom dat aan cognitief herstel meer aandacht zou moeten worden besteed.

Ook ontdekten Geschwinder en Rettke dat mantelzorgers de zorg voor een partner of familielid minder belastend vonden, naarmate ze het gevoel hadden de situatie meester te zijn en een structurele bijdrage te kunnen leveren aan verder herstel. Wel concludeerden ze dat mantelzorgers wat dat betreft nog beter op hun taak voorbereid kunnen worden.

Heike M. Geschwindner (Duitsland, 1958) en Horst Rettke (Duitsland, 1952) studeerden beiden Verplegingswetenschap aan de Universiteit van Maastricht. Ze voerden hun onderzoek uit bij hun huidige werkgevers, respectievelijk ‘Nursing Homes’ van het Department of Health and Environment (Gemeente Zürich) en het ‘Center Clinical Nursing Resarch’ van het University Hospital Zürich.

Promotie dhr. R.V. Stan: Endothelial subcellular structures in vascular permeability

Wanneer:ma 22-04-2013 om 14:30

Promotie: dhr. R.V. Stan, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Endothelial subcellular structures in vascular permeability

Promotor(s): prof.dr. G. Molema

Faculteit: Medische Wetenschappen

Eiwit reguleert doorlaatbaarheid kleine bloedvaten

Bloedvaten zijn bekleed met endotheelcellen die de uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefsels reguleren. Onderzoeker Radu Stan toonde aan dat het eiwit PV1 cruciaal is voor een goede vorming en werking van kanaaltjes in endotheelcellen waarmee deze uitwisseling plaatsvindt. Doordat ernstige ziekte ontstaat bij afwezigheid van PV1, concludeert Stan dat het eiwit onmisbaar is voor gezonde organen.

De doorlaatbaarheid van endotheelcellen is vaak verstoord tijdens ziekte. Stan richtte zijn onderzoek op ontrafeling van de structuren die in de endotheelcellen verantwoordelijk zijn voor dit proces. Na de identificatie van het eiwit PV1 stelde hij vast dat de afwezigheid ervan bij proefdieren leidt tot ‘lekkage’ van bloedeiwitten naar de weefsels. Als deze situatie lange tijd blijft bestaan, treden effecten op die vergelijkbaar zijn met die van ernstig ondervoedde patiënten. Met zijn onderzoek draagt Stan bij aan een beter begrip van de werking van gezonde weefsels en organen.

Radu Stan (Roemenië, 1968) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Cluj-Napoca in Roemenië. Hij verrichtte zijn onderzoek vanaf 1994 in de Verenigde Staten aan de Universiteit van Californië in San Diego, en de Geisel School of Medicine, Dartmouth College, Hanover, in New Hampshire, en werkt samen met prof.dr. G. Molema van de sectie Medische Biologie van het UMCG. Stan is op dit moment werkzaam aan de Geisel School of Dartmouth. Voor zijn onderzoek verkreeg hij financiering van de US National Institutes of Health en de American Heart Association.

Promotie dhr. J.W.A. Slot: Implant-supported maxillary overdentures

Wanneer:ma 22-04-2013 om 16:15

Promotie: dhr. J.W.A. Slot, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Implant-supported maxillary overdentures

Promotor(s): prof.dr. H.J.A. Meijer, prof.dr. G.M. Raghoebar, prof.dr. A. Vissink

Faculteit: Medische Wetenschappen

Oratie dhr. prof.dr. T.P.W. Kamphuisen: Verbindende vaten

Wanneer:di 23-04-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. T.P.W. Kamphuisen, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Verbindende vaten

Leeropdracht: Interne geneeskunde, i.h.b. de vasculaire geneeskunde

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kamphuisen pleit in zijn oratie voor het bundelen van kennis van verschillende vaatexperts in zogenaamde vaatcentra. Die centra kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van de vaatzorg in Nederland, stelt de hoogleraar Interne Geneeskunde. Dat is belangrijk omdat de gezondheidszorg de komende tijd wordt geconfronteerd met een toenemend aantal patiënten met complexe vaataandoeningen. Zo blijkt dat patiënten met vaatlijden in de benen vaker eveneens een hart- of herseninfarct hebben doorgemaakt. Deze complexiteit vraagt om een nieuw soort dokter, die het gehele vaatbed kan behandelen.

In de huidige gezondheidszorg is echter sprake van orgaanspecifieke behandeling. Elk orgaan heeft zijn eigen dokter, of het nu de longen betreft, het hart, de lever of de nieren. Ook de vaatgeneeskunde kent dit fenomeen. De neuroloog behandelt de hersenvaten, de cardioloog de kransslagaders en de vaatchirurg de beenvaten, maar de behandeling van dichtslibbende vaten zou juist universeel moeten zijn.

Gebrek aan uniformiteit raakt aan de kwaliteit van de behandeling van de vaatpatiënt. Bovendien is de huidige fragmentarische zorg inefficiënt. De patiënt zal meerdere dokters bezoeken, bijvoorbeeld de één voor een vaatziekte en de ander voor behandeling van een hoge bloeddruk. Dit leidt tot hogere kosten, een grotere belasting voor de patiënt, en de behandeling kost veel meer tijd.

Juist in deze tijd van snel voortschrijdend inzicht met talloze nieuwe diagnostische en therapeutische mogelijkheden, helpt het om door bundeling van kennis van de verschillende experts de juiste keuzes voor de patiënt te maken. Bij deze zogenaamde systemische vorm van geneeskunde wordt de patiënt gevormd door de som der delen. Dit leidt tot meer kwaliteit, efficiëntere benutting van de gezondheidszorg en een grotere patiënttevredenheid.

Promotie dhr. F.A.J. de Laat: Measuring mobility in persons with a lower-limb

Wanneer:wo 24-04-2013 om 12:45

Promotie: dhr. F.A.J. de Laat, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Measuring mobility in persons with a lower-limb

Promotor(s): prof.dr. J.H.B. Geertzen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuw meetinstrument voor bepalen mobiliteit na beenamputatie

Mensen die een beenamputatie hebben ondergaan, ervaren verminderde mobiliteit als grootste beperking. Maar hoe meet je die mobiliteit, en wat zijn precies de beperkingen waarmee patiënten kampen? Revalidatieartsen werken met verschillende mobiliteitsschalen, maar er bestond nog geen gouden standaard. Fred de Laat bracht meerdere meetinstrumenten bij elkaar om tot een nieuwe mobiliteitsschaal te komen.

De Laat baseerde zijn onderzoek op verschillende vragenlijsten die in de praktijk aan patiënten met een verminderde mobiliteit worden voorgelegd, de vragenlijsten “opstaan en gaan zitten”, “lopen” en “traplopen” van Roorda en anderen. Hij ontdekte dat zulke vragenlijsten ook betrouwbaar zijn voor mensen die een beenamputatie hebben ondergaan, en dat ze zich bovendien lenen voor vertaling naar geautomatiseerde, zichzelf aanpassende schalen. Met een paar steekvragen kan een computer dan bepalen in welke mobiliteitsschaal een patiënt zich bevindt.

Meer dan gemiddelde beperkingen trof De Laat aan bij twee groepen patiënten: mensen die in een verpleeghuis gerevalideerd hebben, en vrouwen. Deze groepen ervaren vooral beperkingen bij het zelfstandig gaan staan en bij traplopen. Vrouwen bleken maar liefst negen keer minder vaak onafhankelijk trap te lopen dan mannen. Waar dit verschil uit voortkomt, zou nog verder onderzocht kunnen worden.

Fred de Laat (Vught, 1963) studeerde Geneeskunde aan de universiteit van Nijmegen. Hij voerde zijn onderzoek uit bij revalidatiecentrum Tobrug, JBZ in ’s-Hertogenbosch en werkte het uit bij revalidatiecentrum Leijpark, Libra revalidatie en audiologie in Tilburg. De Laat werkt als revalidatiearts bij het TweeSteden ziekenhuis en revalidatiecentrum Leijpark in Tilburg.

Promotie mw. M.M. van der Kooi-Pol: In vivo and in vitro profiling of global interactions between Staphylococcus aureus and its human host

Wanneer:wo 24-04-2013 om 14:30

Promotie: mw. M.M. van der Kooi-Pol, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: In vivo and in vitro profiling of global interactions between Staphylococcus aureus and its human host

Promotor(s): prof.dr. J.M. van Dijl

Faculteit: Medische Wetenschappen

Onvatbare eiwitten in ziekenhuisbacterie opgespoord

Staphylococcus aureus, beter bekend als de ziekenhuisbacterie, is niet gemakkelijk te bestrijden en zorgt daardoor voor grote kostenposten. Besmette patiënten moeten namelijk langer in het ziekenhuis blijven en ruimtes moeten mogelijk gedesinfecteerd worden. De gevaarlijke bacterie weet zich bovendien snel aan te passen aan nieuwe antibiotica. Het is daarom van groot belang te begrijpen wat er precies gebeurt wanneer de bacterie zich nestelt op de menselijke gastheer. Biomedicus Magda van der Kooi-Pol onderzocht die interactie op celniveau.

Van der Kooi-Pol onderzocht zowel de precieze plek van eiwitten en andere moleculen op het celoppervlak van S. aureus, als de menselijke immuunreactie op de bacterie. Door de immuunreacties te onderzoeken van patiënten die langdurig aan de bacterie zijn blootgesteld, ontdekte ze welke de immunogene (onvatbare) eiwitten van de bacterie zijn en welke epitopen (macromoleculen die herkend kunnen worden door antilichamen) herkend worden. Die kennis kan in de toekomst bijdragen tot het beter inzetten van antilichamen om de bacterie te bestrijden.

Magdalena M. van der Kooi-Pol (Wroclaw, Polen, 1976) studeerde Moleculaire Biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze voerde haar onderzoek uit bij de afdeling Medische Microbiologie, sectie Moleculaire Bacteriologie, van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en maakte deel uit van de Graduate School for Medical Sciences. Het onderzoek werd gefinancierd door Top Institute Pharma. Van der Kooi-Pol blijft na haar promotie verbonden aan de afdeling Medische Microbiologie.

Promotie dhr. J.K. Smit: Response evaluation of chemoradiotherapy in esophageal cancer

Wanneer:wo 24-04-2013 om 16:15

Promotie: dhr. J.K. Smit, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Response evaluation of chemoradiotherapy in esophageal cancer

Promotor(s): prof.dr. J.Th.M. Plukker, prof.dr. R.P. Coppes, prof.dr. H. Hollema

Faculteit: Medische Wetenschappen

Patiënten met slokdarmkanker niet als één groep behandelen

Slokdarmkanker is één van de snelst stijgende kankersoorten in Nederland. De ziekte wordt meestal pas vastgesteld als hij zich al heeft verspreid. Ook al zijn de behandelmethoden de afgelopen jaren verbeterd, de keuze voor de juiste behandelmethode blijft complex. Vast onderdeel in de huidige behandeling van slokdarmpatiënten is neoadjuvante (preoperatieve) chemoradiotherapie. Justin Smit onderzocht welke patiënten hiervan het meest profiteren.

Smit ging na welke biologische kenmerken van de tumor voorspellen hoe effectief chemoradiotherapie zal zijn. Besmette lymfeklieren nabij de tumor hebben een negatieve invloed op ziektevrije overleving. Smit ontdekte dat dit effect mogelijk versterkt wordt door preoperatieve chemoradiotherapie. Ook concludeert hij dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar welke tumorcellen resistent zijn tegen chemoradiotherapie. Het grote verschil tussen patiënten bij wie de behandeling wel en niet aanslaat, wijst namelijk op een verschil in tumorbiologie bij beide groepen. Een verdere subtypering kan een beter op het individu gerichte behandeling mogelijk maken.

Justin K. Smit (Curaçao, Nederlandse Antillen, 1985) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij voerde zijn onderzoek uit bij de afdelingen Chirurgie, Radiotherapie, Celbiologie en Pathologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Zijn onderzoek maakte deel uit van onderzoeksschool GUIDE en werd gefinancierd door UMCG, de Jan Kornelis de Cock Stichting en de Stichting Scoren tegen Kanker. Smit werkt als arts-assistent chirurgie in het Zaans Medisch Centrum te Zaandam.

Promotie dhr. A. Abbasi: Biomarkers and prediction models for type 2 diabetes and diabetes related outcomes

Wanneer:wo 01-05-2013 om 14:30

Promotie: dhr. A. Abbasi, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Biomarkers and prediction models for type 2 diabetes and diabetes related outcomes

Promotor(s): prof.dr. R.P. Stolk, prof.dr. G.J. Navis

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kortetermijnvoorspelling van type 2 diabetes kan nauwelijks beter

Type 2 diabetes komt steeds vaker en vroeger voor. Overgewicht is, in combinatie met te weinig beweging, de voornaamste boosdoener. Tegelijkertijd worden we steeds ouder. Om overbelasting van de zorgsector te voorkomen is het belangrijk tijdig te voorspellen wie er veel kans maakt op de ziekte, zodat er preventieve maatregelen genomen kunnen worden. Ali Abbasi onderzocht wat biomarkers (stofjes voor het meten van biologische kenmerken) kunnen toevoegen aan bestaande risicoscores.

Vragenlijsten die artsen gebruiken om type 2 diabetes te voorspellen, richten zich op een periode van vijf tot tien jaar. Abbasi concludeert dat de meeste vragenlijsten inderdaad mensen opsporen die een hoog of laag risico lopen om de ziekte binnen dat tijdsbestek te ontwikkelen. Het absolute risico dat iemand de ziekte krijgt, wordt volgens de promovendus echter overschat.

Hij ging daarom na of de toevoeging van enkele biomarkers aan de bestaande risicoanalyses (zoals het stresshormoon copeptin en de marker van ontsteking procalcitonin) een betere absolute voorspelling mogelijk maken. Hij concludeert dat er slechts een kleine verbetering optreedt, waarschijnlijk omdat de gebruikte biomarkers deel uitmaken van bekende biologische mechanismen die ook al worden “gevangen” met de vragenlijsten. Toekomstig onderzoek moet zich daarom richten op andere biomarkers en op de hele levensloop.

Ali Abbasi (Iran, 1978) studeerde Geneeskunde aan de universiteit van Teheran, Iran. Hij voerde zijn onderzoek uit bij de afdelingen Epidemiologie en Interne Geneeskunde, sectie Nefrologie, van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek viel binnen het raamwerk van CTMM, Centre for Translational Molecular Medicine, en werd gefinancierd door de Nederlandse Hartstichting, het Diabetes Fonds en de Nierstichting. Abbasi blijft ook na zijn promotie werkzaam in het veld van de epidemiologie van diabetes.

Promotie Mw. A.C. Vink: Music therapy for dementia. The effect of music therapy in reducing behavioural problems in elderly people with dementia

Wanneer:ma 06-05-2013 om 16:15

Promotie: mw. A.C. Vink, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Music therapy for dementia. The effect of music therapy in reducing behavioural problems in elderly people with dementia

Promotor(s): prof.dr. J.P.J. Slaets

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht

Promotie dhr. P.A. Smink: Biomarkers and assessment of drug efficacy in cardiovascular disease

Wanneer:wo 08-05-2013 om 11:00

Promotie: dhr. P.A. Smink, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Biomarkers and assessment of drug efficacy in cardiovascular disease

Promotor(s): prof.dr. D. de Zeeuw

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuwe formule meet langetermijneffect geneesmiddel

Hart- en vaatziekten vormen nog altijd een belangrijke doodsoorzaak. Er worden voortdurend nieuwe geneesmiddelen ontwikkeld om de aan deze ziekten gerelateerde risicofactoren, zoals een hoge bloeddruk of hoog cholesterol, te behandelen. In de testfase gaat men vervolgens na of het middel inderdaad doet wat het beoogt. Geneesmiddelenonderzoek laat echter zien dat dergelijke middelen niet altijd een beschermend effect op langere termijn hebben, zoals wel verwacht mag worden. Paul Smink ontwikkelde een nieuwe methode om het geneesmiddeleffect op lange termijn beter in te kunnen schatten.

Smink stelt dat niet-beoogde (‘off-target’) effecten mede bijdragen aan de effectiviteit van een geneesmiddel op langere termijn. Maar doordat ze in het huidige geneesmiddelenontwikkelingstraject beschouwd worden als bijwerkingen, worden zulke off-target effecten minder nauwkeurig bepaald en geëvalueerd dan het wel beoogde (‘on-target’) effect.

De promovendus integreerde de on-target en off-target effecten van een vaak gebruikt bloeddrukverlagend geneesmiddel in een zogenaamde Parameter Response Efficacy (PRE) score. Hij concludeert dat een dergelijke PRE-score een betere schatting mogelijk maakt van het langetermijneffect van een geneesmiddel dan een schatting die gebaseerd is op één enkele risicofactor. Hij pleit daarom voor een herstructurering van het huidige ontwikkelingstraject voor geneesmiddelen. Door de PRE-score te implementeren, zou er al tijdens het ontwikkelingstraject een beter beeld moeten ontstaan van de effectiviteit en veiligheid van een geneesmiddel op lange termijn.

Paul Smink (Amersfoort, 1981) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij voerde zijn onderzoek uit bij de afdeling Klinische Farmacologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en maakte deel uit van onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd gefinancierd door Topinstitute Pharma en viel binnen het ESCHER-project van dit onderzoeksinstituut. Smink blijft ook na zijn promotie werkzaam bij de afdeling Klinische Farmacologie van het UMCG.

Promotie mw. E.S. Ovchinnikova: Physical-chemical interactions between bacteria and fungi

Wanneer:wo 08-05-2013 om 14:30

Promotie: mw. E.S. Ovchinnikova, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Physical-chemical interactions between bacteria and fungi

Promotor(s): prof.dr. H.C. van der Mei, prof.dr.ir. H.J. Busscher

Faculteit: Medische Wetenschappen

Samenwerking tussen bacteriën en gisten verder ontrafeld

De bacteriële stammen Pseudomonas aeruginosa en Staphylococcus aureus en de gist Candida albicans spelen een belangrijke rol bij infecties in het menselijk lichaam. Dát bacteriën en gisten samenwerken, was al langer bekend. Door een geavanceerd communicatiesysteem is cel-cel-communicatie zelfs mogelijk zonder dat er sprake is van fysiek contact tussen de organismen. Maar hóe ze precies samenwerken, welke fysische en biochemische mechanismen optreden om interacties mogelijk te maken, was nog onbekend. Ekaterina Ovchinnikova onderzocht de hechtingskrachten tussen de twee bacteriestammen en verschillende vormen van de gist Candida albicans.

Ovchinnikova onderzocht de hechtingskrachten tussen de bacteriën en de gist met behulp van oppervlaktethermodynamica en atomaire kracht microscopie (AFM). Ze ontdekte welke specifieke proteïnes en proteïnelagen de bacteriën in staat stellen om ‘mee te liften’ op de ‘hyfen’ (schimmel- of celdraden) van Candida albicans. Ook bestudeerde ze de verschillen in hechtingskracht van de stafylokokken over de lengte van de hyfe. Ze concludeert dat die hechtingskracht afhangt van de plek waar de interactie plaatsvindt. De hechtingskrachten aan de ‘kop’ (de gistcel waaruit de hyfe ontkiemt) bleken verrassend genoeg veel kleiner dan die aan de ‘top’ (het groeiende uiteinde van de hyfe) en het midden van de hyfe.

Ekaterina Ovchinnikova (Rusland, 1984) studeerde Moleculaire Biologie aan de Universiteit van Novosibirsk, Rusland. Ze voerde haar onderzoek uit bij het W.J. Kolff onderzoeksinstituut voor biotechnologie (Biomedical Engineering) van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Ovchinnikova ontving voor het verrichten van haar onderzoek een Ubbo Emmius beurs. Ze blijft als postdoc-onderzoeker verbonden aan het UMCG en werkt in het ‘Laboratory of Stem Cell Regulation and Mechanisms of Regeneration’.

Promotie mw. L.K. Teune: Glucose metabolic patterns in neurodegenerative brain diseases

Wanneer:wo 08-05-2013 om 16:15

Promotie: mw. L.K. Teune, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Glucose metabolic patterns in neurodegenerative brain diseases

Promotor(s): prof.dr. K.L. Leenders, prof.dr. R.A.J.O. Dierckx

Faculteit: Medische Wetenschappen

Hersenziekten eerder diagnosticeren met FDG-PET scan

Neurodegeneratieve hersenziekten zijn hersenaandoeningen waarbij de zenuwcellen in bepaalde gebieden langzaam afsterven en verloren gaan. Bekende voorbeelden zijn de ziekte van Parkinson en de ziekte van Alzheimer. Patiënten met zulke hersenziekten hebben er belang bij dat er in een vroeg stadium een juiste diagnose gesteld wordt. Maar in de klinische praktijk is het lastig een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen van parkinsonisme en/of dementie, omdat de symptomen in het begin op elkaar kunnen lijken. Laura Teune deed onderzoek naar vroege, onderlinge verschillen.

Teune onderzocht hoe het gebruik van FDG-PET scans (PET-scans waarvoor de patiënt radioactieve glucose, toegediend krijgt) het glucosemetabolisme in de hersenen in beeld kan brengen. Zij ontdekte dat verschillende ziektebeelden verschillende ziekte-specifieke patronen laten zien. Deze reflecteren de onderliggende pathologische veranderingen van de aangedane hersengebieden.

De promovenda stelt dat met behulp van een wiskundige rekentechniek berekend kan worden hoezeer het hersenpatroon van een patiënt overeenkomt met het groepspatroon van een bepaalde ziekte. Daardoor kan er eerder een juiste diagnose worden gesteld. Mede door dit onderzoek wordt het nut van FDG-PET scans steeds bekender en worden zulke scans vaker ingezet bij patiënten met een moeilijk te diagnosticeren vorm van parkinsonisme of dementie.

Laura Teune (Amersfoort, 1981) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze voerde haar onderzoek uit bij de afdeling Neurologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen, in nauwe samenwerking met de afdeling Nucleaire geneeskunde en moleculaire beeldvorming, het NeuroImaging Center, en de afdeling Wetenschappelijke Visualisatie en Computergrafiek van de Rijksuniversiteit Groningen. Het onderzoek viel binnen de onderzoeksschool Behavioral and Cognitive Neurosciences (BCN) van het UMCG en werd gefinancierd door het Internationaal Parkinson Fonds. Teune is in opleiding tot neuroloog.

Promotie mw. F. Maccioni: Evaluation of Crohn's disease activity: an integrated imaging approach

Wanneer:ma 13-05-2013 om 11:00

Promotie: mw. F. Maccioni, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Evaluation of Crohn's disease activity: an integrated imaging approach

Promotor(s): prof.dr. A. Signore, prof.dr. R.A.J.O. Dierckx

Faculteit: Medische Wetenschappen

Ziekte van Crohn verschilt bij kinderen en volwassenen

Mensen met de ziekte van Crohn kampen met een chronische ontsteking van de slijmvliezen van het maag-darmkanaal. De ziekte komt steeds vaker en steeds vroeger voor, soms zelfs bij pasgeborenen. Francesca Maccioni onderzocht hoe MRI-scans kunnen helpen om de ontstekingsactiviteit bij de ziekte van Crohn vast te stellen.

De onderzoekster stelt dat het met behulp van MRI mogelijk is om vast te stellen op welke plek in de darmen de ontstekingen zich bevinden. Ook kan met MRI een onderscheid worden gemaakt tussen oedeem (vochtophoping), fibrose (toename van bindweefsel) en hypervascularisatie (toename van het aantal bloedvaatjes). Ze concludeert dat MRI een veilige techniek is om de ziekte vast te stellen en om het effect van therapieën in beeld te brengen.

Maccioni vergeleek verder de ziekteactiviteit van 43 volwassen en 43 kinderen met de ziekte van Crohn. Daarvoor maakte ze gebruik van MRI, aangevuld met klinische en endoscopische onderzoeken. Ze ontdekte dat er een opvallend verschil vastgesteld kon worden in ziekteactiviteit tussen de twee groepen patiënten. Bij de volwassenen manifesteerden ontstekingen zich vooral in het laatste deel van de dunne darm, bij de kinderen in het laatste deel van de dikke darm. Dat kan volgens de promovenda betekenen dat er twee verschillende vormen van de ziekte bestaan.

Francesca Maccioni (Italië, 1963) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van La Sapienza, Rome. Zij verrichtte haar onderzoek aan de afdeling Radiologische Wetenschappen van de Sapienza universiteit (Rome, Italië) in samenwerking met de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Maccioni werkt als radioloog bij de afdeling Radiologische Wetenschappen van de universiteit van La Sapienza.

Promotie mw. F.R. Grippaudo: Imaging in dermal fillers

Wanneer:ma 13-05-2013 om 12:45

Promotie: mw. F.R. Grippaudo, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Imaging in dermal fillers

Promotor(s): prof.dr. A. Signore, prof.dr. N. Scuderi

Faculteit: Medische Wetenschappen

Beeldvormende diagnostiek rimpelvullers kan beter

Steeds meer mensen kiezen om cosmetische redenen voor rimpelvullers, producten die de weke delen van de huid versterken. Deze verschillen onderling in samenstelling en duurzaamheid. Wanneer er complicaties optreden, zoals bijvoorbeeld migratie van het materiaal, infecties of acute en terugkerende zwellingen, is het voor het behandelplan van groot belang dat er een goede diagnose gesteld wordt. Francesca Grippaudo onderzocht hoe hoge-frequentie-echografie kan helpen bij de diagnostiek.

Grippaudo concludeert dat het bij complicaties allereerst van belang is aan te tonen dat er inderdaad rimpelvullers gebruikt zijn in de weke delen. De volgende stap is nagaan welke vuller er gebruikt is. De promovenda stelt dat dat belangrijk is, omdat het gebruik van verschillende vullers tot complicaties kan leiden. Zij ontdekte dat verschillende beeldvormingstechnieken, zoals MRI en WBC Scintigrafie, het mogelijk maken om de vullers af te beelden in relatie tot de anatomische structuur van het gezicht. WBC Scintigrafie maakt het bovendien mogelijk om infecties en ontstekingen op te sporen. Deze informatie maakt het vaststellen van het meest geschikte behandelplan gemakkelijker.

Francesca Romana Grippaudo(Italië, 1961) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van La Sapienza, Rome. Zij verrichtte haar onderzoek in het kader van een samenwerking tussen de Universiteit van La Sapienza en de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door de Universiteit van La Sapienza. Grippaudo werkt als plastisch chirurg in Rome.

Promotie dhr. A.G.T. Terwisscha van Scheltinga: Molecular imaging of tumor characteristics to support targeted cancer therapies. A preclinical focus on HER2, HER3, c-Met, IGF-1R and VEGF-A imaging

Wanneer:ma 13-05-2013 om 14:30

Promotie: dhr. A.G.T. Terwisscha van Scheltinga, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Molecular imaging of tumor characteristics to support targeted cancer therapies. A preclinical focus on HER2, HER3, c-Met, IGF-1R and VEGF-A imaging

Promotor(s): prof.dr. E.G.E. de Vries, prof.dr. J.G.W. Kosterink

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuw geneesmiddel brengt tumorweefsel in beeld

De ontwikkeling van antikankermedicijnen is een doorgaand proces, waarin moleculaire beeldvorming een belangrijke rol speelt. Zo heeft de ontdekking van nieuwe moleculaire doelen geleid tot verschillende soorten nieuwe medicijnen. Apotheker Anton Terwisscha van Scheltinga ontwikkelde een aantal nieuwe ‘tracers’, gelabelde geneesmiddelen die de eigenschappen van een tumor beter in beeld moeten brengen.

De tracers die Terwisscha van Scheltinga ontwikkelde, zijn gericht tegen receptoren voor een aantal groeifactoren: de eiwitten HER2, HER3, c-MET en IGF-1R, en Vascular Endothelial Growth Factor (VEGF)-A, een groeifactor die wordt aangemaakt door omliggende cellen en die de vorming van nieuwe bloedvaten stimuleert. De promovendus maakte de geneesmiddelen radioactief of fluorescent, zodat gevolgd kan worden hoe ze door de verschillende organen en door de tumor opgenomen worden

Hij stelt dat met radioactief gelabelde verbindingen, met een PET-scan de orgaandistributie en tumoropname van nieuwe geneesmiddelen zichtbaar kan worden gemaakt. Ook concludeert hij dat een aantal fluorescent gelabelde antilichamen inderdaad het afwijkende weefsel van tumoren in beeld brengt. Die ontdekking is van belang voor chirurgen. Door de tracers voor een operatie aan de patiënt toe te dienen, kan de chirurg de tumor tijdens de operatie waarschijnlijk veel beter in beeld krijgen. Terwisscha van Scheltinga’s preklinische studies worden momenteel verder onderzocht in patiëntstudies.

Anton Terwisscha van Scheltinga (Leeuwarden, 1985) studeerde farmacie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek bij de afdelingen Medische Oncologie, Klinische Farmacie en Apotheek, en Nucleaire geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zijn onderzoek werd onder andere gefinancierd met een driejarige subsidie van KWF Kankerbestrijding die Terwisscha van Scheltinga kreeg als ziekenhuisapotheker in opleiding/onderzoeker.

Promotie mw. J.M. Kerstjens: Development of moderately preterm-born children

Wanneer:ma 13-05-2013 om 16:15

Promotie: mw. J.M. Kerstjens, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Development of moderately preterm-born children

Promotor(s): prof.dr. A.F Bos, prof.dr. S.A. Reijneveld

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Verhoogde kans op blijvende ontwikkelingsproblemen bij matig te vroeg geborenen

Promotie mw. J.M. da Silva Voorham: Immature dengue virus: functional properties and potential contribution to disease

Wanneer:wo 15-05-2013 om 11:00

Promotie: mw. J.M. da Silva Voorham, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Immature dengue virus: functional properties and potential contribution to disease

Promotor(s): prof.dr. J.M. Smit, prof.dr. J.C. Wilschut

Faculteit: Medische Wetenschappen

Beter inzicht in mechanismen achter infectieziekte dengue

Dengue (‘knokkelkoorts’) is een veelvoorkomende, tropische infectieziekte die wordt overgebracht door muggen. Naar schatting raken jaarlijks zo’n vijftig tot honderd miljoen mensen besmet. Meestal gaat dengue vanzelf over, maar in zo’n 500.000 gevallen ontwikkelt de patiënt een ernstige vorm van de ziekte, hemorragische dengue, met een mogelijk fataal verloop. Júlia Maria da Silva Voorham onderzocht welke rol immature dengue-deeltjes spelen in het infectieproces.

Samen met collega-onderzoeker Izabela Rodenhuis-Zybert ontdekte Da Silva Voorham dat immature (onrijpe) dengue-virusdeeltjes in de aanwezigheid van antilichamen (door het lichaam aangemaakte antistoffen) hoog infectieus worden. Da Silva Voorham concludeert dat dit geldt voor een grote verscheidenheid van antistoffen gericht tegen dengue. Dit is opmerkelijk omdat tot nu toe werd gedacht dat immature deeltjes niet bijdragen aan een dengue-infectie.

De ontdekking sluit aan bij eerder onderzoek, dat liet zien dat hemorragische dengue optreedt als het lichaam antilichamen heeft aangemaakt ten gevolge van een eerdere besmetting met een andere variant van het virus. Verdere kennis van de rol van immature dengue-deeltjes bij een secundaire infectie draagt bij aan een beter begrip van het ontstaan en de ontwikkeling van de ziekte. Dat is volgens de promovenda vooral van belang voor de ontwikkeling van veilige vaccins.

Júlia Maria da Silva Voorham (Brazilië, 1967) studeerde geneeskunde in Brazilië en Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de sectie Moleculaire Virologie, subgroep ‘Mosquito-Borne Viral Infections’, van de afdeling Medische Microbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door NWO, de Nederlandse Organisatie voor Gezondheidsonderzoek en Zorginnovatie (ZonMW/AGIKO stipendia) en de Rijksuniversiteit Groningen. Da Silva Voorham is in opleiding tot arts-microbioloog in het UMCG.

Promotie dhr. K.T. Buddingh: Assessment of the biliary tree. During gallbladder surgery

Wanneer:wo 15-05-2013 om 12:45

Promotie: dhr. K.T. Buddingh, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Assessment of the biliary tree. During gallbladder surgery

Promotor(s): prof.dr. R.J. Ploeg

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kleurstof verkleint kans op galwegletsel tijdens operatie

Cholecystectomie, het operatief verwijderen van de galblaas, is een veel uitgevoerde ingreep. In een klein aantal gevallen treedt bij die ingreep letsel aan de galwegen op, met als gevolg extra operaties, een langere opnameduur en soms ook dure claims. Tim Buddingh onderzocht hoe de galwegen tijdens de operatie beter in beeld kunnen worden gebracht, zodat de kans op galwegletsel afneemt.

Buddingh bracht eerst in kaart met welke veiligheidstappen Nederlandse chirurgen al werken. Hij ontdekte dat de zogenaamde ‘critical view of safety’ (CVS)-techniek breed wordt toegepast, in tegenstelling tot het ‘intra-operatief cholangiogram’ (IOC), het maken van röntgenfoto’s van de galwegen of galblaas tijdens de operatie. Artsen ervaren het toepassen van IOC volgens Buddingh als tijdrovend en moeilijk. Buddingh concludeert dat dit een zorgwekkende ontwikkeling is, omdat er bewijs is dat IOC de kans op galwegletsel verkleint.

De promovendus onderzocht nieuwe manieren om de galblaas en galwegen in beeld te brengen. Een snellere, goedkopere en veilige techniek zou volgens hem ‘fluorescentiecholangiografie’ kunnen zijn, het inbrengen van een lichtgevende kleurstof in de galwegen.

Buddingh pleit tot slot voor een routinematige toepassing van IOC, vergezeld van protocollen en trainingen, en voor het zo nauwkeurig mogelijk vastleggen van operatieve procedures met behulp van videobeelden en geluidsopnamen. Net als piloten kunnen chirurgen zo maximale transparantie geven over de beslissingen die ze nemen in de operatiekamer.

Tim Buddingh (Pakistan, 1986) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek bij het Bio-optical Imaging Centre Groningen (BIC-G) van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door diezelfde afdeling en door LICOR Biosystems. Buddingh is momenteel werkzaam als arts op de afdeling Urologie van het St Elizabeth Hospitaal te Curaçao.

Promotie mw. J. Hortensius: Self-monitoring of blood glucose in insulin-treated patients with diabetes

Wanneer:wo 15-05-2013 om 14:30

Promotie: mw. J. Hortensius, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Self-monitoring of blood glucose in insulin-treated patients with diabetes

Promotor(s): prof.dr. H.J.G. Bilo, prof.dr. R.O.B. Gans

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht

Promotie mw. W. Reitsma: Pelvic high-grade serous carcinoma in women with a BRCA1/2 mutation. Carcinogenesis and early diagnosis

Wanneer:wo 15-05-2013 om 16:15

Promotie: mw. W. Reitsma, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Pelvic high-grade serous carcinoma in women with a BRCA1/2 mutation. Carcinogenesis and early diagnosis

Promotor(s): prof.dr. M.J.E. Mourits, prof.dr. G.H. de Bock, prof.dr. H. Hollema

Faculteit: Medische Wetenschappen

Eierstokkanker ontstaat waarschijnlijk in eileiders

Eierstokkanker is, na baarmoederkanker, de meest voorkomende gynaecologische vorm van kanker. Tegelijk is het ook de meest dodelijke vorm, doordat de ziekte vaak pas in een laat stadium wordt opgemerkt. Welmoed Reitsma deed onderzoek naar het ontstaan van eierstokkanker en naar tumor- en overlevingskenmerken. Ze richtte haar onderzoek op de meest voorkomende vorm van eierstokkanker, ‘pelvic high grade serous carcinoma’ (PHGSC) bij vrouwen met een genetisch verhoogd risico op deze ziekte, door een mutatie in het BReast Cancer susceptibility (BRCA)1 of BRCA2-gen.

Reitsma ontdekte onder andere dat van beide groepen patiënten met erfelijke eierstokkanker (BRCA1 en BRCA2), de patiënten met een BRCA2-mutatie de beste vooruitzichten hebben op algehele en ziektevrije overleving. De promovenda ontdekte ook dat beide groepen geen verhoogd risico lopen op het ontwikkelen van baarmoederkanker. Tot slot benadrukt ze dat er nog nooit een voorloper van PHGSC in de eierstokken is gevonden. In haar studie werden daarentegen wel voorloperstadia in de eileiders gezien. Dat is volgens haar in lijn met andere studies, die wijzen op een oorsprong van deze kanker in de eileiders. Ze concludeert dat een dergelijke ontdekking grote gevolgen zou kunnen hebben, omdat er dan mogelijk geen preventieve verwijdering van de eierstokken meer nodig is. Ze benadrukt echter dat er eerst meer onderzoek nodig is naar voorlopers van PHGSC in de eileiders.

Welmoed Reitsma (Sneek, 1986) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Gynaecologische Oncologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en maakte deel uit van onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd in de vorm van een MD/PhD-traject gefinancierd door de Junior Scientific Masterclass Groningen. Reitsma start binnenkort aan de opleiding tot gynaecoloog.

Promotie dhr. R. Golestani: New targets in cardiovascular imaging

Wanneer:wo 22-05-2013 om 12:45

Promotie: dhr. R. Golestani, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: New targets in cardiovascular imaging

Promotor(s): prof.dr. R.A.J.O. Dierckx, prof.dr. C.J.A.M. Zeebregts

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuwe aanknopingspunten voor evaluatie aderverkalking

Atherosclerose, in de volksmond beter bekend als aderverkalking, is een veelvoorkomende hart- en vaatziekte. De ziekte heeft een gecompliceerd en langzaam verloop. In de loop van jaren wordt een vetachtige stof (‘plaque’) afgezet in de wand van slagaders. De bloedvaten worden daardoor nauwer. Wanneer de plaque loslaat, kan deze complicaties veroorzaken, zoals een hart- of herseninfarct. Reza Golestani onderzocht hoe het moleculaire proces van aderverkalking met visuele technieken zoals PET-scans in beeld kan worden gebracht.

Golestani ontwikkelde een beeldvormende techniek voor het visualiseren en meten van de moleculaire en cellulaire doelwitten die betrokken zijn bij atherosclerotische ziekten. Hij deed dat onder andere door diermodellen van de ziekte te onderzoeken en stukjes verwijderde plaque uit de halsslagaders. De promovendus concludeert dat zijn onderzoek veelbelovende doelen heeft geïdentificeerd om de ziekte van buitenaf in beeld te brengen. Op basis van deze nieuwe inzichten, die nog preklinisch van aard zijn, moet het in de toekomst makkelijker worden om patiënten in verschillende risicogroepen in te delen of om nieuwe medicijnen te ontwikkelen die de progressie van de ziekte moeten stoppen.

Reza Golestani (Iran, 1978) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Teheran, Iran. Hij verrichtte zijn onderzoek bij de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het Universitair Medisch Centrum Groningen en maakte deel uit van onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd gefinancierd door Siemens Medical Systems. Golestani is als onderzoeker verbonden aan de Yale school of medicine, New Haven, USA.



Promotie dhr. E. Burstein: COMMD1: a modulator of immunity and NF-κB activity

Wanneer:wo 22-05-2013 om 14:30

Promotie: dhr. E. Burstein, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: COMMD1: a modulator of immunity and NF-κB activity

Promotor(s): prof.dr. T.N. Wijmenga, prof.dr. M.H. Hofker

Faculteit: Medische Wetenschappen

Gen COMMD1 heeft belangrijke rol in remmen ontstekingsreacties

Ontsteking is een belangrijk mechanisme van ons lichaam om het te beschermen tegen infecties en beschadiging van weefsels. De ontstekingsreactie heeft als doel om lichaamsvreemde en beschadigde cellen te verwijderen en herstellen. Ongecontroleerde, chronische ontsteking levert veel schade op. Het is daarom belangrijk dat een ontstekingsreactie weer op tijd wordt stopgezet. Ezra Burstein deed onderzoek naar de cellulaire mechanismen die betrokken zijn bij het stoppen van ontstekingsreacties.

Het eiwittencomplex NF-κB speelt een belangrijke rol in het reguleren van een ontstekingsreactie. Burstein concludeert dat er veel onderzoek is gedaan naar de rol van dit eiwittencomplex in het starten van ontstekingsreacties, maar niet naar het stopzetten van die reacties.

Hij ontdekte dat eiwitafbraak met behulp van ubiquitine, een klein eiwit dat markeert welke eiwitten afgebroken moeten worden, een belangrijke rol speelt in het controleren van de expressie van genen tijdens ontstekingsreacties. Ongecontroleerde expressie kan tot chronische ontstekingen leiden. Ook toonde hij het belang aan van een specifiek gen in dit proces (COMMD1) als rem op NF-κB. Wanneer deze ‘rem’ uit ontstekingscellen verwijderd wordt, blijkt er een verhoogde gevoeligheid op te treden voor ontstekingsreacties.

Ezra Burstein (Peru, 1968) studeerde geneeskunde aan de universiteit van Lima, Peru. Hij verrichtte zijn onderzoek aan het Texas Southwestern Medical Centre in samenwerking met de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door de Amerikaanse ‘National Institutes of Health’, de ‘Crohn’s and Colitis Foundation of America’ en het ‘Disease Oriented Clinical Scholars Program’. Burnstein werkt als onderzoeker op de afdeling Internal Medicine and Molecular Biology van het University of Texas Southwestern Medical Centre.

Promotie dhr. D.J.A. Lok: Novel markers in chronic heart failure

Wanneer:wo 22-05-2013 om 16:15

Promotie: dhr. D.J.A. Lok, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Novel markers in chronic heart failure

Promotor(s): prof.dr. D.J. van Veldhuisen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie dhr. J.L. Robertus: MicroRNA profiling in B cell non-Hodgkin Lymphoma: focus on the role of MYC

Wanneer:wo 29-05-2013 om 11:00

Promotie: dhr. J.L. Robertus, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: MicroRNA profiling in B cell non-Hodgkin Lymphoma: focus on the role of MYC

Promotor(s): prof.dr. J.H.M. van den Berg, prof.dr. P.M. Kluin

Faculteit: Medische Wetenschappen

Rol miRNAs in ontstaan lymfklierkanker verder onderzocht

Non-Hodgkinlymfoon is een kwaadaardige vorm van kanker die uitgaat van de lymfeklieren. De ziekte wordt gekenmerkt door specifieke chromosoomafwijkingen en door afwijkende patronen van genexpressie. Onderzoek naar miRNAs (MicroRNAs, moleculen die de expressie van genen reguleren tijdens cellulaire processen zoals celdeling en de vorming van nieuwe cellen) heeft bijgedragen aan een betere kennis van het ontstaan van de ziekte, maar er is nog veel onduidelijk. Jan Lukas Robertus onderzocht de rol van MicroRNAs in twee vormen van lymfklierkanker.

Robertus deed onderzoek naar twee vormen van Non-Hodgkinlymfoom, het veel voorkomende diffuus grootcellig B-lymfoom (DLBCL) en het minder vaak voorkomende Burkitt lymfoom (BL). Hij wist twee specifieke miRNAs te identificeren waarmee een subgroep van DLBCL (namelijk die in de testikels en het centrale zenuwstelsel) gekarakteriseerd kan worden. Verder ontdekte de promovendus dat verschillende lymfoom-subtypes verschillende miRNA-expressieprofielen laten zien. Tot slot toonde hij de rol van zeven specifieke miRNAs aan die een belangrijke rol spelen in de groei van Burktitt Lymfoom-cellen.

Jan Lukas Robertus (Sheffield, Engeland, 1970) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek bij de afdeling Pathologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek valt binnen een onderzoekslijn naar lymfomen en werd gefinancierd door de Jan Kornelis de Cock Stichting en het UMCG. Robertus is werkzaam als patholoog in het Erasmus Ziekenhuis in Rotterdam.

Promotie mw. B.C.H. Huijgen: Technical skills, the key to success? A study on talent development and selection of youth soccer players

Wanneer:wo 29-05-2013 om 12:45

Promotie: mw. B.C.H. Huijgen, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Technical skills, the key to success? A study on talent development and selection of youth soccer players

Promotor(s): prof.dr. C. Visscher

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie mw. B.E. Sportel: At risk for social and test anxiety. Who are at risk and how can we help?

Wanneer:wo 29-05-2013 om 14:30

Promotie: mw. B.E. Sportel, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: At risk for social and test anxiety. Who are at risk and how can we help?

Promotor(s): prof.dr. R.B. Minderaa, prof.dr. P.J. de Jong

Faculteit: Medische Wetenschappen

Jongeren met faalangst gebaat bij training

Scholieren die last hebben van faalangst of sociale angst hebben baat bij training: twee jaar na cognitieve gedragstraining in een groep blijken hun faalangstklachten te zijn verminderd. Esther Sportel, die als onderzoeker verbonden was aan Accare, vond dat training de jongeren (12-14 jaar oud) kan leren om anders om te gaan met hun angst voor negatieve beoordeling door anderen.

Bij sociale angst en faalangst staat de angst voor negatieve beoordeling door anderen centraal. Deze angstklachten komen vaak voor in de vroege adolescentie, kunnen een chronisch beloop hebben en kunnen leiden tot sociale isolatie, middelenmisbruik en depressieve klachten. Het is dus van belang om jongeren die risico lopen tijdig op te sporen en te voorkomen dat klachten zich ontwikkelen of verergeren.

Sportel onderzocht twee trainingen gericht op het verminderen van faalangst en sociale angstklachten. Uit een screening van 1800 scholieren op 25 scholen werden 240 scholieren geselecteerd die in enige mate last hadden van faalangst of sociale angst. Zij kregen Cognitieve Bias Modificatie training (CBM), een cognitieve gedragstraining (CGT) in een groep op school, of geen training. De scholieren werden twee jaar gevolgd. CGT bleek effectief in het verminderen van faalangst op korte en lange termijn. Wat betreft sociale angst was er alleen op korte termijn een meerwaarde ten opzichte van de jongeren die geen training kregen. De CBM had een gunstig effect op faalangst op lange termijn. Al met al lijkt het aanbieden van de CGT raadzaam voor het verminderen van faalangstklachten op de middelbare school.

Ook bekeek Sportel factoren die mogelijk bijdragen aan een verhoogd risico op het ontwikkelen van angstklachten, namelijk de temperamentsfactoren aandachtscontrole, gedragsinhibitie en het vecht-vlucht-bevries-systeem. Hoewel deze factoren allemaal samenhangen met angst, bleken angstsymptomen zelf de beste voorspeller voor angst twee jaar later en was er geen unieke bijdrage van de temperamentsfactoren.

Esther Sportel (Veendam, 1976) studeerde Klinische Psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het project PASTA (Project on Adolescent Social and Test Anxiety, zie ook www.projectpasta.nl) voerde zij samen met Eva de Hullu uit (zie ook het persbericht Online training effectief tegen faalangst bij scholieren dat verscheen bij de promotie van Eva de Hullu). Het onderzoek werd gefinancierd door ZonMW Preventie en uitgevoerd bij Accare, het Universitair Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie, in samenwerking met de afdeling Klinische Psychologie van de RUG en in het kader van Onderzoeksschool EPP (Experimentele Psychopathologie). Sportel werkt inmiddels als onderzoeker bij GGZ Drenthe.

Promotie mw. C.M. Woolthuis: The biology of human hematopoietic stem and progenitor cells in acute myeloid leukemia, aging and autologous transplantation

Wanneer:wo 29-05-2013 om 16:15

Promotie: mw. C.M. Woolthuis, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The biology of human hematopoietic stem and progenitor cells in acute myeloid leukemia, aging and autologous transplantation

Promotor(s): prof dr. E. Vellenga, prof.dr. J.J. Schuringa

Faculteit: Medische Wetenschappen

Beenmergcellen functioneren minder goed na transplantatie

Acute myeloïde leukemie (AML) is een zeldzame vorm van kanker in het beenmerg en het bloed die vooral bij ouderen voorkomt. De ziekte ontstaat door een fout in het systeem van bloedaanmaak, het hematopoëtisch systeem, in het beenmerg. Er gaat dan iets mis in de deling van normale bloedstamcellen tot bloedcellen, waardoor de cellen harder gaan delen. Carolien Woolthuis deed onderzoek naar de rol van hematopoëtische stam- en voorlopercellen in het ontstaan van AML.

Woolthuis onderzocht onder andere wat de effecten van normale veroudering zijn op het beenmerg. De resultaten suggereren dat veroudering onder normale omstandigheden weinig invloed heeft op de functie van het beenmerg. In situaties van biologische stress, zoals na chemotherapie of in geval van transplantatie, lijkt veroudering echter wel een belangrijke factor te zijn.

Ook onderzocht Woolthuis de langetermijneffecten van autologe stamceltransplantatie (het terugplaatsen van eigen, gezonde stamcellen uit het beenmerg na chemotherapie) op het beenmerg. Ze ontdekte dat stam- en voorlopercellen in het beenmerg na een transplantatie minder goed functioneren en een verhoogde delingsactiviteit laten zien. Dat verklaart mogelijk waarom de behandelmogelijkheden na een stamceltransplantatie zeer beperkt zijn. Aanvullend onderzoek moet volgens Woolthuis meer aandacht hebben voor de langetermijneffecten van de huidige behandelmethoden.

Carolien Woolthuis (Groningen, 1986) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Experimentele Hematologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en maakte deel uit van onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd onder andere gefinancierd met een JSM Talent Grant van het Ubbo Emmius Fonds, en door de J.K. de Cock Stichting, Stichting Tekke Huizinga Fonds en het UMCG. Woolthuis’ promotie vindt plaats binnen het kader van een MD/PhD-traject van het UMCG.

Promotie mw. I. Miedema: Prognostic factors of functional outcome in acute ischemic stroke

Wanneer:ma 03-06-2013 om 16:15

Promotie: mw. I. Miedema, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Prognostic factors of functional outcome in acute ischemic stroke

Promotor(s): prof.dr. H.P.H. Kremer, prof.dr. J. De Keyser

Faculteit: Medische Wetenschappen

Veiligheid trombolyse verbeteren door betere selectie patiënten

Trombolyse is een behandeling waarbij een stolsel in een bloedvat wordt opgelost door het gebruik van anti-bloedstollingsmiddelen. Irene Miedema deed onderzoek naar veiligheidsaspecten van trombolyse.

Door de ontwikkeling van trombolyse is de zorg aan patiënten met een acuut herseninfarct de afgelopen decennia sterk verbeterd. De behandeling is echter alleen voor een selecte groep beschikbaar en is niet zonder risico’s.

Miedema bestudeerde een groep van ruim 700 patiënten. Zij vond dat trombolyse na drie maanden geen verbeterde klinische uitkomst gaf, wanneer deze patiënten voor het herseninfarct een bepaald soort antidepressivum (SSRI), een cholesterolverlagend middel (statine) of urinezuur gebruikten. De promovenda constateert dat dat ook het geval was wanneer de bloedsuikerspiegel bij aanvang van de behandeling te hoog was. Tot slot ontdekte ze dat behandeling met een vitamine K antagonist (een anti-bloedstollingsmiddel) bij patiënten met een normale of licht verhoogde bloedstollingswaarde leidde tot een verhoogd risico op het ontwikkelen van een hersenbloeding.

Omdat trombolyse nog steeds de eerste keus behandeling is, is het voor de veiligheid van patiënten extra van belang dat artsen daarvoor de juiste patiënten selecteren. Deze uitkomsten kunnen daarbij helpen.

Irene Miedema (Franeker, 1987) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Neurologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Miedema verrichte haar onderzoek tijdens haar aanstelling als arts in opleiding tot specialist (AIOS). Miedema werkt als neuroloog in opleiding bij het UMCG.

Promotie mw. M.L. Hoven-Gondrie: Soft-tissue sarcomas of the extremities: aspects of survival and long-term results of isolated limb perfusion

Wanneer:wo 05-06-2013 om 14:30

Promotie: mw. M.L. Hoven-Gondrie, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Soft-tissue sarcomas of the extremities: aspects of survival and long-term results of isolated limb perfusion

Promotor(s): prof.dr. H.J. Hoekstra, prof.dr. A.J.H. Suurmeijer

Faculteit: Medische Wetenschappen

Ledemaat sparen door intensieve lokale behandeling tumor

De overlevingskansen van patiënten met een kwaadaardig gezwel (sarcoom) in een van de ledematen zijn de afgelopen twintig jaar opvallend stabiel gebleven. Dat ontdekte Miriam Hoven-Gondrie. Zij deed onderzoek naar de overlevingscijfers van jonge en oudere patiënten met zo’n kwaadaardig gezwel. Ook stelde zij vast dat een speciaal soort lokale behandeling ertoe leidt dat driekwart van de patiënten hun ledematen kunnen behouden.

Hoven-Gondrie bestudeerde de gegevens van 3.375 patiënten met een tumor in een ledemaat uit de periode 1989-2008. Ze concludeert dat ondanks toegenomen kennis de overlevingskansen voor de totale groep patiënten de afgelopen twintig jaar niet significant verbeterd zijn. Wel veranderd zijn het stadium waarin mensen zich met een sarcoom melden (steeds eerder) en de behandeling van jongere patiënten (zij ondergaan steeds vaker een gecombineerde, intensieve behandeling).

Tot slot onderzocht Hoven-Gondrie de resultaten van geïsoleerde ledemaatperfusie – een chirurgische ingreep waarbij de doorstroming van het bloed vanuit de ledemaat tijdelijk gestopt wordt om, via buitenlichamelijke circulatie, lokaal een hoge dosis antikanker-medicijnen (TNFα en melphalan) toe te kunnen dienen. Deze methode wordt vaak toegepast in combinatie met chirurgische verwijdering van de tumor en radiotherapie en leidt tot behoud van ledematen bij ruim driekwart van de patiënten.

Om ook oudere patiënten op een verantwoorde manier voor een gecombineerde behandeling in aanmerking te laten komen, zouden zij volgens Hoven-Gondrie vaker verwezen moeten worden naar gespecialiseerde sarcoomcentra.

Miriam Hoven-Gondrie (Sint-Michielsgestel, 1978) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Chirurgische Oncologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hoven-Gondrie werkt als chirurg-oncoloog in de Ziekenhuisgroep Twente.

Promotie mw. J.E. Hartman: Physical activity in patients with chronic obstructive pulmonary disease

Wanneer:wo 05-06-2013 om 16:15

Promotie: mw. J.E. Hartman, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Physical activity in patients with chronic obstructive pulmonary disease

Promotor(s): prof.dr. H.M. Boezen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Betere beweegrichtlijnen nodig voor COPD-patiënt

Bewegen is belangrijk, vooral voor patiënten met chronisch obstructieve longziekte (COPD). Toch zijn COPD-patiënten minder dan gemiddeld lichamelijk actief. Jorine Hartman onderzocht door welke fysieke en psychosociale factoren dat komt. Haar onderzoek levert nuttige informatie op voor het stimuleren van lichamelijke activiteit in deze patiëntenpopulatie.

COPD komt voornamelijk voor bij (ex-)rokers boven de veertig jaar en gaat niet weer over. COPD-patiënten kampen met een chronische ontsteking van de longen. De voornaamste symptomen van de ziekte zijn kortademigheid, hoesten en slijmproductie. Deze symptomen kunnen ervoor zorgen dat patiënten lichamelijke activiteiten gaan vermijden. Genoeg bewegen leidt daarentegen juist tot verminderde kortademigheid, een verbeterde spierfunctie en een betere kwaliteit van leven.

Hartman onderzocht welke factoren voorspellen of COPD-patiënten genoeg bewegen. Longhyperinflatie (waarbij meer lucht wordt in- dan uitgeademd), self-efficacy (het vertrouwen in eigen kunnen) en inspanningsvermogen bleken de belangrijkste onafhankelijke voorspellers van lichamelijke activiteit. Ze ontdekte dat de voorspellers voor mensen met matige COPD niet afwijken van die voor de algemene populatie. Patiënten met (zeer) ernstige COPD worden daarentegen wel degelijk gehinderd door fysieke, COPD-specifieke factoren.

De promovenda stelt dat lichamelijke activiteit een belangrijk behandeldoel van COPD-patiënten zou moeten zijn. Er moeten volgens haar meer praktische beweegrichtlijnen komen voor fysiotherapeuten en andere behandelaars van COPD-patiënten die onvoldoende bewegen.

Jorine Hartman (Emmeloord, 1982) studeerde bewegingswetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen en fysiotherapie aan de Hanzehogeschool Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Longziekten van het Universitair Medisch Centrum Groningen, in samenwerking met de afdelingen Epidemiologie en Bewegingswetenschappen. Het onderzoek werd gefinancierd door het Longfonds en door Boehringer Ingelheim bv. Hartman is werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker op de afdeling Longziekten van het UMCG.

Promotie mw. N.M. Vink: The role of stress in the etiology of asthma

Wanneer:ma 10-06-2013 om 12:45

Promotie: mw. N.M. Vink, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The role of stress in the etiology of asthma

Promotor(s): prof.dr. H.M. Boezen, prof.dr. J.G.M. Rosmalen, prof.dr. D.S. Postma

Faculteit: Medische Wetenschappen

Stress vergroot kans op ontwikkeling astma

Kinderen die rondom de geboorte of in de eerste vier levensjaren blootgesteld zijn aan stress hebben een grotere kans om voor hun zestiende levensjaar astma te ontwikkelen. Dat concludeert Nienke Vink in een onderzoek naar de recente toename van het aantal mensen met astma.

Astma is een chronische ontsteking van de luchtwegen en longen. Of iemand astma ontwikkelt, hangt af van genetische factoren en omgevingsfactoren, bijvoorbeeld de blootstelling aan sigarettenrook en huisstofmijt. Toch kunnen die factoren de toename van het aantal mensen met astma niet helemaal verklaren. Vink ontdekte een nieuwe risicofactor: blootstelling aan psychosociale stress.

De promovenda maakte voor haar onderzoek gebruik van de gegevens van onderzoeksproject TRAILS, waarin 2.230 jongeren van hun tiende tot hun vijfentwintigste jaar gevolgd worden. Het meemaken van een stressvolle gebeurtenis in de eerste vier jaar, zoals het overlijden van een familielid of de scheiding van de ouders, bleek vaker tot het ontwikkelen van astma te leiden. Een deel van het effect van stress rondom de geboorte op het ontwikkelen van astma kan volgens Vink echter verklaard worden door het roken van de moeder tijdens de zwangerschap.

Vink concludeert dat psychosociale stress een duidelijke risicofactor is voor het ontwikkelen van astma. Welke mechanismen daarbij een rol spelen, is echter nog grotendeels onduidelijk.

Nienke Vink (Hengelo, 1979) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Epidemiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen, en maakte deel uit van onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek hoort bij onderzoeksproject TRAILS en werd gefinancierd door het Astmafonds. Vink is werkzaam als arts infectiebestrijding in opleiding bij de GGD Twente.

Promotie mw. M.J.M. Gooden: Immunologic aspects of ovarian cancer

Wanneer:ma 10-06-2013 om 16:15

Promotie: mw. M.J.M. Gooden, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Immunologic aspects of ovarian cancer

Promotor(s): prof.dr. H.W. Nijman, prof.dr. C.A.H.H. Daemen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Eierstokkanker met eigen afweersysteem bestrijden

Kankercellen wijken op verschillende punten af van gezonde lichaamscellen. Immuuncellen zijn in staat om kankercellen te herkennen, en kunnen daardoor mogelijk helpen bij het bestrijden van tumoren. Marloes Gooden deed onderzoek naar de afweerreactie tegen eierstokkanker. De resultaten geven aanknopingspunten voor de ontwikkeling van immuuntherapeutische behandelingen.

T-lymfocyten zijn afweercellen die een sleutelrol spelen in de immuunreactie op kankercellen. Gooden onderzocht de wisselwerking tussen deze T-lymfocyten en de tumorcellen. Ze ging onder andere na welke en hoeveel van die T-cellen voorkwamen in de tumoren van meer dan driehonderd eierstokkankerpatiënten.

Ze vond dat de aanwezigheid van een bepaald soort kankervernietigende T-cel in het tumorweefsel, cytotoxische T-lymfocyten, een sterke voorspeller is van langere overleving. De promovenda stelt verder dat de tumor op verschillende manieren in staat is om deze kankervernietigende cellen te weren. Zo bestaan er regulatoire T-cellen, die in staat zijn de cytotoxische T-lymfocyten te remmen. Daarnaast kan de tumor zich onzichtbaar maken voor cytotoxische T-lymfocyten, of deze actief remmen door een bepaald eiwit op de oppervlakte van tumorcellen, genaamd HLA-E.

Tot slot stelde Gooden vast dat ook een bepaald eiwit in het bloed, sCXLCL16, juist een voorspeller is van een slechte prognose. Het eiwit weerspiegelt namelijk de activiteit van sommige tumorgroei-bevorderende enzymen. Omdat de activiteit van die enzymen niet goed gemeten kan worden, kan de ontdekking van het eiwit helpen bij het identificeren van patiënten met een slechte prognose.

Marloes Gooden (Meppel, 1984) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdelingen Obstetrie, Gynaecologie en Chirurgie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd als MD/PhD-traject (Junior Scientific Masterclass) door het UMCG. Gooden werkt als arts-assistent in verpleeghuis De Horst in Emmen.

Promotie dhr. T. Klok: Determinants of adherence to inhaled corticosteroids in children with asthma

Wanneer:wo 12-06-2013 om 11:00

Promotie: dhr. T. Klok, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Determinants of adherence to inhaled corticosteroids in children with asthma

Promotor(s): prof.dr. P.L.P. Brand, prof.dr. A.A. Kaptein, prof.dr. E.J. Duiverman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Kind met astma krijgt vaak niet de zorg die het verdient

Promotie dhr. M. Bragaru: Sports and amputation

Wanneer:wo 12-06-2013 om 12:45

Promotie: dhr. M. Bragaru, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Sports and amputation

Promotor(s): prof. dr. J.H.B. Geertzen, prof.dr. P.U. Dijkstra

Faculteit: Medische Wetenschappen

Sport vast onderdeel maken van revalidatieprogramma na amputatie

Slechts 15% van de mensen met een beenamputatie en 57% van de mensen met een armamputatie sport meer dan vier uur per maand. Dat ontdekte Mihai Bragaru in een onderzoek naar de invloed van sportdeelname op mensen met een amputatie. Zijn conclusie: mensen moeten al in het begin van een revalidatieproces een persoonlijk sportadvies krijgen, afgestemd op persoonlijke belemmeringen en stimulansen.

Het aantal mensen dat een ledemaat moet missen door diabetes of hart- en vaatziekten neemt toe. Ook na een amputatie blijft voldoende bewegen belangrijk. Maar er is weinig bekend over de invloed van sporten na een amputatie. Bragaru bracht daarom eerst bestaande literatuur in kaart en ging vervolgens na welke kennislacunes er bestaan. Hij concludeert in dit verband bijvoorbeeld dat het aanbod van sportprotheses is toegenomen, maar dat er weinig systematische kennis over deze hulpmiddelen bestaat. Specialisten kiezen daardoor protheses op basis van persoonlijke voorkeur, niet op basis van vakliteratuur.

Vervolgens voerde de promovendus een aantal praktijkstudies uit om de gaten te vullen. Hij legde daarvoor twee vragenlijsten voor aan mensen die een arm of been moeten missen. Van de eerste doelgroep reageerden 175, van de tweede 780 mensen. Het blijkt dat vooral de stimulans van vrienden en familie helpt om voldoende te sporten. Bragaru concludeert dat het ook de taak van specialisten is om patiënten te wijzen op de psychosociale voordelen van sport.

Mihai Bragaru (Roemenië, 1980) studeerde Medical Bioengineering aan de Universiteit van Iasi, Roemenië. Hij verrichtte zijn onderzoek bij het Centrum voor Revalidatie, afdeling Revalidatie, van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Bragaru maakte deel uit van onderzoeksinstituut SHARE. Het onderzoek werd gefinancierd door het Ubbo Emmiusfonds. Bragaru werkt als onderzoeker op de afdeling Revalidatie van het UMCG.

Promotie mw. M. van der Velde: Renal risk markers and patient prognosis in chronic kidney disease

Wanneer:wo 12-06-2013 om 14:30

Promotie: mw. M. van der Velde, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Renal risk markers and patient prognosis in chronic kidney disease

Promotor(s): prof.dr. P.E. de Jong

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Meten albumine in urine spoort chronische nierschade vroegtijdig op

Promotie mw. A. Klooster: Thiamine, fasting and the kidney

Wanneer:wo 12-06-2013 om 16:15

Promotie: mw. A. Klooster, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Thiamine, fasting and the kidney

Promotor(s): prof.dr. H. van Goor

Faculteit: Medische Wetenschappen

Vasten verkleint mogelijk kans op nierfalen na transplantatie

Niet voldoende vitamine B1 (thiamine), maar gewichtsverlies en verminderde voedselinname hebben mogelijk een beschermend effect op de nieren na een niertransplantatie. Dat constateert Astrid Klooster, die onderzoek deed naar het verband tussen een gebrek aan vitamine B1, vasten en het functioneren van de nier na een transplantatie.

Vitamine B1 is cruciaal voor de energievoorziening van het lichaam. Klooster onderzocht de hypothese dat een gebrek aan deze vitamine leidt tot acute schade aan de nierbuisjes en daardoor tot een vertraagd beginnen te functioneren van de nier na een transplantatie. Ze ontdekte dat er geen één-op-één verband te leggen is tussen een tekort aan vitamine B1 en de schade aan weefsels na een transplantatie. Wanneer het gebrek aan vitamine B1 echter ernstiger was en er hierdoor sprake was van een verminderde voedselinname en gewichtsverlies, trad wel een onverwacht beschermend effect op.

De promovenda ging vervolgens na of vasten voor een niertransplantatie inderdaad tot minder nierschade na de operatie zou leiden. Dat effect kon niet worden aangetoond. Wel bleek dat een hogere concentratie vrije vetzuren en malondialdehyde (een stof in het bloed die wordt gevormd bij oxidatieve stress) de kans op nierfalen verkleinde. Vasten verhoogt de concentratie van deze stoffen. Deze bevindingen moeten nog verder onderzocht worden.

Astrid Klooster (Winschoten, 1985) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdelingen Pathologie, Nefrologie en Chirurgie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en maakte deel uit van onderzoeksinstituut GUIDE. Haar onderzoek valt gedeeltelijk binnen het Groningen Research Institute for Kidney Diseases (GIKD) en het Institute for Transplantation, Immunology and Inflammation (TRIO) en werd onder andere gefinancierd door de Nederlandse Nierstichting. Klooster is in opleiding tot patholoog in het UMCG.

Promotie mw. M.H.C. Theunissen: The early detection of psychosocial problems in children aged 0 to 6 years by Dutch preventive child healthcare. Professionals and their tools

Wanneer:ma 17-06-2013 om 11:00

Promotie: mw. M.H.C. Theunissen, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The early detection of psychosocial problems in children aged 0 to 6 years by Dutch preventive child healthcare. Professionals and their tools

Promotor(s): prof.dr. S.A. Reijneveld

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht: Psychosociale problemen op 2-4 jarige leeftijd beter op te sporen met vragenlijsten

Promotie mw. I. Arends: Prevention of recurrent sickness absence in workers with common mental disorders

Wanneer:ma 17-06-2013 om 12:45

Promotie: mw. I. Arends, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Prevention of recurrent sickness absence in workers with common mental disorders

Promotor(s): prof.dr. J.J.L. van der Klink, prof.dr. U. Bültmann

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuwe begeleidingsmethode verkleint kans op terugval na verzuim

Mensen die na afwezigheid door psychische problemen terugkeren op het werk, krijgen vaak te maken met een terugval – met nieuw verzuim tot gevolg. Iris Arends ontwikkelde een probleemoplossingsgerichte begeleidingsmethodiek. Zij concludeert dat met haar methode de kans op terugval naar verzuim over een periode van één jaar met 60% verkleind wordt.

Ongeveer 30% van al het verzuim en arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door veelvoorkomende psychische problemen. Arends stelt dat de aandacht voor psychische problematiek onder werknemers zich vooral richt op re-integratie. Volgens haar is ook gestructureerde begeleiding van mensen die weer aan het werk zijn van groot belang om terugval naar verzuim (zonder begeleiding zo’n 20 tot 30%) te voorkomen.

De promovenda ontwikkelde de SHARP-at work methode (Stimulating Healthy participation And Relapse Prevention, een vijf-stappenmethode om problemen op het werk in kaart te brengen en op te lossen) en liet deze uitvoeren door bedrijfsartsen. De methode werd door de artsen bij 80 mensen ingezet, de resultaten werden vergeleken met een controlegroep van 78 mensen.

Arends concludeert dat het verzuim in de eerste groep 60% lager was dan in de controlegroep. Wanneer er wel sprake was van een terugval, dan vond deze in de eerste groep gemiddeld 100 dagen later plaats dan in de controlegroep. De methode kan volgens haar in de praktijk toegepast worden wanneer er goede afspraken gemaakt worden tussen bedrijfsartsen en werkgevers.

Iris Arends studeerde Psychologie aan de universiteit van Leuven (België). Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Gezondheidswetenschappen (sectie Sociale Geneeskunde) van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Arends maakte deel uit van onderzoeksinstituut SHARE. Het onderzoek werd gefinancierd door Stichting Instituut Gak en maakte deel uit van het onderzoeksprogramma “Preventieve Bedrijfsgezondheidszorg”.

Promotie mw. W. Annema: Understanding HDL function. Studies in preclinical models and patients

Wanneer:ma 17-06-2013 om 14:30

Promotie: mw. W. Annema, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Understanding HDL function. Studies in preclinical models and patients

Promotor(s): prof.dr. U.J.F. Tietge

Faculteit: Medische Wetenschappen

HDL-functie draagt mogelijk bij aan het risico op hart- en vaatziekten

Slecht werkende High-density lipoproteïne (HDL) draagt mogelijk bij aan het risico op hart- en vaatziekten. Dat concludeert Wijtske Annema, die onderzoek deed naar de relatie tussen HDL-functie en hart- en vaatziekten.

HDL wordt over het algemeen gezien als het goede cholesterol in het lichaam. Des te hoger de hoeveelheid HDL in het bloed, des te lager het risico op hart- en vaatziekten. Recent onderzoek laat zien dat niet alleen de hoeveelheid HDL belangrijk is, maar ook de functie van het HDL. In een gecompliceerd proces, genaamd Reverse Cholesterol Transport (RCT), helpt HDL om cholesterol uit de weefsels via het plasma naar de lever te sturen, waarna het via de ontlasting het lichaam kan verlaten. Dit proces werkt mogelijk niet goed bij mensen met hart- en vaatziekten. Er is evenwel nog veel onduidelijk over de rol die HDL-functie precies speelt in hart- en vaatziekten.

Annema ontdekte onder andere dat het proces van RCT minder goed werkt in het geval van een acute ontstekingsreactie en type-1 diabetes. Ook vond ze dat het HDL van mensen met een hartinfarct minder goed functioneert. Niettemin bleek HDL-functie niet het risico op toekomstige sterfte door hart- en vaatziekten te kunnen voorspellen. De promovenda concludeert dat HDL-functie meer informatie kan geven dan cholesterolwaardes, maar dat er grootschaliger bevolkingsonderzoek nodig is naar het verband tussen HDL-functie en ziekte.

Wijtske Annema (Dantumadeel, 1982) studeerde Biomedische Wetenschappen aan de Radboud Universiteit van Nijmegen. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Kindergeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd gefinancierd door het Top Institute Food and Nutrition, Wageningen. Annema werkt als onderzoeker bij het Institut Klinische Chemie van het UniversitätsSpital Zürich, Zwitserland.

Oratie dhr. prof.dr. A.W. Friedrich: From Fibonacci to Dynamic Networks: art and science of maintaining health in a connected life

Wanneer:di 18-06-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. A.W. Friedrich, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: From Fibonacci to Dynamic Networks: art and science of maintaining health in a connected life

Leeropdracht: Medische microbiologie

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie mw. H. Liu: Improvement of influenza vaccines by using a saponin-derived adjuvant

Wanneer:wo 19-06-2013 om 11:00

Promotie: mw. H. Liu, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Improvement of influenza vaccines by using a saponin-derived adjuvant

Promotor(s): prof.dr. A.L.W. Huckriede, prof.dr. J.C. Wilschut

Faculteit: Medische Wetenschappen

Hulpstof maakt griepvaccin beter en sterker

De hulpstof GPI-0100 zorgt ervoor dat griepvaccins een sterkere en kwalitatief betere immuunrespons oproepen. Die vaccins bieden daardoor een betere bescherming tegen griep. Ook kan de dosis omlaag, waardoor er met dezelfde hoeveelheid vaccin meer mensen ingeënt kunnen worden. Dat concludeert Heng Liu. Zij deed preklinisch onderzoek naar het verbeteren van de effectiviteit van griepvaccins.

Griepepidemieën hebben een grote sociale en economische impact. Liu stelt dat de huidige griepvaccins een redelijk goede bescherming bieden aan gezonde volwassenen, maar dat ze onvoldoende effectief zijn voor kwetsbare groepen zoals kinderen en ouderen. Zij ontdekte dat de vaccins beter werken door het toevoegen van de hulpstof GPI-0100 – een zeepachtige stof van de schors van de zeepschorsboom. Het vaccin met de hulpstof riep in preklinisch onderzoek een sterkere afweerreactie op dan het vaccin zonder hulpstof. De dosis kan daardoor omlaag, wat bij het uitbreken van pandemieën gunstig kan zijn.

De promovendus ontdekte verder dat de werkzaamheid van de hulpstof nog verder verbeterd kan worden door gebruik te maken van een optimale vaccinsamenstelling en te kiezen voor een geschikte plaats van toediening (in de longen in plaats van in de spieren). Deze preklinische resultaten moeten nog verder onderzocht worden.

Heng Liu (Taiwan, 1982) studeerde aan de National Taiwan University en aan de University of Oxford, Groot-Brittannië. Zij verrichtte haar onderzoek bij de afdeling Medische Microbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen, sectie Moleculaire Virologie. Liu participeerde in onderzoeksinstituut GUIDE. Haar onderzoek valt binnen het raamwerk van onderzoekscentrum NIVAREC (Netherlands Influenza Vaccine Research Centre) en werd gefinancierd door ZonMw en het UMCG.

Promotie dhr. W. Jorritsma: Disability in patients with chronic neck pain. The clinimetric properties of instruments

Wanneer:wo 19-06-2013 om 12:45

Promotie: dhr. W. Jorritsma, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Disability in patients with chronic neck pain. The clinimetric properties of instruments

Promotor(s): prof.dr. J.H.B. Geertzen, prof.dr. M.F. Reneman, prof.dr. P.U. Dijkstra

Faculteit: Medische Wetenschappen

Beperkingen patiënten met chronische nekpijn beter in kaart brengen

Maar liefst een derde van de patiënten met chronische nekpijn die aan een multidisciplinair pijnrevalidatieprogramma begint valt af. Van de patiënten die het programma wél afmaken geeft zestig procent aan helemaal of grotendeels hersteld te zijn. Dat stelde Wim Jorritsma vast in een onderzoek naar hoe de beperkingen van patiënten met chronische nekpijn gemeten kunnen worden.

Chronische nekpijn komt veel voor en kan leiden tot ernstige beperkingen in de dagelijkse bezigheden of op het werk. Bij het merendeel van de patiënten kan geen specifieke onderliggende aandoening worden geconstateerd. Wim Jorritsma deed onderzoek naar de betrouwbaarheid van veelgebruikte nekpijnvragenlijsten, de Neck Disability Index (NDI) en de Neck Pain and Disability Scale (NPAD). Die laatste lijst liet hij voor dit onderzoek in het Nederlands vertalen.

Jorritsma liet 34 patiënten met chronische nekpijn beide lijsten invullen om de onderlinge overeenstemming te bepalen. Om de geldigheid van beide lijsten nader te bepalen, deed hij vervolgonderzoek bij 111 patiënten van een universitaire revalidatiekliniek, die de lijsten voor en na hun behandeling invulden. Hij concludeert dat beide lijsten een goed beeld geven van zelfgerapporteerde nekpijngerelateerde beperkingen, maar dat de Neck Disability Index (NDI) de beste klinimetrische eigenschappen heeft.

Wim Jorritsma (Lochem, 1947) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, manuele therapie in Utrecht en manuele geneeskunde in Eindhoven. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Centrum voor Revalidatie en het Ontwikkelcentrum Pijnrevalidatie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zijn onderzoek maakte deel uit van onderzoeksproject EXPAND. Jorritsma is gepensioneerd. Hij werkt in zijn eigen praktijk Manuele Geneeskunde en – op invalbasis – in het Centrum voor Revalidatie, locatie Beatrixoord.

Promotie dhr. J.A. Stigt: Thoracic masses. From chest radiography and ultrasound guided biopsies to molecular biology

Wanneer:wo 19-06-2013 om 14:30

Promotie: dhr. J.A. Stigt, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Thoracic masses. From chest radiography and ultrasound guided biopsies to molecular biology

Promotor(s): prof.dr. H.J.M. Groen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Snelle diagnose bij verdenking op longkanker

Voor patiënten met een foto die mogelijk wijst op longkanker, is een eendaags diagnoseprogramma opgezet. Longarts Jos Stigt, werkzaam in de Isala Klinieken in Zwolle, ontwikkelde en evalueerde het programma. Bij 85% van de patiënten met kanker konden alle onderzoeken voor de diagnose en het tumorstadium op de diagnosedag worden afgerond. Over het algemeen kon dan binnen een week het behandelplan met de patiënten worden besproken.

Stigt concludeert dat de diagnose longkanker met een standaard diagnoseprogramma op een efficiënte manier kan worden vastgesteld en met een zeer korte wachttijd. In de ochtend wordt een PET-CT scan gemaakt. Afhankelijk van de resultaten worden in de middag aanvullende onderzoeken gedaan. Gestreefd wordt naar het stellen van de diagnose en het stadium van de kanker met behulp van een onderzoek.

Stigt noemt een aantal voorwaarden voor het efficiënt werken van een diagnostisch dagprogramma. Dit zijn een goede patiëntselectie, een protocol of werkplan, de aanwezigheid van het complete scala aan moderne diagnostische technieken en artsen die de resultaten kunnen interpreteren en met de patiënt bespreken.

Behalve de snelheid van diagnostiek zijn er volgens Stigt ook nog andere voordelen. De patiënt hoeft niet naar verschillende ziekenhuizen voor verschillende onderzoeken. Vaak wordt bij deze patiënten routinematig een als belastend ervaren bronchoscopie uitgevoerd, maar dit blijkt bij veel patiënten overbodig omdat de informatie ook verkregen kan worden met bijvoorbeeld een punctie. Het onderzoek van Stigt illustreert duidelijk het voordeel voor patiënten als alle diagnostiek onder een ziekenhuisdak aanwezig is.

Jos Stigt (Rotterdam, 1962) studeerde geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij werkt als longarts in de Isala Klinieken in Zwolle en voerde daar ook het onderzoek uit. In het onderzoek kwamen meerdere aspecten en toepassingen van moderne diagnostiek naar zowel goed- als kwaadaardige tumoren in de borstkas aan de orde. Voor een deel van het onderzoek is financiering verkregen van AstraZeneca.

Promotie dhr. K.P. Wevers: Progression in melanoma considerations and implications in dissecting nodal fields

Wanneer:wo 19-06-2013 om 16:15

Promotie: dhr. K.P. Wevers, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Progression in melanoma considerations and implications in dissecting nodal fields

Promotor (s): prof.dr. H.J. Hoekstra

Faculteit: Medische Wetenschappen

Betere behandeling bij huidkanker met uitzaaiingen in lymfeklieren

De behandeling van patiënten met naar de lymfeklier uitgezaaide huidkanker (melanoom) kan beter en meer op maat door naar bepaalde patiënt- en tumorkenmerken te kijken. Arts-onderzoeker Kevin Wevers van de afdeling Chirurgische Oncologie van het UMCG deed onderzoek naar lymfeklieroperaties bij melanoompatiënten met voelbare lymfeklieruitzaaiingen of een positieve schildwachtklier.

Het melanoom is een van de snelst opkomende kankersoorten in de westerse wereld. In Nederland is het aantal mensen met deze vorm van huidkanker ruim verdubbeld in de laatste 20 jaar en naar schatting wordt de diagnose in 2013 bij ongeveer 5000 mensen gesteld. Eén op de 5 melanoompatiënten heeft een voelbare lymfeklieruitzaaiing of een positieve schildwachtklier, wat een reden is om het hele lymfeklierpakket operatief te verwijderen. Patiënten krijgen nogal eens complicaties zoals wondproblemen, vooral als de lymfeklier in de lies is weggehaald.

Wevers beschrijft in zijn proefschrift dat door te kijken naar de locatie (hals, oksel, of lies) van de lymfeklieruitzaaiing en de hoogte van de marker S-100B in het bloed de levensverwachting beter wordt ingeschat. Dit maakt een nauwkeuriger selectie mogelijk van patiënten voor aanvullende behandeling met nieuwe medicijnen. Het onderzoek draagt bij aan het optimaliseren van de chirurgische behandeling en de verbetering van de overleving voor melanoompatiënten met lymfeklieruitzaaiingen.

Kevin Wevers (Nijmegen, 1985) studeerde geneeskunde aan Rijksuniversiteit Groningen. Hij voerde zijn onderzoek uit bij Chirurgische Oncologie van de afdeling Chirurgie in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Wevers is nu werkzaam als arts in opleiding tot chirurg in het Medisch Centrum Leeuwarden.

Promotie mw. D. Bobáková: Youth subcultures and problem behaviours in Slovakia. Hip-hop, techno-scene, metal, punk, skinheads, and Roma

Wanneer:ma 24-06-2013 om 12:45

Promotie: mw. D. Bobáková, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Youth subcultures and problem behaviours in Slovakia. Hip-hop, techno-scene, metal, punk, skinheads, and Roma

Promotor(s): prof.dr. S.A. Reijneveld

Faculteit: Medische Wetenschappen

Jeugdsubcultuur heeft negatieve invloed op latere gezondheid

Jongeren die deel uitmaken van jeugdsubculturen als hip-hop, techno-scene, metal, punk en skinheads, gebruiken vaker drugs, zijn vaker dronken, spijbelen vaker en beginnen eerder aan seks. Roma-jongeren zijn minder vaak dronken. Dat concludeert Daniela Bobáková op basis van een onderzoek onder deze jeugdsubculturen in Slowakije. De resultaten geven ook inzicht in te verwachten gezondheidsproblemen op latere leeftijd.

Bobáková stelt dat er nauwelijks onderzoek is gedaan naar de relatie tussen jeugdsubculturen en gedrag dat schadelijk is voor de gezondheid. Het weinige onderzoek dat er is, beperkt zich tot de jongste groep adolescenten. Bobáková verzamelde gegevens onder een groep van 1605 Slowaakse jongeren. Bijna de helft classificeert zichzelf als behorend tot één van de geselecteerde jeugdsubculturen.

De promovenda ging vervolgens na wat het verband is tussen deze subculturen en probleemgedrag (drugs- en alcoholgebruik, vechten, spijbelen, lagere schoolprestaties en vroege seksuele initiatie). Ook onderzocht ze de invloed op het gedrag van vrienden en ouders. Ze concludeert onder andere dat er een significant verband bestaat tussen het horen bij een subcultuur en het gebruik van alcohol en drugs (meestal cannabis). Het probleemgedrag is deels te wijten aan weinig toezicht van de ouders. Een uitzondering hierop vormen de Roma, waar het ouderlijk toezicht juist sterker bleek.

Daniela Bobáková (Košice, 1984) studeerde Social Work aan de universiteit van Presov. Zij verrichtte haar onderzoek bij het Institute of Public Health (Safarik Universiteit, Košice, Slowakije) in een samenwerkingsverband tussen de Safarik University en de afdeling Sociale Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd onder andere gefinancierd door de Slovak Research and Development Support Agency.

Promotie mw. K. Rosicová: Regional mortality in Slovakia: socioeconomic indicators and ethnicity

Wanneer:ma 24-06-2013 om 14:30

Promotie: mw. K. Rosicová, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Regional mortality in Slovakia: socioeconomic indicators and ethnicity

Promotor(s): prof.dr. J.W. Groothoff

Faculteit: Medische Wetenschappen

Regionale sterfteverschillen in Slowakije in kaart gebracht

Regionale verschillen in sterfte in Slowakije zouden de socio-economische en etnische verschillen tussen regio's kunnen weerspiegelen. Katarína Rosičová onderzocht de bijdrage van socio-economische indicatoren en het aandeel van de Roma-minderheid aan regionale sterfteverschillen naar leeftijd en geslacht.

Rosičová stelt vast dat socio-economische indicatoren, zoals onderwijs, werkloosheid en armoede, aanzienlijk bijdragen aan de regionale sterfteverschillen in Slowakije. De mannelijke bevolking lijkt kwetsbaarder voor dit effect, vooral bij sterfte die verband houdt met alcoholgebruik en bij werkloosheid.

Een belangrijke risicogroep voor vroegtijdige sterfte zijn de Roma die leven in nederzettingen. Voor sterfte in de eerste week na de geboorte en zuigelingensterfte is het percentage Roma de sterkste voorspeller van regionale verschillen. Onder volwassenen in de twee grootste steden van Slowakije is het percentage Roma ook de grootste voorspeller van sterfteverschillen. Het percentage mensen met een uitkering was de belangrijkste economische indicator voor sterfte voor beide geslachten in de districten en in twee tijdsperiodes die Rosičová onderzocht, 1997-1998 en 2007-2008.

Rosičová stelt beleidsmaatregelen voor de verdere economische ontwikkeling van het land voor. Die zouden gericht moeten zijn op het terugdringen van sociaal-economische ongelijkheid en het aanpakken van de gezondheidsbehoeften van de meest achtergestelde groepen en gebieden. Zij pleit ook voor speciale aandacht voor de risicobevolking - vooral in de in Roma-nederzettingen - en implementatie van succesvolle strategieën en instrumenten (bijvoorbeeld de Roma mediator).

Katarína Rosičová (Bardejov, Slowakije, 1978) studeerde Geografie en Cartografie, met specialisatie Demografie en Demogeografie aan de Comenius Universiteit van Bratislava in Slowakije. Zij voerde haar onderzoek uit bij de Afdeling Gezondheidspsychologie en de Graduate School Kosice Institute for Society and Health van de Safarik Universiteit in Kosice, Slowakije. De Faculteit heeft een langlopende onderzoekssamenwerking met de Afdeling Gezondheidswetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG).

Promotie dhr. J.M. Hallegraeff: Common musculoskeletal disorders in primary care physiotherapy: assessment and intervention. Acute low back pain and nocturnal leg cramps

Wanneer:ma 24-06-2013 om 16:15

Promotie: dhr. J.M. Hallegraeff, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Common musculoskeletal disorders in primary care physiotherapy: assessment and intervention. Acute low back pain and nocturnal leg cramps

Promotor(s): prof.dr. C.P. van der Schans

Faculteit: Medische Wetenschappen

Patiënten met lage rugpijn gebaat bij vertrouwen in herstel

Een patiënt met acute lage rugpijn die weinig hoopvol is over zijn herstel heeft tweemaal zoveel kans dat zijn klachten chronisch worden dan een patiënt die zulke negatieve verwachtingen niet heeft. Dit is een van de bevindingen van Hank Hallegraeff, die onderzoeker, fysiotherapeutisch behandelaar en docent is bij de ‘Stichting Opleiding Musculoskeletale Therapie’ (SOMT) in Amersfoort.

Hallegraeff constateert een spanningsveld tussen enerzijds de hulpvraag van de patiënt bij acute lage rugpijn, en anderzijds de richtlijn die een afwachtend beleid adviseert. Hij onderzocht verwachtingen over herstel en de pijnbeleving van patiënten omdat dit belangrijke factoren zijn om te kunnen inschatten welke patiënten meer kans hebben dat de lage rugpijn chronisch wordt. De pijnbeleving geeft richting aan de manier waarop de patiënt met klachten omgaat (copingstijl). Een passieve of inadequate copingstijl is een risicofactor voor het ontstaan van chronische lage rugpijn. Hallegraeff stelde vast dat de IPQ-B vragenlijst een betrouwbaar instrument is om de pijnbeleving te meten bij patiënten met acute lage rugpijn.

Ook voerde Hallegraeff een studie uit om behandeleffecten van lage rugpijn te vergelijken. Hij vergeleek het effect van manuele therapie in het acute stadium (minder dan 16 dagen last en met weinig uitstraling) met de standaard fysiotherapeutische zorg volgens de richtlijn. Manuele therapie geeft een sterkere afname in beperking van activiteiten dan fysiotherapeutische behandeling.

Hank Hallegraeff (Haarlem, 1955) is opgeleid tot fysiotherapeut, manueel therapeut en klinisch epidemioloog. Hij verrichtte zijn onderzoek bij het Lectoraat Transparante Zorgverlening Hanzehogeschool Groningen in samenwerking met Onderzoeksinstituut SHARE van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Hij is werkzaam als onderzoeker, behandelaar en is tevens docent bij ‘Stichting Opleiding Musculoskeletale Therapie’ (SOMT) in Amersfoort.

Promotie mw. A. Sijtsma: Physical activity and overweight in young children

Wanneer:di 25-06-2013 om 11:00

Promotie: mw. A. Sijtsma, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Physical activity and overweight in young children

Promotor(s): prof.dr. P.J.J. Sauer, prof.dr. R.P. Stolk

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht: Jonge kinderen hebben minder calorieën nodig dan gedacht

Promotie dhr. V.M. van Deursen: Comorbidity in heart failure

Wanneer:wo 26-06-2013 om 12:45

Promotie: dhr. V.M. van Deursen, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Comorbidity in heart failure

Promotor(s): prof.dr. A.A. Voors, prof.dr. D.J. van Veldhuisen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Mensen met hartfalen hebben vaker bijkomende ziekten dan leeftijdsgenoten

Mensen met hartfalen hebben vrijwel altijd bijkomende ziekten, zoals diabetes of nier- en leverfunctiestoornissen. Hoe erger het hartfalen, hoe hoger het aantal bijkomende ziektes (comorbiditeiten) en des te slechter de prognose. Dat concludeert Vincent van Deursen. Hij deed onderzoek naar de prevalentie, mechanismen achter, en prognose van bijkomende ziekten bij patiënten met hartfalen.

Hartfalen gaat gepaard met het vasthouden van vocht, kortademigheid en een verminderde conditie. Maar ook met bijkomende ziekten, zo laat steeds meer onderzoek zien. Van Deursen ging eerst na welke bijkomende ziekten zoal voorkomen onder meer dan 3000 Europese patiënten met chronisch hartfalen. Hij ontdekte dat de meeste patiënten een bijkomende ziekte hadden en dat het aantal comorbiditeiten toenam met de ernst van het hartfalen.

In een aantal vervolgstudies ging Van Deursen na wat de wisselwerking was tussen de aangetroffen comorbiditeiten (nier- en leverfunctiestoornissen, diabetes, depressie en beroerte) en hartfalen. De promovendus concludeert onder andere dat er een relatie bestaat tussen de verstoorde bloedsomloop van hartpatiënten en nierfunctiestoornissen. Wanneer het hart niet voldoende bloed kan rondpompen naar de organen, neemt de druk in de centrale aders toe, met vochtophopingen tot gevolg. Van Deursen concludeert dat hartminuutvolume en een verhoogde druk in de centrale aders twee belangrijke voorspellers zijn van nierfunctiestoornissen.

Vincent van Deursen (Leeuwarden, 1986) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek bij de afdeling Cardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek maakt deel uit van een onderzoekslijn over hartfalen. Van Deursen participeerde in onderzoeksinstituut GUIDE en begint aansluitend aan zijn promotie aan de opleiding tot cardioloog aan het UMCG.

Promotie mw. C.A.I. Stramrood: Posttraumatic stress following pregnancy and childbirth

Wanneer:wo 26-06-2013 om 14:30

Promotie: mw. C.A.I. Stramrood, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Posttraumatic stress following pregnancy and childbirth

Promotor(s): prof.dr. W.C.M. Weijmar Schultz, prof.dr. A.J.J.M. Vingerhoets, prof.dr. P.P. van den Berg

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht: Meer dan 2000 vrouwen ontwikkelen elk jaar PTSS na de bevalling

Promotie mw. N.K.S. de Vries: Early motor repertoire of infants at risk

Wanneer:wo 26-06-2013 om 16:15

Promotie: mw. N.K.S. de Vries, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Early motor repertoire of infants at risk

Promotor(s): prof.dr. A.F. Bos

Faculteit: Medische Wetenschappen

Spontane bewegingen pasgeboren baby’s voorspellend voor neurologische ontwikkeling

Spontane bewegingen van baby’s, vanaf de geboorte tot aan de leeftijd van 4-5 maanden, zeggen iets over de hersenfunctie van dat moment en zijn een indicatie voor de neurologische ontwikkeling. Nathalie de Vries stelt vast dat bij te vroeg geboren kinderen met tenminste één normale spontane bewegingsscore in de eerste 2 levensweken, de kans op een normale neurologische uitkomst hoog was.

De Vries beoordeelde de kwaliteit van spontane bewegingen in verschillende groepen pasgeborenen. Ze vond dat zowel gezonde, op tijd geboren kinderen, als te vroeg geboren kinderen in de eerste levensdagen vaak abnormale spontane bewegingsscores hebben. Bij gezonde, op tijd geboren kinderen normaliseert dat vanaf de vijfde dag na de geboorte. Als te vroeg geboren kinderen tenminste één normale spontane bewegingsscore hebben in de eerste twee levensweken, is de kans op een normale neurologische uitkomst hoog.

Ook vond De Vries spontane bewegingen met chaotische kenmerken in de eerste levensdagen bij verschillende groepen pasgeborenen. Zij concludeert dat deze waarschijnlijk het gevolg zijn van tijdelijk niet optimaal functioneren van de hersenen en niet een uiting van hersenschade. In een groep van te vroeg geboren kinderen met een extreem laag geboortegewicht vond ze verkrampte en stijve bewegingen met gestrekte benen op de leeftijd waarop de baby’s voldragen zouden zijn geweest. Deze afwijkende bewegingen bleken niet samen te hangen met het ontwikkelen van bewegingsstoornissen die hun oorsprong in de hersenen hebben (cerebrale parese).

Kinderen die tijdens de zwangerschap aan antidepressiva (SSRI’s) zijn blootgesteld hadden vaker abnormale bewegingen gedurende de eerste levensdagen. Op de leeftijd van 3 maanden hadden ze vaker monotone bewegingen. De Vries kon deze effecten niet relateren aan angst- of depressieklachten van de moeder.

Nathalie de Vries (Assen, 1971) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij voerde haar onderzoek uit bij de Afdeling Neonatologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in samenwerking met de Afdeling Kindergeneeskunde van het Medisch Centrum Leeuwarden (MCL). De Vries is werkzaam als kinderarts-neonatoloog in het MCL.

Promotie mw. P.Y.W. Dankers: Renal regenerative medicine. Bioengineering of cell-based membranes and anti-inflammatory drug delivery

Wanneer:ma 01-07-2013 om 12:45

Promotie: mw. P.Y.W. Dankers, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Renal regenerative medicine. Bioengineering of cell-based membranes and anti-inflammatory drug delivery

Promotor(s): prof.dr. M.J.A. van Luyn

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kunstmatig membraan met levende niercellen moet dialyseproces verbeteren

Het dialyseproces van nierpatiënten kan in de toekomst mogelijk verbeterd worden door een kunstmatig niercelmembraan als extra filter te gebruiken. Dat stelt onderzoeker Patricia Dankers in haar tweede promotieonderzoek.

De huidige behandelmogelijkheden van nierpatiënten zijn beperkt. Donornieren zijn er te weinig, waardoor veel chronische nierpatiënten langdurig nierdialyse moeten ondergaan. Dat proces is weliswaar levensreddend, maar kan niet alle giftige stoffen uit het lichaam halen. Dankers ontwierp met haar onderzoeksgroep een kunstmembraan met levende cellen dat het dialyseproces later mogelijk kan verbeteren. Ze zorgde er onder andere voor om 19 dagen lang nierepitheelcellen (cellen in de buitenkant van de nier) te kweken op zo’n kunstmatig, bioactief membraan. De opgedane inzichten kunnen volgens haar de basis vormen voor het gebruik van zulke membranen in een biologische kustnier.

In het tweede deel van haar onderzoek ging ze na hoe er lokaal en gereguleerd medicijnen afgegeven kunnen worden in de nier. Ze deed dat door drie typen hydrogel onder het nierkapsel te implanteren: twee sterke versies die moeilijk afgebroken kunnen worden, en een zwakkere, afbreekbare variant. Afhankelijk van het behandeldoel (langdurige afgifte van medicijnen van organische verbindingen of kortdurende afgifte van eiwitachtige medicijnen) kunnen behandelaars in de toekomst volgens Dankers mogelijk één van beide varianten gebruiken. Ze benadrukt dat er eerst nauwe samenwerking tussen artsen, ingenieurs, scheikundigen en biologen nodig is om dergelijk fundamenteel onderzoek in de praktijk te brengen.

Patricia Dankers (Helmond, 1978) studeerde scheikunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen en behaalde haar eerste doctorstitel in 2006 in de Natuurwetenschappen aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Vanaf 2006 tot eind 2008 was zij aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) verbonden, waar ze onderzoek verrichte bij de afdeling Pathologie en Medische Biologie, wat resulteerde in deze tweede promotie, nu in de Medische Wetenschappen. Dit onderzoek werd gefinancierd door SupraPolix in Eindhoven. Dankers ontving in 2008 een Veni-beurs en recentelijk een ERC starting grant. Ze werkte in 2010 aan het het Institute for BioNanotechnology in Medicine, Northwestern University, Chicago, USA. Momenteel werkt ze als universitair docent aan de TU/e.

Promotie dhr. V. Kannan: Modulation of microglial activity

Wanneer:ma 01-07-2013 om 14:30

Promotie: dhr. V. Kannan, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Modulation of microglial activity

Promotor(s): prof.dr. H.W.G.M. Boddeke

Faculteit: Medische Wetenschappen

Mogelijk belangrijk doelwit geïdentificeerd voor reguleren ontstekingsreactie in zenuwstelsel

Histone deacetylases (HDAC’s), een groep enzymen die histones (proteïnes die DNA verpakken en reguleren) in staat stellen om hun werk te doen, zijn mogelijk een belangrijk doelwit in het stopzetten van ontstekingsreacties in het centrale zenuwstelsel. Dat concludeert Vishun Kannan in een onderzoek naar microglia, de opruimers van dode of beschadigde lichaamseigen cellen in het centrale zenuwstelsel.

Microglia vormen het immuunsysteem van het centrale zenuwstelsel. Ze kunnen een ontstekingsreactie beginnen, ondersteunen zenuwcellen en ruimen dode cellen op. Bij diverse neurologische aandoeningen, maar ook bij gewone veroudering, verloopt dit proces niet goed. Microglia kunnen dan overactief raken met een voortdurende ontsteking tot gevolg. Kannan onderzocht hoe deze ontstekingsreactie kan worden gereguleerd.

Hij concludeert dat HDAC’s in dat proces een belangrijk doelwit kunnen zijn. De promovendus komt tot die conclusie op basis van onderzoek in microglia-cellen. Kannan stelt vast dat wanneer de activiteit van HDAC wordt afgeremd, de ontstekingsactiviteit van de microglia dan ook wordt afgeremd. Daarnaast blijkt dat de ondersteuning van zenuwcellen door microglia ook gereguleerd wordt door remmers van HDAC-eiwitten.

Vishnu Kannan (India, 1981) studeerde Biotechnologie aan de universiteit van Kerala, India, en behaalde zijn Master in kanker-, cel- en moleculaire biologie aan de Universiteit van Leicester, Engeland. Hij verrichtte zijn onderzoek bij de afdeling Neurowetenschappen, sectie Medische Fysiologie, van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Kannan maakte deel uit van het onderzoeksinstituut Behavioral and Cognitive Neurosciences (BCN).

Promotie mw. D.M. Zelle: Lifestyle, the next target for intervention in renal transplant recipients

Wanneer:ma 01-07-2013 om 16:15

Promotie: mw. D.M. Zelle, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Lifestyle, the next target for intervention in renal transplant recipients

Promotor(s): prof.dr. G.J. Navis, prof.dr. R.P. Stolk

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie dhr. M.R. Kapma: Outcomes and costs of endovascular and open repair in patients with a ruptured abdominal aortic aneurysm

Wanneer:wo 04-09-2013 om 11:00

Promotie: dhr. M.R. Kapma, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Outcomes and costs of endovascular and open repair in patients with a ruptured abdominal aortic aneurysm

Promotor(s): prof.dr. C.J.A.M. Zeebregts

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kosteneffectiviteit EVAR-behandeling kan niet worden aangetoond

Vaatchirurgen maken steeds meer gebruik van EVAR, een operatietechniek via de lies die kan worden ingezet bij patiënten met een gesprongen slagader in buik. De behandeling geeft uitstekende overlevingscijfers, maar is niet goedkoper dan een buikoperatie. Dat concludeert Marten Kapma in een onderzoek naar de kosteneffectiviteit van deze twee verschillende operatietechnieken.

Mensen met een uitpuiling van de slagader in de buik lopen het risico dat deze verzwakte plek knapt, met een levensgevaarlijke interne bloeding tot gevolg. Van de patiënten die het ziekenhuis op tijd bereiken, overlijdt bijna de helft alsnog. Daarom is het van groot belang om de behandelmethoden te verbeteren. Artsen brengen daarvoor een prothese in op de plek van de ruptuur. Dat kan op twee manieren: via de buik of de lies. Die laatste optie is minimaal invasief, gebaseerd op Dotter-technieken en wordt EVAR genoemd. Een mogelijk voordeel van de laatste methode, zo stelt Kapma, is bovendien dat het bloedverlies kleiner is.

Op basis van onderzoek onder patiënten in Groningen en Amsterdam concludeert Kapma dat EVAR uitstekende overlevingskansen geeft, maar dat de kosten hoog zijn. Ook kan nog niet aangetoond kan worden dat de ene techniek beter of goedkoper is dan de andere. Een beter behandelprotocol, dat tot stand kwam als gevolg van het gebruik van beide technieken, leidt volgens hem daarentegen al wel tot lagere sterftecijfers. Ziekenhuizen bepalen daarbij vooraf welke behandeling ze voor welke patiëntengroep willen inzetten. Zo’n protocol vergt voorbereidingstijd en een leercurve, waarschuwt Kapma, voordat patiënten er daadwerkelijk van kunnen profiteren.

Marten Kapma (Leeuwarden, 1975) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam en de afdeling Vaatchirurgie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Kapma is werkzaam als vaatchirurg in het Medisch Centrum Leeuwarden en het Antonius Ziekenhuis Sneek.

Promotie dhr. A.E. de Vries: The use of computer decision support systems and telemonitoring in heart failure

Wanneer:wo 04-09-2013 om 12:45

Promotie: dhr. A.E. de Vries, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The use of computer decision support systems and telemonitoring in heart failure

Promotor(s): prof.dr. H.L. Hillege, prof.dr. T. Jaarsma, prof.dr. R.J.J.M. Jorna

Faculteit: Medische Wetenschappen

Telemonitoring bij hartfalen leidt niet automatisch tot minder ziekenhuisopnames

Telemonitoring bij hartfalen, het op afstand bewaken van patiënten met apparatuur thuis, stelt zorgverleners in staat om meer patiënten te volgen en de behandeling zo nodig aan te passen. Toch leidt dat proces niet automatisch tot minder heropnamen in het ziekenhuis, sterfte en een betere kwaliteit van leven. Dat stelt Arjen de Vries in zijn promotieonderzoek.

De Vries onderzocht twee nieuwe ICT-ontwikkelingen in de zorg die ingezet kunnen worden bij patiënten met hartfalen: telemonitoring en computer beslissingsondersteunende systemen (CDSS). Met telemonitoring kan een patiënt zelf thuis zijn hartritme, gewicht en bloeddruk meten. CDSS kan vervolgens helpen om afwijkingen in deze meetgegevens vast te stellen, zodat de hulpverlener het behandelplan kan bijstellen en eventueel aanpassingen in medicatie kan doen.

De Vries constateert dat beide technologieën veelbelovende instrumenten zijn die de zorg aan hartpatiënten kunnen verbeteren. Artsen kunnen met deze technologie meer patiënten tegelijk volgen en tijdig ingrijpen. Tegelijk wijst de promovendus erop dat niet iedere patiënt geschikt is voor telemonitoring. Het proces leidt dan ook niet zonder meer tot een reductie van het aantal heropnames. Hij stelt dat er specifieke profielen nodig zijn van patiënten die het meeste baat hebben bij deze behandeling. Aan de kant van de zorgverlener moet bovendien meer aandacht zijn voor implementatie van de nieuwe technologieën.

Arjen E. de Vries (Groningen, 1968) behaalde zijn Master Advanced Nursing Practice in 2001 te Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Thoraxcentrum, afdeling Cardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zijn onderzoek werd gefinancierd door het UMCG en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De Vries werkt als verpleegkundig specialist cardiologie in Beatrixoord Haren.

Promotie mw. G.M. de Kuijper: Aspects of long-term use of antipsychotic drugs on an off-label base in individuals with intellectual disability

Wanneer:wo 04-09-2013 om 14:30

Promotie: mw. G.M. de Kuijper, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Aspects of long-term use of antipsychotic drugs on an off-label base in individuals with intellectual disability

Promotor(s): prof.dr. R.B. Minderaa, prof.dr. H.M. Evenhuis

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht: Minder probleemgedrag bij mensen met verstandelijke beperking na stoppen antipsychoticagebruik

Promotie dhr. H.G. van Keeken: Model and measurement studies on stages of prosthetic gait. Predictions on how not to walk symmetrically with a mechanical prosthetic limb

Wanneer:wo 04-09-2013 om 16:15

Promotie: dhr. H.G. van Keeken, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Model and measurement studies on stages of prosthetic gait. Predictions on how not to walk symmetrically with a mechanical prosthetic limb

Promotor(s): prof. E. Otten, prof. K. Postema

Faculteit: Medische Wetenschappen

Biomechanische analyse laat zien hoe prothesedragers lopen

Groningse bewegingswetenschappers hebben in een driedelig onderzoek in kaart gebracht wat prothesedragers precies doen als ze lopen. Helco van Keeken gebruikte daarvoor biomechanische analyse, een combinatie van een analyse van wiskundige modellen en bewegingsdata. De uitkomsten geven inzicht in hoe patiënten de tekortkomingen van een prothesebeen beter kunnen compenseren.

Lopen met een prothese verschilt erg van lopen met twee gezonde benen. Zo moet een prothesedrager ervoor waken dat hij niet door zijn knie zakt en dat de prothesevoet de grond niet raakt bij het naar voren zwaaien van het been. Ook is de prothese-enkel stijver dan een gezonde enkel. Al die aspecten hebben invloed op de loopbeweging.

Van Keeken ging na wat de biomechanische aspecten zijn van vier loopfasen: starten met lopen, gewicht plaatsen op het prothesebeen, het prothesebeen naar voren bewegen, en stoppen met lopen. Hij ontdekte dat het gebrek aan voortstuwende kracht in het prothesebeen gecompenseerd wordt door het gezonde been. Ook ontdekte hij waarom prothesedragers bij voorkeur beginnen te lopen met het prothesebeen en waarom ze bij stoppen dat juist liever doen met het gezonde been. Die inzichten kunnen helpen om de tevredenheid onder prothesedragers te verbeteren.

Helco G. van Keeken (Utrecht, 1973) studeerde fysiotherapie aan de Hogeschool van Amsterdam Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Centrum voor Revalidatie en het Centrum voor Bewegingswetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zijn onderzoek maakte deel uit van het onderzoeksproject ‘Postural control after lower limb amputation’, waarvan dit het derde en laatste proefschrift is. Het onderzoek werd gefinancierd door Stichting OIM Orthopedie, Stichting Beatrixoord en Stichting Anna Fonds. Van Keeken werkt als docent Bewegingswetenschappen in Groningen.

Promotie mw. O.M. Laceulle: Programming effects of adversity on adolescent adaptive capacity

Wanneer:ma 09-09-2013 om 12:45

Promotie: mw. O.M. Laceulle, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Programming effects of adversity on adolescent adaptive capacity

Promotor(s): prof.dr. J. Ormel, prof.dr. M.A.G. van Aken

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie dhr. T.E. Rams: Antibiotic resistance in human periodontitis and peri-implant microbiota

Wanneer:ma 09-09-2013 om 16:15

Promotie: dhr. T.E. Rams, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Antibiotic resistance in human periodontitis and peri-implant microbiota

Promotor(s): prof.dr. A.J. van Winkelhoff, prof.dr. J.E. Degener

Faculteit: Medische Wetenschappen

Microbiologische analyse voor juiste antibioticum parodontale aandoening

Patiënten met een parodontale aandoening reageren zo verschillend op antibiotica, dat een microbiologische analyse uitkomst kan bieden. Die kan laten zien welke antibioticum het probleem aanpakt, en welke niet. Dat concludeert Thomas Rams in een onderzoek in de USA naar het effect van antibiotica bij behandelingen van parodontitis en infecties rond implantaties.

Antibiotica spelen een sleutelrol in het behandelen van parodontitis of vergelijkbare infecties rondom tandheelkundige implantaten. Rams vergeleek in een aantal studies de effecten van specifieke antibiotica op specifieke bacteriën (Streptococcus constellatus, Streptococcus intermedius en Enterococcus faecalis) Hij concludeert dat combinaties van antibiotica meer effect hebben op parodontale aandoeningen dan hoge concentraties van één antibioticum. Ook stelt hij dat van patiënt tot patiënt verschilt hoe het geïnfecteerde gebied reageert op antibiotica. Voor een effectieve behandeling raadt hij daarom een microbiologische analyse aan, voorafgaand aan het starten met antibiotica. Zo’n analyse kan in kaart brengen welk antibioticum de infectie kan aanpakken. De uitkomsten kunnen helpen om de zorg aan patiënten met chronische parodontitis en geïnfecteerde implantaten te verbeteren.

Thomas Edwin Rams (Columbus, Verenigde Staten, 1955) studeerde tandheelkunde aan de Universiteit van Maryland. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen, in samenwerking met het Oral Microbiology Testing Service Laboratory van Temple University, Pennsylvania, USA, waar Rams in 2003/2013 aangesteld was als Paul H. Keyes Professor of Periodontology.

Promotie mw. M.M.A. Lensvelt: The endoluminal bypass for occlusive lesions of the superficial femoral artery

Wanneer:wo 11-09-2013 om 11:00

Promotie: mw. M.M.A. Lensvelt, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The endoluminal bypass for occlusive lesions of the superficial femoral artery

Promotor(s): prof.dr. C.J.A.M. Zeebregts

Faculteit: Medische Wetenschappen

Stent goed alternatief voor chirurgische omleiding

Het plaatsen van een stent bij patiënten met perifere vaatziekten leidt tot minder complicaties dan een chirurgische omleiding. Het risico op wondgenezingsstoornissen en oedeem (vochtophoping) is kleiner en de opnameduur in het ziekenhuis aanmerkelijk korter. Dat concludeert Mare Lensvelt in haar promotieonderzoek.

Patiënten met een lange verstopping van de bovenbeenslagader krijgen nu nog vaak een chirurgische omleiding. Dat is een grote operatie met veel complicaties. Soms geneest de wond slecht of stapelt er zich vocht op in de benen. 10 tot 20% van de chirurgische omleidingen faalt binnen een jaar. Lensvelt onderzocht of het plaatsen van een stent (een buisje aan de binnenkant van het vat) ook voor langere verstoppingen (langer dan tien centimeter) een goed alternatief zou kunnen zijn voor een chirurgische omleiding. Dat bleek het geval.

De eerste resultaten van de nieuwe stent laat zien dat er minder complicaties optreden (7.5%). De eerste resultaten na vier jaar zijn zeer goed, in vergelijking met de chirurgische omleiding. Bovendien, zo stelt Lensvelt, kan er later altijd nog een chirurgische omleiding plaatsvinden als de stent faalt. Deze vormt daarom volgens haar een goede brug naar chirurgie, en maakt een omleiding vaak overbodig.

M.M.A. Lensvelt (Tilburg, 1979) studeerde geneeskunde aan de Radboud Universiteit, Nijmegen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek in het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem en de Isala Kliniek in Zwolle, in samenwerking met de afdeling Vaatchirurgie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Haar onderzoek maakt deel uit van een groter onderzoeksproject dat nog loopt. Lensvelt werkt als vaatchirurg in opleiding in het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem.

Promotie dhr. C. Wu: Ultra-high-resolution quantitative multi-pinhole small-animal SPECT

Wanneer:wo 11-09-2013 om 12:45

Promotie: dhr. C. Wu, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Ultra-high-resolution quantitative multi-pinhole small-animal SPECT

Promotor(s): prof.dr. F.J. Beekman, prof.dr. R.A.J.O. Dierckx

Faculteit: Medische Wetenschappen

Micro-SPECT-scan laat zien hoe cellen driedimensionaal functioneren

Met een micro-SPECT-scan is het mogelijk om te laten zien hoe cellen functioneren in kleine dieren, zoals muizen en ratten. Dat komt omdat deze scans, wanneer ze worden uitgevoerd met een hoge resolutie, de distributie van tracers en kinetische energie in kleine dieren driedimensionaal heel nauwkeurig in beeld kunnen brengen. Dat concludeert Chao Wu in zijn promotieonderzoek. Hij deed onderzoek naar de technologie achter en mogelijke toepassingen van micro-SPECT.

Het belangrijkste verschil tussen klinische SPECT-scans (een medische afbeeldingstechniek vergelijkbaar met een PET-scan) en micro-SPECT, zo stelt Wu, is dat die laatste een veel hogere resolutie heeft om afbeeldingen te kunnen maken van kleine dieren, zoals muizen en ratten. Wu concludeert dat de accuratesse van micro-SPECT juist bij knaagdieren op een praktische en snelle manier verkregen kan worden. De hoge kwantitatieve nauwkeurigheid van micro-SPECT-scans opent bovendien volgens hem meer mogelijkheden voor nieuwe preklinische toepassingen.

Chao Wu (Yichang, China, 1982) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het Universitair Medisch Centrum Groningen, deels in samenwerking met de Technische Universiteit Delft en Universitair Medisch Centrum St Radboud (Nijmegen. Het onderzoek werd gefinancierd door het UMCG, MILabs B.V. (Utrecht), UMC St Radboud en CTMM. Wu werkt als postdoc onderzoeker aan de TU Delft, en als wetenschappelijk programmeur bij MILabs, B.V.

Promotie dhr. J.J. Meeuse: Aspects of pain in measurement, management and health care utilization

Wanneer:wo 11-09-2013 om 14:30

Promotie: dhr. J.J. Meeuse, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Aspects of pain in measurement, management and health care utilization

Promotor(s): prof.dr. R.O.B. Gans

Faculteit: Medische Wetenschappen

Muziek verlaagt geen pijn tijdens kijkonderzoek

Patiënten die tijdens een kijkonderzoek van de dikke darm naar muziek luisteren, ervaren niet minder pijn dan mensen die geen muziek beluisteren. Dat is één van de conclusies van het onderzoek van Jan Meeuse naar uiteenlopende aspecten van het meten en het behandelen van pijn. Meeuse komt tot een aantal opzienbarende conclusies.

Meeuse’s onderzoek bij 75 gezonde vrijwilligers liet zien dat, anders dan vaak gedacht, veranderingen in de hartfrequentie niet bruikbaar zijn om pijnintensiteit te meten. Ook ontdekte de promovendus dat radiotherapie ook in de terminale fase helpt in de bestrijding van pijn, veroorzaakt door naar botten uitgezaaide kanker. In 45% van de 274 onderzochte patiënten verminderde de pijn. Omdat het effect van bestralen op pijn nog wel eens op zich laat wachten, is dit een belangrijke bevinding voor mensen met een beperkte levensverwachting.

Meeuse vond daarentegen geen bewijs voor de hypothese dat muziek pijn verlaagt. Dat bleek op basis van onderzoek onder 307 patiënten die een kijkonderzoek van het laatste deel van de dikke darm ondergingen. De helft luisterde daarbij naar muziek van eigen keuze. Tot slot concludeert Meeuse dat patiënten in de laatste weken van hun leven wel steeds meer contact hebben met hun huisarts, maar dat dit niet samen gaat met een afname van de ziekenhuiszorg. Hij stelt dat een multidisciplinair palliatief team wellicht onnodige ziekenhuisbezoeken kan voorkomen.

J.J. Meeuse (Apeldoorn, 1975) studeerde geneeskunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Algemene Interne Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen, werkgroep palliatieve zorg binnen het UMCG. Het onderzoek werd gefinancierd door het Integraal Kankercentrum Nederland. Meeuse werkt als internist in het Rivierenland Ziekenhuis in Tiel.

Promotie mw. M. Sie: Angiogenesis in pediatric brain tumors: therapeutic possibilities?

Wanneer:wo 11-09-2013 om 16:15

Promotie: mw. M. Sie, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Angiogenesis in pediatric brain tumors: therapeutic possibilities?

Promotor(s): prof.dr. E.S.J.M. de Bont, prof.dr. W.A. Kamps

Faculteit: Medische Wetenschappen

Pleidooi voor ‘multi-targeted’ therapie bij kinderhersentumoren

Anti-angiogene therapie, therapie waarbij de vorming van nieuwe bloedvaten uit bestaande bloedvaten wordt tegengegaan, biedt mogelijkheden voor de behandeling van kinderen met een hersentumor, maar alleen als rekening gehouden wordt met de ontsnappingsmechanismen van de tumor bij een dergelijke behandeling. Dat stelt Mariska Sie.

Sie deed onderzoek naar de rol van bloedvatnieuwvorming in hersentumoren bij kinderen. Ze vergeleek de kinderhersentumoren met een veel voorkomende, zeer vaatrijke tumor bij volwassenen (glioblastoom). In beide soorten tumoren speelt angiogenese, bloedvatnieuwvorming, een belangrijke rol. Dat proces zorgt ervoor dat de tumor kan groeien. Maar remming van één bepaalde angiogene groeifactor is niet genoeg om de tumor te stoppen, blijkt in de klinische praktijk.

Sie ontdekte dat kinderhersentumoren door middel van andere groeifactoren die in de omgeving van de tumor voorkomen (EGF, HGF en FGF) kunnen ontsnappen aan anti-angiogene therapie. De tumorresistentie kan overtroffen worden met een relevante remmer gericht tegen dergelijke groeifactoren. Sie pleit op basis van haar onderzoek voor ‘multi-targeted’ therapie en optimalisatie van preklinische modellen om een rationele vertaling naar de kliniek te kunnen maken.

Mariska Sie (Groningen, 1985) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Kinderoncologie/Hematologie, Beatrix Kinderziekenhuis van het Universitair Medisch Centrum Groningen, in het kader van een MD/PhD-traject, Junior Scientific Masterclass. Het onderzoek werd mede gefinancierd door de Jan Kornelis de Cock Stichting, het Ubbo Emmius Fonds en de Van der Meer-Boerma Stichting. Sie werkt momenteel als arts bij de afdeling neurochirurgie van het UMCG.

Promotie mw. Y. Zhao: Lung nodule assessment in low-dose CT lung cancer screening. Validation of detection and volumetric measurement

Wanneer:ma 16-09-2013 om 14:30

Promotie: mw. Y. Zhao, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Lung nodule assessment in low-dose CT lung cancer screening. Validation of detection and volumetric measurement

Promotor(s): prof.dr. M. Oudkerk

Faculteit: Medische Wetenschappen

Met NELSON-screeningmethode minder vals-positieve meldingen longkanker

De NELSON-screeningsmethode voor longkanker is efficiënt om longkanker op te sporen, en vermindert het aantal onnodige doorverwijzingen en vervolgscans. Dat stelt Yingru Zhao. Zij onderzocht de betrouwbaarheid van deze screeningsmethode, die gebaseerd is op het volume en de volumeverdubbelingstijd van longnodulen.

Het Nederlands Leuvens Screenings Onderzoek (NELSON) startte in 2003 als een groot onderzoek naar de meest effectieve manier om met CT-afbeeldingen longkanker op tijd op te sporen bij mensen met een hoog risico op het ontwikkelen van de ziekte. Het concentreert zich op het meten van het volume van de longnodulen, in plaats van de diameter.

Zhao concludeert, op basis van onderzoek bij 7.500 mensen in de longkanker-risicogroep, dat 2,6% met de NELSON-screeningsmethode een positieve test had. Niet alle longnodulen zijn kwaadaardig. 0,9% had longkanker, de meesten nog in een vroeg stadium. Verder ontdekte ze dat het gebruik van verschillende computersoftware tot verschillende resultaten leidde. In een screeningsstudie moet daarom volgens haar consistent dezelfde software gebruikt worden. Na drie maanden werd een herhaaltest uitgevoerd voor longnodulen met een gemiddelde grootte (50 - 500 mm3). Zhao stelt vast dat zo’n herhaaltest tot minder vals-positieve meldingen van kanker leidt, omdat veel longnodulen niet gegroeid waren of zelfs waren verdwenen. Deze strategie voorkomt volgens de promovenda onnodig verder onderzoek voor kleine longnodulen.

Yingru Zhao (Tianjin, 1975) studeerde Geneeskunde aan de Tianjin Medical University in Tianjin. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij het Centre of Medical Imaging-North East Netherlands (CMI-NEN), afdeling Radiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek maakt deel uit van het NELSON-project. Zhao werkt als radioloog bij de afdeling Radiologie van het Tianjin Medical University Cancer Institute & Hospital, China.

Promotie dhr. X. Xie: CT biomarkers in lung cancer screening

Wanneer:ma 16-09-2013 om 16:15

Promotie: dhr. X. Xie, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: CT biomarkers in lung cancer screening

Promotor(s): prof.dr. M. Oudkerk

Faculteit: Medische Wetenschappen

CT-screening longkanker ook waardevol voor hart- en vaatziekten

Een CT-scan voor longkanker geeft niet alleen belangrijke kwantitatieve informatie over longnodulen, maar ook over kransslagaderverkalking, emfyseem (een bepaalde longziekte) en wanddikte van de perifere luchtwegen. De scan kan met andere woorden drie belangrijke doodsoorzaken (longkanker, hart- en vaatziekten en COPD) tegelijk opsporen. Dat concludeert Xueqian Xie in een onderzoek naar de betrouwbaarheid van CT biomarkers.

Xie stelt dat de bekende risicofactoren voor longkanker, veroudering en roken, ook belangrijke risicofactoren zijn voor hart- en vaatziekten en voor chronisch obstructieve longziekte (COPD). Hij ging na hoe één test kwantitatieve informatie kan geven over alle drie soorten ziekten.

Zijn onderzoek laat zien dat longnodules met een diameter van ten minste vijf millimeter met een lage dosis CT opgespoord kunnen worden. Ook concludeert Xie dat een toename in kransslagaderverkalking (uitgedrukt in een kalkscore) gerelateerd is aan een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Tot slot stelt de promovendus dat er een aantoonbare correlatie bestaat tussen longfunctie en emfyseem en tussen de wanddikte van de perifere luchtwegen en luchtwegsymptomen in rokers. Deze bevindingen vormen volgens hem het bewijs dat CT-screening nuttig kan zijn om meerdere, potentieel dodelijke ziektes in een vroeg stadium op te sporen.

Xueqian Xie (Liaoning, China, 1977) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het centrum voor het Centre of Medical Imaging-North East Netherlands (CMI-NEN), afdeling Radiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek maakt deel uit van het omvangrijke NELSON-project. Xie is radioloog in het UMCG.

Promotie mw. M. Aparicio Vergara: TNF signaling in nonalcoholic fatty liver disease

Wanneer:wo 18-09-2013 om 12:45

Promotie: mw. M. Aparicio Vergara, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: TNF signaling in nonalcoholic fatty liver disease

Promotor(s): prof.dr. M.H. Hofker

Faculteit: Medische Wetenschappen

Ontstaan van niet-alcoholische leververvetting deels ontrafeld

Tumornecrosefactor-alpha (TNF-α, een eiwit dat verantwoordelijk is voor het proces van celdood en cel-ontsteking), speelt via receptor TNFR1 een centrale rol in het ontstaan van niet-alcoholische leververvetting (NAFLD). Maar anders dan tot nu toe gedacht, bestaat er geen verband tussen macrofaag-gerelateerde ontsteking en het ontstaan van insulineresistentie. Dat is de voornaamste conclusie van het promotieonderzoek van Marcela Aparicio Vergara.

Aparicio Vergara ging na wat de relatie is tussen het ontstaan en de ontwikkeling van NAFLD, TNF-gemedieerde ontsteking en insulineresistentie. De term NAFLD verwijst naar een breed spectrum van levergerelateerde aandoeningen, variërend van goedaardige vetophoping in de levercellen, tot leverontsteking en leverkanker. Door de toename van overgewicht komt niet-alcoholische leververvetting steeds meer voor.

De promovenda bestudeerde voor haar onderzoek muizen met een mutatie in de TNF-receptor 1. Ze stelt vast dat deze mutatie leidt tot een activering (in plaats van een demping) van de ontstekingsreactie. Daaraan verbindt Aparicio Vergara de conclusie dat TNF-signalering een cruciale rol speelt in het ontstaan van niet-alcoholische leververvetting. Een verband tussen de ontsteking en insulineresistentie kon ze echter niet aantonen.

Marcela Aparicio Vergara (Colombia, 1980) studeerde biologie aan de Universiteit van Leiden. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Moleculaire Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek viel binnen het raamwerk van het CTMM (Centre for Translational Molecular Medicine) en werd onder andere gefinancierd door de Nederlandse Hartstichting, het Diabetes Fonds en de Nierstichting Nederland.

Promotie dhr. G.Sidorenkov: Predictive value of treatment quality indicators on outcomes in patients with diabetes

Wanneer:wo 18-09-2013 om 14:30

Promotie: dhr. G.Sidorenkov, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Predictive value of treatment quality indicators on outcomes in patients with diabetes

Promotor(s): prof.dr. F.M. Haaijer-Ruskamp, prof.dr. D. de Zeeuw

Faculteit: Medische Wetenschappen

Kwaliteitsindicatoren resulteren niet in betere zorg voor alle diabetespatiënten

Een rigide gebruik van kwaliteitsindicatoren voor diabeteszorg leidt niet automatisch tot betere zorg voor alle diabetespatiënten. Dat geldt bijvoorbeeld voor indicatoren die de kwaliteit van een bloeddrukverlagende behandeling beogen te meten. Dat is één van de conclusies van het promotieonderzoek van Grigory Sidorenkov naar de relatie tussen kwaliteitsindicatoren en patiëntuitkomsten bij de behandeling van diabetes.

De kwaliteit van gezondheidszorg wordt steeds vaker gemeten met kwaliteitsindicatoren. Het is daarvoor van groot belang dat de kwaliteitsindicatoren overeenkomen met betere uitkomsten onder patiënten. Slecht gedefinieerde kwaliteitsindicatoren of indicatoren met een verkeerde aanname resulteren niet in betere uitkomsten, aldus Sidorenkov.

De promovendus identificeert vervolgens een aantal behandelingsindicatoren die gerelateerd zijn aan betere uitkomsten. Zo blijken onder andere indicatoren die het voorschrijven van een cholesterolverlagende behandeling meten bij patiënten met diabetes, gerelateerd te zijn aan een lager risico op complicaties op lange termijn. Indicatoren die het voorschrijven van een glucoseverlagende behandeling meten, voorspellen maar bij een deel van de patiënten minder complicaties. De relatie tussen de indicatoren voor de behandeling van hoge bloeddruk en patiëntuitkomsten bleek onvoldoende. Sidorenkov pleit er op basis van deze resultaten voor om voorzichtig te zijn bij het gebruik van kwaliteitsindicatoren, omdat ze kunnen leiden tot zorg die niet voor alle patiënten goed is.

G. Sidorenkov (Rusland, 1983) studeerde geneeskunde en volksgezondheid aan de Northern State Medical University van Rusland. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Klinische Farmacologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Sidorenkov participeerde in het onderzoeksinstituut SHARE. Zijn onderzoek werd gefinancierd door het Ubbo Emmiusfonds en UMCG. Sidorenkov werkt als onderzoeker bij de afdeling Klinische Farmacologie van het UMCG.

Promotie mw. M.J. Siebelink: The child as a donor. A multidisciplinary approach

Wanneer:wo 18-09-2013 om 16:15

Promotie: mw. M.J. Siebelink, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The child as a donor. A multidisciplinary approach

Promotor(s): prof.dr. H.B.M. van de Wiel, prof.dr. P.F. Roodbol

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie mw. J. Jezierska: Genetic and molecular mechanisms underlying spinocerebellar ataxias

Wanneer:ma 23-09-2013 om 11:00

Promotie: mw. J. Jezierska, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Genetic and molecular mechanisms underlying spinocerebellar ataxias

Promotor(s): prof.dr. R. Sinke, prof.dr. H.H. Kampinga

Faculteit: Medische Wetenschappen

Genetische oorzaak gevonden voor twee types van zenuwziekte SCA

Van de zeldzame zenuwziekte Spinocerebellaire ataxie (SCA) zijn tot nu toe 32 types bekend. Het onderzoeksteam waarvan promovenda Justyna Jezierska deel uitmaakte, ontdekte welke twee genetische defecten verantwoordelijk zijn voor twee types van de ziekte (SCA19 en SCA23). Deze uitkomsten dragen niet alleen bij aan betere diagnostische mogelijkheden voor ataxiepatiënten, maar leveren ook verder inzicht in de onderliggende mechanismen van de ziekte.

Patiënten met SCA kampen met balans- en coördinatieproblemen doordat de zenuwen de spieren niet goed kunnen besturen. De ziekte is erfelijk en zeldzaam, en wordt veroorzaakt door een genetisch defect. Voor ieder type is een ander gen verantwoordelijk. Jezierska ontdekte welke genen verantwoordelijk zijn voor subtypes 19 en 23.

Verder vond zij met haar collega’s bewijs voor de hypothese dat aan verschillende typen van SCA gemeenschappelijke ziektemechanismen ten grondslag liggen. Mogelijk is één van die mechanismen excitotoxiciteit, het verschijnsel dat zenuwcellen niet goed signalen kunnen doorgeven door een teveel aan de chemische boodschapperstof glutamaat.

Justyna Jezierska (Warschau, Polen, 1985) studeerde biotechnologie (met als specialisatie moleculaire biologie) aan de universiteit van Warschau, Polen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Genetica van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door onderzoeksinstituut GUIDE en het UMCG. Jezierska werkt als postdoc onderzoeker in het International Institute of Molecular and Cell Biology in Warschau, Polen.

Promotie dhr. S. Klein: The significance of preoperative vascular mapping of donor- and acceptor vessels in free flap surgery

Wanneer:wo 25-09-2013 om 12:45

Promotie: dhr. S. Klein, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The significance of preoperative vascular mapping of donor- and acceptor vessels in free flap surgery

Promotor(s): prof.dr. P.M.N. Werker

Faculteit: Medische Wetenschappen

Preoperatief vaatonderzoek cruciaal voor succesvolle vrije weefseltransplantatie

Om defecten te kunnen sluiten die door een ongeluk of het verwijderen van kanker zijn ontstaan, gebruiken plastisch chirurgen steeds vaker weefseltransplantaties uit een ander lichaamsdeel. Er bestaan verschillende methodes om voor de operatie vast te stellen welke weefsels geschikt zijn. Steven Klein onderzocht in zijn promotieonderzoek de betrouwbaarheid van deze methodes en hun voor- en nadelen.

Weefseltransplantaten bestaan, afhankelijk van de wond waarvoor ze gebruikt worden, uit meerdere lagen, zoals huid met onderliggend vetweefsel, spier en/of bot. Om het weefsel op de nieuwe plek te laten overleven, is het afhankelijk van een goede doorbloeding. Het wordt daarom samen met het voedende bloedvat geoogst en op de nieuwe plek weer aangesloten. Vóór een transplantatie moet de exacte locatie van een dergelijk bloedvat worden vastgesteld, om te bepalen of een operatie überhaupt mogelijk is en om de operatie te bespoedigen. Daarvoor bestaan verschillende onderzoeken.

Klein concludeert op basis van een onderlinge vergelijking onder andere dat de informatie die een bloeddrukmeting aan de voet oplevert, onvoldoende betrouwbaar is om een lap van een onderbeen te oogsten. Een röntgenfoto met contrastmiddel geeft volgens hem voor deze indicatie een betere indruk van de vaatstatus. De promovendus stelt vast dat een MRI van de onderbeenvaten een goed alternatief is voor een bloeddrukmeting. Zo’n MRI is bovendien minder schadelijk voor de patiënt.

Steven Klein (Neuss, Duitsland, 1977) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdelingen Plastische Chirurgie van het UMCG, het AMC en het Antonie van Leeuwenhoek ziekenhuis/NKI, beide in Amsterdam. Klein werkt als chef de clinique Plastische Chirurgie in het Catharina ziekenhuis, Eindhoven.

Promotie mw. A.T. van der Goot: Genetic modifiers of aging and age-related proteotoxicity

Wanneer:wo 25-09-2013 om 14:30

Promotie: mw. A.T. van der Goot, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Genetic modifiers of aging and age-related proteotoxicity

Promotor(s): prof.dr.ir. E.A.A. Nollen

Faculteit: Medische Wetenschappen

Meer inzicht in mechanismen achter schadelijke eiwitstapeling bij dementie

Plakkerige ziekte-eiwitten lijken een belangrijke rol te spelen bij het verdwijnen van hersencellen, wat kenmerkend is voor neurodegeneratieve ziekten zoals Alzheimer, Parkinson en Huntington. In de hersenen van patiënten worden namelijk ophopingen van deze eiwitten gevonden die er normaal niet zitten. Annemieke van der Goot onderzocht hoe de ziekte-eiwitten precies schade veroorzaken in cellen, hoe ze ophopingen vormen en hoe cellen daarop reageren.

Van der Goot maakte voor haar onderzoek gebruik van de rondworm C. elegans, een modelorganisme voor genetisch onderzoek. Ze ontdekte dat het uitschakelen van twee genen (tdo-2 en moag-4) bij de wormen leidt tot minder schade door het opstapelen van verschillende ziekte-eiwitten. Deze twee genen sturen de productie van respectievelijk de eiwitten TDO-2 en MOAG-4 aan. Dat eerste eiwit is belangrijk voor het afbreken van het aminozuur tryptofaan, dat een bouwsteen is voor stoffen die onder andere invloed hebben op stemming, zelfvertrouwen en slaap. Het tweede eiwit, zo concludeert Van der Goot op basis van haar onderzoek, kan de vorming van eiwitstapeling bevorderen, waarschijnlijk via directe interactie met de ziekte-eiwitten.

De identificatie van beide genen biedt volgens de promovenda niet alleen een beter inzicht in de manier waarop cellen en organismen omgaan met eiwitschade, maar vormt ook het startpunt voor vervolgonderzoek om neurodegeneratieve ziekten te behandelen of uit te stellen.

Annemieke van der Goot (Hengelo, 1984) studeerde Medical and Pharmaceutical Drug Innovation aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij onderzoeksinstituut ERIBA, afdeling Molecular Neurobiology of Ageing, van het UMCG. Haar onderzoek werd gefinancierd door Onderzoeksinstituut GUIDE, de European Research Council, MEERVOUD, Rosalind Franklin Fellowship, Hersenstichting Nederland en het Prinses Beatrix Fonds. Van der Goot werkt als postdoc onderzoeker aan Stanford University, California.

Promotie dhr. G.K. Yakala: Diet-associated metabolic and vascular (dys)function. Dietary strategies for prevention

Wanneer:ma 30-09-2013 om 12:45

Promotie: dhr. G.K. Yakala, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Diet-associated metabolic and vascular (dys)function. Dietary strategies for prevention

Promotor(s): prof.dr. P. Heeringa, prof.dr. G. Molema

Faculteit: Medische Wetenschappen

Alternatieve strategieën om negatieve effecten slecht dieet te voorkomen

Dat de toename van obesitas nauw verbonden is met de snelle toename van ongezonde leef- en eetpatronen, is bekend. Deze patronen blijken evenwel lastig te doorbreken. Promovendus Gopala Krishna Yakala ging in proefdieronderzoek na of er (voedings)strategieën ontwikkeld kunnen worden die de negatieve effecten van een slecht dieet kunnen voorkomen of veranderen.

Het onderzoek van Yakala, waarvoor hij gebruik maakte van muismodellen, concentreerde zich op drie strategieën: veranderingen in levensstijl (minder calorieën), veranderingen in voedselinname (voeding verrijkt met plantaardige stoffen) of farmacologische interventies (medicijngebruik). Yakala stelt dat een streng dieet vaak als belastend ervaren wordt. Hij onderzocht de effecten van een dieet waarin producten die rijk zijn aan verzadigde vetten en hoog in cholesterol tóch geconsumeerd mogen worden, maar alleen tijdens perioden die afgewisseld worden met perioden waarin dat niet mag. Dit dieet bleek in muizen het risico op het ontstaan van cardiovasculaire ziekten te verlagen.

Ook ontdekte hij dat een toevoeging van chocolade aan een hoog cholesterol dieet juist geen positieve effecten had op de cardio-metabole gezondheid. Tot slot concludeert de promovendus dat medicijnen die een ontstekingsreactie afremmen de cardiovasculaire gezondheid gunstig beïnvloeden, omdat ze een tegenwicht bieden aan de metabole stress die een ongezond voedselpatroon veroorzaakt. Deze resultaten moeten in de klinische praktijk nog verder worden onderzocht.

Gopala Krishna Yakala (India, 1982) studeerde Moleculaire celbiologie aan de Universiteit van Uppsala, Zweden. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Pathologie en Medische Biologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door Top Institute Food and Nutrition (TIFN). Yakala werkt als postdoc onderzoeker in het UMCG.

Promotie dhr. E.M. Bos: Therapeutic properties of hydrogen sulfide in ischemia / reperfusion injury

Wanneer:ma 30-09-2013 om 16:15

Promotie: dhr. E.M. Bos, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Therapeutic properties of hydrogen sulfide in ischemia / reperfusion injury

Promotor(s): prof.dr. H. van Goor, prof.dr. R.J. Ploeg

Faculteit: Medische Wetenschappen

Waterstofsulfide beschermt organen tegen zuurstofgebrek

Het zuurstofgebruik van muizen vermindert met 90% als ze worden blootgesteld aan waterstofsulfide (H2S), het gas dat ruikt naar rotte eieren. UMCG-onderzoeker Eelke Bos vergelijkt deze situatie met winterslaap. Hij gebruikte de bevindingen om te onderzoeken hoe de organen van muizen beschermd kunnen worden, bijvoorbeeld tijdens transplantaties.

De afgelopen jaren zijn nieuwe functies van H2S in het lichaam gevonden. Zo blijkt het in veel celtypen te worden gemaakt en speelt het een rol bij een aantal (patho)fysiologische processen zoals regulatie van de bloeddruk, ontstekingsprocessen en de activiteit van verschillende eiwitten.

In het menselijk lichaam wordt H2S onder andere door het eiwit CSE aangemaakt. Bos stelt vast dat de H2S die door dit eiwit wordt gemaakt de nieren beschermt bij zuurstofgebrek. Ook laat hij zien dat bij mensen de hoeveelheid CSE in een nier die getransplanteerd wordt, verband houdt met de werking van de nier na de transplantatie.

Eelke Bos (Amsterdam, 1983) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij voerde zijn promotieonderzoek uit in het kader van de Junior Scientific Masterclass en bij het Onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek was een samenwerking tussen de UMCG afdelingen Pathologie en Medische Biologie, Chirurgie en het Kidney Center Groningen en werd gefinancierd door het UMCG (JSM, GUIDE), Nierstichting Nederland, J.K. de Cock stichting en Carburos Metálicos S.A. Bos is inmiddels in opleiding tot Neurochirurg in het Erasmus MC in Rotterdam.

Oratie dhr. prof.dr. T. Hortobagyi: Learning from our past: the future of successful ageing

Wanneer:di 01-10-2013 om 16:15

Oratie: dhr. prof.dr. T. Hortobagyi, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Learning from our past: the future of successful ageing

Leeropdracht: Bewegen en gezond ouder worden

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie Opinie ‘Inactiviteit sluipt overal ons dagelijks leven binnen’

Promotie mw. S. Piening: Communicating Risk Effectively

Wanneer:wo 02-10-2013 om 12:45

Promotie: mw. S. Piening, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Communicating Risk Effectively

Promotor(s): prof.dr. S.M. Haaijer-Ruskamp, prof.dr. P.A. de Graeff

Faculteit: Medische Wetenschappen

Risicocommunicatie over bijwerkingen geneesmiddelen kan beter

De communicatie over ernstige bijwerkingen van medicijnen verloopt beter wanneer informatie goed gestructureerd is en afkomstig van een onafhankelijke bron. Zorgverleners vertrouwen verder bijvoorbeeld eerder op het oordeel van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen dan op dat van de fabrikant. Daarom is het belangrijk dat risicocommunicatie over bijwerkingen verbeterd wordt. Dat stelt Sigrid Piening in haar promotieonderzoek.

Risicocommunicatie over ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen verloopt nu via papieren waarschuwingsbrieven, Direct Healthcare Professional Communications (DHPC’s). Piening ging na hoe succesvol deze DHPC’s zijn. Op basis van landelijke gegevens over verstrekte geneesmiddelen tussen 2000 en 2008 concludeert zij dat voor slechts een derde van de geneesmiddelen waarvoor een DHPC was afgegeven, het gebruik op lange termijn afnam. Wanneer het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen nog een extra e-mail verzond, bleek dat het effect van een DHPC te versterken. Zorgverleners waren dan beter op de hoogte van de betreffende bijwerking en ondernamen vaker actie.

Piening stelt dat de huidige communicatiemethoden verbeterd kunnen worden door zorgverleners en beroepsverenigingen te betrekken bij het opstellen van waarschuwingsbrieven, en door deze brieven vervolgens via e-mail en onafhankelijke bronnen te versturen. Ook verdient het volgens haar aanbeveling om beter te monitoren wanneer een DHPC als voldoende effectief kan worden beschouwd. Door een drempel te stellen, kunnen aanvullende maatregelen worden genomen als deze niet wordt gehaald.

Sigrid Piening (Noordbroek, 1983) studeerde Sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Klinische Farmacologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in onderzoeksinstituut SHARE. Het onderzoek werd gefinancierd door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Piening werkt als senior onderzoeker en maatschappelijk werker bij Autisme Team Noord Nederland, onderdeel van Jonx, Lentis.

Promotie dhr. J. van Ark: Role of circulating vascular progenitor cells in the development of macrovascular disease in diabetes

Wanneer:wo 02-10-2013 om 14:30

Promotie: dhr. J. van Ark, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Role of circulating vascular progenitor cells in the development of macrovascular disease in diabetes

Promotor(s): prof.dr. J.L. Hillebrands, prof.dr. B.H.R. Wolffenbuttel

Faculteit: Medische Wetenschappen

Verstoorde balans tussen cellen in bloed diabetespatiënten

Patiënten met diabetes type 2 kampen met een tekort aan schadeherstellende cellen in het bloed, en een licht verhoogd aantal schadeveroorzakende cellen. Dat concludeert Joris van Ark in zijn promotieonderzoek. Dat verklaart volgens hem mogelijk waarom hart- en vaatziekten bij deze patiënten meer voorkomen. Therapie zou zich daarom kunnen richten op het herstellen van deze verstoorde balans.

In het ontstaan van hart- en vaatziekten spelen ziekten van de grote bloedvaten (macrovasculaire ziekten, MVD), een belangrijke rol. Van Ark onderzocht de mechanismen achter de ontwikkeling van MVD, een aandoening die bij mensen met type 2 diabetes twee- tot viermaal zo vaak voorkomt als bij mensen zonder diabetes. Hij bestudeerde daarvoor de rol van in het bloed circulerende vasculaire voorlopercellen.

Sommige voorlopercellen (endotheel voorlopercellen en angiogene cellen) remmen de ontwikkeling van MVD af, terwijl andere (gladde spiercel-voorlopercellen) deze juist stimuleren. Van Ark ontdekte dat het eerste soort voorlopercellen bij diabetespatiënten verlaagd bleek en het tweede licht verhoogd. Daardoor is de balans tussen beschermende en beschadigende voorlopercellen verstoord. De voorlopercellen zijn volgens de promovendus daardoor een mogelijk therapeutisch doelwit om de progressie van ziekten van de grote bloedvaten af te remmen.

Joris van Ark (Apeldoorn, 1983) studeerde Medische Biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Pathologie en Medische Biologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door middel van een Career Development Grant, verstrekt door het Diabetesfonds Nederland aan Van Arks promotor. Van Ark werkt als analist celbiologie bij Materiomics, een spin-off bedrijf van de Universiteit Twente.

Promotie mw. M. Abdoli: Development and evaluation of metal artifact reduction and image segmentation techniques in PET/CT

Wanneer:wo 02-10-2013 om 16:15

Promotie: mw. M. Abdoli, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Development and evaluation of metal artifact reduction and image segmentation techniques in PET/CT

Promotor(s): prof.dr. H. Zaidi, prof.dr. R.A. Dierckx, prof.dr. J. Pruim

Faculteit: Medische Wetenschappen

Rekentechnieken om meer informatie uit PET-beeld te halen

Artsen baseren hun behandelplan onder andere op beelden van een PET-scan. Maar deze zijn niet altijd vrij van onvolkomenheden, bijvoorbeeld door ruis of strepen veroorzaakt door metalen implantaten. Bovendien komen twee artsen op basis van dezelfde beelden vaak tot een andere conclusie. Mehrsima Abdoli ontwikkelde in haar promotieonderzoek verschillende rekentechnieken om de onvolkomenheden in PET-beelden te corrigeren. Met de resultaten die deze opleveren kunnen artsen en radiologen een preciezere diagnose stellen.

Abdoli bestudeerde twee problemen: de strepen die metalen implantaten veroorzaken op PET-beelden, met als gevolg een onjuist of verkeerd beeld van het weefsel in de buurt van dat implantaat, en de moeilijkheid om tot een accurate inschatting te komen van de omvang van een tumor. Met betrekking tot dat eerste probleem stelt ze dat er verschillende technieken zijn om het beeld te corrigeren, en dat een combinatie van twee technieken (sinogram en interpolatie-gebaseerde technieken) de beste resultaten geeft.

In het tweede deel van haar proefschrift stelt Abdoli dat het correct aflijnen van tumorvolume op PET-beelden lastig is, door de beperkte resolutie en ruis van die beelden. Handmatig aflijnen levert vaak verschillende berekeningen op. Na vergelijking van verschillende segmentatietechnieken, waarbij de tumor laagje voor laagje bestudeerd wordt, concludeert ze dat mogelijk is om het ruisniveau van PET-beelden te verminderen door in plaats van die segmentatietechnieken een vervormbaar contourmodel te gebruiken.

Mehrsima Abdoli (Iran, 1982) studeerde Medical Physics aan de universiteit van Teheran, Iran en werkte daarna bij het aan deze universiteit verbonden Research Centre for Science and Technology in Medicine. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door GUIDE en Siemens.

Promotie mw. J. Smolonska: The many faces of chronic obstructive pulmonary disease

Wanneer:wo 09-10-2013 om 12:45

Promotie: mw. J. Smolonska, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The many faces of chronic obstructive pulmonary disease

Promotor(s): prof.dr. H.M. Boezen, prof.dr. C. Wijmenga

Faculteit: Medische Wetenschappen

Onderzoek naar gedeelde genetische achtergrond COPD en astma

De stelling dat astma en COPD twee verschillende manifestaties zijn van dezelfde ziekte staat bekend als de “Nederlandse hypothese”. Joanna Smolonska onderzocht deze hypothese op houdbaarheid in haar promotieonderzoek, dat ze uitvoerde op basis van een Europese database. Haar conclusie: er zijn wel degelijk gedeelde genen, maar er is verder onderzoek nodig om de stelling definitief te bevestigen of te verwerpen.

Smolonska voerde haar onderzoek uit in het raamwerk van het COPACETIC-consortium, een Europees studiecentrum voor de studie naar de genetische achtergrond van COPD en emfyseem. Een deel van haar onderzoek had betrekking op mogelijke overeenkomsten tussen COPD en astma, op basis van een gedeelde genetische achtergrond en omgevingsfactoren. Of iemand astma of COPD ontwikkelt, en in welke vorm, hangt in deze “Nederlandse hypothese” af van timing en specifieke interacties tussen genetische factoren en de omgeving.

In een analyse van voorgaande studies vond Smolonska inderdaad drie specifieke plekken van een gen op een chromosoom (‘loci’) die met beide ziekten geassocieerd worden. De genen in deze ‘loci’, COMMD10 en DDX1, wijzen op het proteïnecomplex NF-kB, dat verantwoordelijk is voor de transcriptie van DNA en het reguleren van een immuunrespons tegen infecties. Verkeerde regulatie van NF-kB wordt geassocieerd met verschillende ziektes, waaronder ontstekingsziektes zoals COPD en astma. Deze bevindingen wijzen er volgens Smolonska op dat de Nederlandse hypothese waar kan zijn, maar er is volgens haar eerst nog verder populatieonderzoek nodig.

Joanna Smolonska (Polen, 1984) studeerde Biotechnologie aan de Universiteit van Wroclaw. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdelingen Epidemiologie en Genetica van het Universitair Medisch Centrum Groningen, en participeerde in onderzoeksinstituut GUIDE. Het COPACETIC-consortium financierde het onderzoek, samen met het UMCG. Smolonska werkt als zelfstandig grafisch ontwerper.

Promotie mw. A. Kunnen: Periodontitis & preeclampsia

Wanneer:wo 09-10-2013 om 14:30

Promotie: mw. A. Kunnen, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Periodontitis & preeclampsia

Promotor(s): prof.dr. F. Abbas, prof.dr. J.G. Aarnoudse, prof.dr. C.P. van der Schans

Faculteit: Medische Wetenschappen

Parodontitis speelt rol in zwangerschapscomplicaties

Het verdient aanbeveling om vrouwen voor of in het begin van hun zwangerschap te controleren op parodontitis of tandvleesontsteking. Dat stelt Alina Kunnen op basis van haar promotieonderzoek. De bacteriën die bij parodontitis op en rondom het tandvlees aanwezig zijn, kunnen via de bloedbaan de placenta bereiken en blijken daar soms complicaties te veroorzaken. Ook kunnen er door tandvleesontsteking ontstekingsfactoren opgeroepen worden die schadelijk zijn voor de zwangerschap.

Tijdens de zwangerschap neemt de gevoeligheid voor het ontwikkelen van parodontale ontstekingen toe. Er bestonden al langer aanwijzingen dat parodontitis een rol speelt bij het ontstaan van vroeggeboortes of een laag geboortegewicht. Kunnen ging na of er nog meer complicaties aan de lijst kunnen worden toegevoegd.

De promovenda concludeert dat er een duidelijk verband bestaat tussen parodontitis en de ontwikkeling van vroege zwangerschapsvergiftiging (voor 34 weken zwangerschap). Tegelijk ontdekte ze dat parodontitis op zichzelf niet alleen verantwoordelijk kan worden gesteld voor het ontstaan van deze ernstige zwangerschapscomplicatie. Eén van de voornaamste bacteriën voor parodontitis, Porphyromonas gingivalis, veroorzaakte namelijk geen ontstekingsreactie in afgenomen bloed van zwangere en niet-zwangere vrouwen. Blijkbaar zijn er dus ook andere factoren in het spel.

Dat verband bleek in een ratexperiment wel aanwezig tussen P. gingivalis en een hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap, placentaire en foetale groeivertraging, en miskramen. Vroege detectie en behandeling van parodontitis blijft daarom volgens Kunnen onbetwist belangrijk om het risico op zwangerschapscomplicaties te verkleinen.

Alina Kunnen (Haarlem, 1961) studeerde Mondzorgkunde aan de Hanzehogeschool Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde, de afdeling Obstetrie & Gynaecologie en de afdeling Pathologie en Medische Biologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Haar onderzoek werd gefinancierd door de Hanzehogeschool, de Rijksuniversiteit en de Nederlandse Vereniging voor Parodontologie. Kunnen werkt als docent en onderzoeker bij het UMCG en de Hanzehogeschool Groningen.

Promotie dhr. E.D. Telenga: On phenotyping in asthma and COPD

Wanneer:wo 09-10-2013 om 16:15

Promotie: dhr. E.D. Telenga, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: On phenotyping in asthma and COPD

Promotor(s): prof.dr. D.S. Postma

Faculteit: Medische Wetenschappen

Roken beïnvloedt de respons van astmapatiënten op medicijnen

Geïnhaleerde corticosteroïden (ICS) zijn veelgebruikte medicijnen in de behandeling van astma en COPD, maar astmapatiënten reageren over het algemeen beter op de behandeling met deze medicijnen dan COPD-patiënten. Eef Telenga ging in zijn promotieonderzoek na waardoor dat komt. Hij richtte zich daarvoor op de verschillende verschijningsvormen van beide ziekten.

Astma en COPD vormen samen de obstructieve longziekten. Door vernauwing en chronische ontsteking van de luchtwegen hebben COPD- en astmapatiënten moeite met in- en uitademen. Astma en COPD zijn complexe ziekten die worden beïnvloed door genetische en omgevingsfactoren.

Telenga ging na hoe patiënten met verschillende typen astma en COPD reageren op een behandeling met ICS. COPD ontstaat doorgaans door roken en patiënten met deze ziekte reageren verhoudingsgewijs minder goed op ICS dan astmapatiënten. Om de invloed van roken op de effectiviteit van deze medicijnen te onderzoeken, ging Telenga na of ook (ex-)rokers onder de astmapatiënten minder goed op ICS reageren. Dat bleek inderdaad het geval te zijn, waarbij de promovendus aantekent dat er alleen verschil bestaat op korte termijn. De lange termijn respons op de medicijnen bleek vergelijkbaar met die van astmapatiënten die nooit gerookt hebben.

In het tweede deel van zijn proefschrift beschrijft de promovendus verschillende methodes om obstructieve longziekten te onderzoeken. Daarmee kunnen in de toekomst mogelijk nieuwe verschijningsvormen van astma en COPD geïdentificeerd worden.

Eef (Evert) Telenga (Assen, 1980) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Longziekten (Groningen Research Institute for Asthma and COPD) van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zijn onderzoek werd gefinancierd door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Telenga werkt als art-assistent in opleiding tot nucleair geneeskundige bij de afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming van het UMCG.

Promotie dhr. J. van Zaane: Bipolar disorder and alcohol. Double trouble or just co-occurrence?

Wanneer:wo 16-10-2013 om 12:45

Promotie: dhr. J. van Zaane, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Bipolar disorder and alcohol. Double trouble or just co-occurrence?

Promotor(s): prof.dr. W.A. Nolen, prof.dr. W. van den Brink

Faculteit: Medische Wetenschappen

Alcohol verergert bipolaire stoornis niet

Amerikaans onderzoek stelt keer op keer: alcohol verergert het verloop van bipolaire stoornissen. Jan van Zaane spreekt deze bevinding na zijn promotieonderzoek tegen. Zelfs overmatig alcoholgebruik heeft geen negatief effect op het verloop van bipolaire stoornissen, mits patiënten hun medicatie trouw blijven innemen.

Naar schatting vijftig procent van de patiënten met een bipolaire stoornis kampt ook met een alcohol- en/of drugsverslaving. Het onderzoek van Van Zaane richtte zich op twee hoofdvragen: de betrouwbaarheid van een veelgebruikt screeningsinstrument (de Mood Disorder Questionnaire, MDQ) om vast te stellen welke patiënten met een verslaving een bipolaire stoornis hebben en het effect van gematigd en overmatig gebruik van alcohol op deze ziekte.

De uitkomsten zijn opmerkelijk. Zo concludeert Van Zaane dat de MDQ, een betrouwbaar instrument in poliklinieken voor stemmingsstoornissen, in de verslavingszorg juist geen goed beeld geeft van wie er wel of niet een bipolaire stoornis heeft. Patiënten die positief scoren, blijken vaak een andere diagnose dan een bipolaire stoornis te hebben.

Ook vond Van Zaane, in onderzoek onder drie groepen patiënten met een bipolaire stoornis (niet-drinkers, gematigde en excessieve drinkers) geen negatief effect van alcohol op het verloop van de ziekte. Dat is in vergelijking met andere onderzoeken een opmerkelijke uitkomst, die door verschillende factoren verklaard kan worden. De belangrijkste verklaring is volgens Van Zaane dat patiënten in zijn onderzoek hun medicatie trouw bleven innemen.

Jan van Zaane (Holwierde, 1950) studeerde geneeskunde aan de universiteit van Amsterdam Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de Dienst Onderzoek GGZ InGeest en het VUmc in Hoofddorp/Amsterdam. Zijn onderzoek werd gefinancierd door de Stichting tot steun VCVGZ, Arnhem, Eli Lily International en Bristol-Myers Squibb BV. Van Zaane werkt als psychiater voor de Academische Werkplaats Bipolaire Stoornissen (GGZ inGeest / VUmc) in Hoofddorp.

Promotie dhr. B.W. Peterson: Visco-elastic properties of biofilms

Wanneer:wo 16-10-2013 om 14:30

Promotie: dhr. B.W. Peterson, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Visco-elastic properties of biofilms

Promotor(s): prof.dr. H.C. van der Mei, prof.dr. H.J. Bosscher

Faculteit: Medische Wetenschappen

Microbiële biofilms aanpakken door ze te laten resoneren

Naar schatting tachtig procent van alle bacteriële infecties die door dokters behandeld worden, wordt veroorzaakt door biofilms, dunne laagjes micro-organismen. Brandon Peterson stelt in preklinisch onderzoek de hypothese op dat de hechting van de micro-organismen aan een oppervlak verstoord kan worden door bacteriën te laten trillen met geluidsgolven.

Biofilms hechten zich door zelfgeproduceerd slijm vast aan een oppervlak en zijn vervolgens moeilijk te verwijderen. Antimicrobiële stoffen kunnen moeilijk in biofilms doordringen. Een bekend voorbeeld van een biofilm is tandplak. Onderzoek richtte zich tot nu toe vooral op het voorkomen van het proces van hechting.

Peterson ging na hoe de taaie en elastische eigenschappen van volgroeide biofilms precies functioneren. Hij maakte daarvoor gebruik van drie wiskundige berekeningen aan de hand van het Maxwell-model, die hij vervolgens terugkoppelde naar de onderliggende fysieke processen in de bacteriën.

Vervolgens ging de promovendus na hoe de fysieke eigenschappen van de bacteriën veranderd kunnen worden. Hij ontdekte dat dat onder andere gebeurt tijdens het centrifugeren van bacteriën, maar ook zou kunnen door ze te laten trillen met geluidsgolven. De veranderde bacteriën kunnen zich vervolgens minder goed hechten, terwijl antimicrobiële middelen beter in de biofilm kunnen doordringen. Peterson concludeert dat bio-akoestische behandelingen in de toekomst een bruikbaar instrument zouden kunnen zijn om de structuur van biofilms te veranderen.

Brandon Peterson (VS, 1979) studeerde scheikunde aan de Xavier University. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Biomedical Engineering, W.J. Kolff Instituut van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door het UMCG en het Kolff Instituut.

Oratie mw. prof.dr. B.M. Bakker: Modellen voor jong en oud

Wanneer:di 22-10-2013 om 16:15

Oratie: mw. prof.dr. B.M. Bakker, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Modellen voor jong en oud

Leeropdracht: Kindergeneeskunde, i.h.b. medische systeem biologie

Faculteit: Medische Wetenschappen

Prof.dr. Barbara Bakker gaat tijdens haar oratie in op het gebruik van computermodellen om grip te krijgen op stofwisselingsziektes. De titel van de oratie - Modellen voor jong en oud - verwijst naar de toepassing van haar aanpak op zowel aangeboren stofwisselingsziektes als ouderdomsziektes.

Onze energiestofwisseling vindt grotendeels plaats in speciale celorganellen, mitochondriën genaamd. Deze ‘energiefabriekjes’ zijn essentieel voor de verbranding van vetten en suikers. Bij een gezonde stofwisseling vinden snelle en nauwkeurige aanpassingen plaats aan een wisselend aanbod van voedingsstoffen en een wisselende vraag naar energie. Daarbij schakelen we voortdurend tussen verbranding en opslag van vetten en suikers. De enzymreacties die hiervoor verantwoordelijk zijn, hebben we inmiddels goed in kaart. De wetenschappelijke uitdaging is gelegen in het begrijpen van de snelle en accurate regulatie van al die processen. Om dit complexe regelnetwerk te begrijpen zijn computermodellen onontbeerlijk.

Bakker laat zien hoe computermodellen voorspellen dat de stofwisseling inherent het risico in zich draagt om instabiel gedrag te vertonen. Dan dreigen we in een situatie te geraken waarin tussenproducten gaan ophopen en belangrijke processen geblokkeerd raken. Ons lichaam heeft vele mechanismen ontwikkeld om ons hiertegen te beschermen, maar bij aangeboren of verkregen ziektes kunnen deze falen. Een beter begrip van de risico’s en beschermingsmechanismen moet ons helpen om tot betere therapieën te komen.

Promotie dhr. M.T.R. Roofthooft: Pediatric and neonatal pulmonary hypertension. Epidemiology, management, risk stratification and outcome

Wanneer:wo 23-10-2013 om 14:30

Promotie: dhr. M.T.R. Roofthooft, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Pediatric and neonatal pulmonary hypertension. Epidemiology, management, risk stratification and outcome

Promotor(s): prof.dr. R.M.F. Berger

Faculteit: Medische Wetenschappen

Meer intensieve medicamenteuze behandeling PH bij kinderen gerechtvaardigd

Kinderen met een verhoogde bloeddruk in de longslagaders (pulmonale hypertensie, PH) hebben baat bij dezelfde behandeling als volwassenen met deze levensbedreigende ziekte. Dat constateert Marc Roofthooft in zijn promotieonderzoek. Hij ging in een landelijk, retrospectief onderzoek na welke kinderen de ziekte hebben, welke onderliggende factoren een rol spelen, en welke behandelingen zijn toegepast.

In de periode 1991-2006 werd de ziekte PH bij meer dan drieduizend kinderen tussen nul en zeventien jaar vastgesteld. Van de groep kinderen met een verhoogde bloeddruk in de longslagaders blijkt een grote groep (82%), bij een adequate behandeling, opvallend genoeg een voorbijgaande vorm van de ziekte te hebben. Twee andere belangrijke groepen (beide 5%) worden gevormd door kinderen met een longziekte en/of lage zuurstofspiegel in het bloed en kinderen met een afwijking aan de linkerhelft van het hart. De laatste groep betreft kinderen met een progressieve aandoening van de bloedvaten in de longen (PAH). De meesten van hen (72%) worden met een hartafwijking geboren.

Er zijn verschillende ‘generaties’ medicijnen op de markt voor PAH. Deze zijn getest bij volwassenen, maar worden ook bij kinderen toegepast. Roofthooft concludeert op basis van de overlevingscijfers dat kinderen, net als volwassenen, de beste overlevingscijfers laten zien bij een behandeling waarin twee typen PAH-medicatie worden gecombineerd. Hij concludeert dat dit een agressievere medicamenteuze behandeling lijkt te rechtvaardigen. Wel is er volgens hem nog meer onderzoek nodig naar de effecten op langere termijn.

Marc Roofthooft (Leiden, 1969) studeerde geneeskunde aan de Erasmus universiteit Rotterdam Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Nationaal expertisecentrum voor diagnostiek en behandeling van kinderen met PH, afdeling Kindercardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Roofthooft werkt als kindercardioloog in het UMCG.

Promotie mw. K. Klauke: Epigenetic regulation of normal and malignant hematopoiesis

Wanneer:wo 23-10-2013 om 16:15

Promotie: mw. K. Klauke, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Epigenetic regulation of normal and malignant hemotopoiesis

Promotor(s): prof.dr. G. de Haan

Faculteit: Medische Wetenschappen

Eiwitcomplex schakelt tussen ziekte en gezondheid

Onderzoekers van ERIBA, het Europese onderzoeksinstituut dat de biologie van het ouder worden in kaart brengt, hebben ontdekt hoe een bepaald eiwitcomplex fungeert als een schakelaar en daarmee het lot van stamcellen in het bloed bepaalt. Promovenda Karin Klauke ontrafelde hoe het eiwitcomplex schakelt tussen ziekte en gezondheid.

Stamcellen hebben de unieke eigenschap dat ze zichzelf vrijwel onbeperkt kunnen vernieuwen en tevens kunnen uitrijpen tot cellen met een specifieke functie in het lichaam. Daarin blijkt een bepaald eiwitcomplex (het polycomb-complex) een belangrijke rol te spelen.

Afhankelijk van welke eiwitten plaats nemen in dit complex, verandert de manier waarop DNA in de stamcel gevouwen is. Daarmee bepaalt deze ‘schakelaar’ welke genetische informatie wordt gebruikt voor de functie van een nieuwe cel: wordt dat een nieuwe stamcel of een uitgerijpte bloedcel? Als de schakelaar voor te veel nieuwe stamcellen zorgt, ontstaat leukemie, als er te weinig nieuwe stamcellen bijkomen, ontstaat bloedceltekort.

Om de ontwikkeling van leukemie in muizen te bestuderen, heeft Klauke het eiwitcomplex vervolgens gemanipuleerd in stamcellen. Hiervoor markeerde ze individuele stamcellen met een ‘barcode’, die bij iedere celdeling wordt doorgegeven aan de dochtercellen. De cel waaruit de leukemie is ontstaan, kan zo worden teruggevonden.

Klauke toont aan dat leukemie uit meerdere leukemie stamcellen kan ontstaan. Deze cellen hebben verschillende eigenschappen met betrekking tot groei en uitrijping en reageren soms verschillend op stress, zoals chemotherapie. Deze studie benadrukt daarom het nut van combinatietherapie met meerdere chemotherapeutica om leukemie te behandelen en genezen.

Karin Klauke (Groningen,1983) studeerde Biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Ageing Biology and Stem Cells van het European Research Institute for the Biology of Ageing (ERIBA), onderdeel van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek viel binnen het NWO Vici-project van promotor Gerald de Haan.

De resultaten van het onderzoek zijn onder andere gepubliceerd in het belangrijke celbiologische vaktijdschrift Nature Cell Biology . Zie daarvoor ook het persbericht ‘Eiwitschakelaar’ bepaalt of stamcellen specialiseren of vernieuwen

Promotie mw. S. Chalavi: The traumatized brain. Gray and white matter morphology in dissociative identity disorder and posttraumatic stress disorder

Wanneer:ma 28-10-2013 om 12:45

Promotie: mw. S. Chalavi, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The traumatized brain. Gray and white matter morphology in dissociative identity disorder and posttraumatic stress disorder

Promotor(s): prof.dr. A. Aleman, prof.dr. D.J. Veltman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Trauma veroorzaakt dissociatieve identiteitsstoornis

De hersenen van mensen met een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS, eerder: meervoudige persoonlijkheidsstoornis) of een posttraumatische stressstoornis zien er anders uit dan die van mensen zonder zo’n stoornis. De verhouding tussen grijze en witte stof is afwijkend in bepaalde gebieden, waaronder de hippocampus. Dat concludeert Sima Chalavi in haar promotieonderzoek.

Er bestaan twee visies op het ontstaan van DIS. Sommige wetenschappers stellen dat deze wordt veroorzaakt door een ernstig trauma in de jeugd, anderen menen dat patiënten – bewust of onbewust – hun andere identiteitsstaat simuleren. Neurowetenschappelijk bewijs voor de eerste stelling was er niet. Chalavi vergeleek daarom met behulp van MRI-scans de verhouding tussen witte en grijze stof in de hersenen van mensen met DIS, met een posttraumatische stressstoornis en die van een gezonde controlegroep.

Op basis van de scans concludeert Chalavi dat mensen met DIS of een posttraumatische stressstoornis een aantal afwijkingen vertonen in de grijze stof van de frontale, temporale en insulaire cortex en de hippocampus. Ook ontdekte ze dat een aantal belangrijke bundels van vezels, betrokken bij het reguleren van emoties, bij deze twee groepen een lagere witte stof integriteit laten zien, en dat de afwijkingen aan de hippocampus een correlatie vertonen met jeugdtrauma. Deze bevindingen ondersteunen de stelling dat DIS door een trauma veroorzaakt wordt.

Sima Chalavi (Iran, 1981) studeerde Biomedical Engineering aan de Amir Kabir University of Technology, Teheran, Iran. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Neurowetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen en het Institute of Psychiatry, King’s College, Londen. Het onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksproject ‘Neuroimaging Dissociative Identity Disorder’ en werd gefinancierd door NWO en de International Society for the Study of Trauma and Dissociation (ISSTD).

Promotie mw. J. Riphagen-Dalhuisen: Influenza vaccination of health care workers

Wanneer:ma 28-10-2013 om 14:30

Promotie: mw. J. Riphagen-Dalhuisen, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Influenza vaccination of health care workers

Promotor(s): prof.dr. E. Hak

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Griepprik voor ziekenhuispersoneel voorkomt infecties bij patiënten

Promotie dhr. M.O. Hoeke: The role of vitamin A in bile bile acid synthesis and transport and the relevance for cholestatic liver disease

Wanneer:ma 28-10-2013 om 16:15

Promotie: dhr. M.O. Hoeke, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The role of vitamin A in bile bile acid synthesis and transport and the relevance for cholestatic liver disease

Promotor(s): prof.dr. K.N. Faber, prof.dr. H. Moshage

Faculteit: Medische Wetenschappen

Gebrek aan vitamine A kan cholestase (galstuwing) verergeren

Vitamine A speelt een belangrijke rol in de galzouthuishouding. Dat stelt Martijn Hoeke in zijn promotieonderzoek. Uit eerder onderzoek was de omgekeerde relatie tussen galzouthuishouding en vitamine A reeds bekend; patiënten die lijden aan cholestase, galstuwing door stagnatie van de galstroom, ontwikkelen dikwijls een tekort aan vitamine A. Hoekes bevinding heeft mogelijk belangrijke implicaties voor deze patiënten.

Gal en galzouten zijn nodig voor het verteren en absorberen van vetten en vet-oplosbare stoffen in de darm. Een verstoorde galzouthuishouding zorgt ervoor dat er minder vet-oplosbare vitaminen, waaronder vitamine A, worden opgenomen. Hoeke ging na wat de invloed is van vitamine A op de aansturing van genen betrokken bij het aanmaken en transporteren van galzouten in lever en darm.

In het tweede deel van zijn onderzoek paste Hoeke zijn bevindingen toe in een ratmodel. De promovendus stelt vast dat een gebrek aan vitamine A tot een verstoorde galzouthuishouding leidt. Een gebrek aan vitamine A doet het ziektebeeld in cholestatische ratten snel verergeren. Bij het toedienen van vitamine A normaliseerde het ziektebeeld juist. Hoeke pleit er op basis van deze resultaten voor om de vitamine A-status van cholestatische patiënten goed in de gaten te houden.

Martijn Hoeke (Tilburg, 1977) studeerde scheikunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Maag-, Darm- en Leverziekten van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek werd gefinancierd door de Maag Lever Darm Stichting (MLDS). Hoeke werkt als docent moleculaire biologie aan de Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden.

Promotie mw. S. Post: House dust mite and the integrity of the airway epithelium. Mechanisms involved in the development of the allergic asthma

Wanneer:wo 30-10-2013 om 11:00

Promotie: mw. S. Post, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: House dust mite and the integrity of the airway epithelium. Mechanisms involved in the development of the allergic asthma

Promotor(s): prof.dr. A.J.M. van Oosterhout

Faculteit: Medische Wetenschappen

Luchtwegepitheel speelt cruciale rol in ontwikkeling astma

Een niet goed functionerend luchtwegepitheel – het bedekkende weefsel in de luchtwegen met een barrièrefunctie voor allergenen – speelt, samen met beschadigingen in de cel-cel contacten, een cruciale rol in het ontstaan van de ontwikkeling van allergisch astma. Tot die conclusie komt Sijranke Post in haar promotieonderzoek.

Omdat de aanleg voor astma erfelijk is, denkt men dat de ontwikkeling van astma het resultaat is van een interactie tussen genetische en omgevingsfactoren. Verschillende studies hebben laten zien dat de ontwikkeling van astma gerelateerd is aan blootstelling op jonge leeftijd aan een virusinfectie en/of allergenen (zoals huisstofmijt). Veel van de onlangs ontdekte astmagevoeligheidsgenen komen tot expressie in het luchtwegepitheel. Sijranke Post ging daarom na welke veranderingen in die laag cellen van belang zouden kunnen zijn voor de ontwikkeling van astma.

De promovenda ontdekte dat een bepaald soort huisstofmijtextract de barrièrefunctie van het epitheel het sterkst verminderde. Ook concludeert ze dat dit extract zorgt voor een sterk verhoogde aanmaak van een ontstekingsbevorderend stofje (chemokine CCL20), en voor het verlies van het cel-cel contacteiwit E-cadherine, met celbeschadigingen tot gevolg. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of verlies aan E-cadherine doorslaggevend is voor het ontwikkelen van allergische gevoeligheid en astma.

Sijranke Post (Westerbork, 1980) studeerde Biomedicine aan de University of Southern Denmark (Odense, Denemarken). Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij het laboratorium Allergie en Longziekten van de afdeling Pathologie en Medische Biologie, van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Ook kreeg zij een beurs van de European Respiratory Society om het project een jaar te kunnen voortzetten bij het Inflammation Research Center van het Flanders Institute for Biotechnology (VIB) van de Universiteit van Gent. Het onderzoek werd gefinancierd door het Longfonds.

Promotie dhr. J.B. Terra: Studies on clinical symptoms, diagnosis and treatment in pemphigoid diseases

Wanneer:wo 30-10-2013 om 12:45

Promotie: dhr. J.B. Terra, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Studies on clinical symptoms, diagnosis and treatment in pemphigoid diseases

Promotor(s): prof.dr. M.F. Jonkman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Blaarziekten met én zonder blaren goed en veilig met hormooncrème te behandelen

Promotie mw. M.J. Noordzij: Skin autofluorescence and atherosclerosis

Wanneer:wo 30-10-2013 om 14:30

Promotie: mw. M.J. Noordzij, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Skin autofluorescence and atherosclerosis

Promotor(s): prof.dr. R.O.B. Gans, prof.dr. A.J. Smit

Faculteit: Medische Wetenschappen

Geavanceerde lichttechniek kan ernst aderverkalking beter inschatten

Een meting waarin gebruik wordt gemaakt van autofluorescentie van de huid (SAF) geeft een goede risico-inschatting van toekomstige hart- en vaatziekten en sterfte. Dat stelt Marjon Noordzij in haar promotieonderzoek. De meting, die volgens haar gemakkelijk en snel uit te voeren is, kan helpen inschatten welke patiënten de grootste risico’s lopen.

Dat bepaalde schadelijke stoffen (advanced glycation endproducts, AGE) zich in ons lichaam opstapelen naarmate we ouder worden, en dat dit bij sommige ziektebeelden versneld gebeurt, was al bekend. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij diabetes, nierfalen en andere systeemziekten. De mate van AGE-stapeling kan geschat worden met de SAF-lichttechniek. Daarbij wordt de onderarm belicht met UVA-stralen. AGE-deeltjes stralen in dat licht een andere, herkenbare lichtfrequentie uit. Het onderzoek van Noordzij heeft twee belangrijke conclusies.

In de eerste plaats concludeert ze dat de SAF-meting door storende factoren, zoals huidcrèmes, beïnvloed kan worden, waardoor de meting minder betrouwbaar is. Die factoren moeten volgens haar vermeden worden. In de tweede plaats stelt de promovenda vast dat er een correlatie bestaat tussen AGE-stapeling en aderverkalking. Patiënten met vaatproblemen, zoals vernauwde halsslagaders en vernauwde beenvaten, bleken ook een hoge SAF-score te laten zien. De meting blijkt zo, onafhankelijk van klassieke risicofactoren, zoals een hoge bloeddruk of hoog cholesterol, roken, overgewicht, een nauwkeurige voorspeller voor het cardiovasculaire risico van patiënten.

Marjon Noordzij (Ermelo, 1977) studeerde geneeskunde aan de Universiteit Utrecht. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Interne Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen, tijdens haar opleiding tot internist en daarna naast haar baan als internist in ziekenhuis Tjongerschans in Heerenveen.

Promotie mw. M.J. de Boer: Living with chronic pain. Mechanisms and interventions

Wanneer:wo 30-10-2013 om 16:15

Promotie: mw. M.J. de Boer, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Living with chronic pain. Mechanisms and interventions

Promotor(s): prof.dr. M.M.R.F. Struys, prof.dr. R. Sanderman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Interpretatie van pijn bepaalt pijnbeleving

Promotie mw. F.J. van Apeldoorn: The treatment of panic disorder. Psychotherapy, pharmacotherapy, or the two combined?

Wanneer:ma 04-11-2013 om 16:15

Promotie: mw. F.J. van Apeldoorn, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The treatment of panic disorder. Psychotherapy, pharmacotherapy, or the two combined?

Promotor(s): prof.dr. J.A. den Boer

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie mw. T. Wu: Influence of genes, environment and their interaction on risk factors for asthma and cardiovascular disease

Wanneer:wo 06-11-2013 om 09:00

Promotie: mw. T. Wu, 9.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Influence of genes, environment and their interaction on risk factors for asthma and cardiovascular disease

Promotor(s): prof.dr. H. Snieder

Faculteit: Medische Wetenschappen

Tweelingstudies geven belangrijke aanwijzingen voor genenstudies

Tweelingstudies kunnen helpen bij het opsporen van de genetische oorzaak van ziektes, omdat ze de effecten van de omgeving op de genen laten zien, nog voordat specifieke genen zijn geïdentificeerd. Dat stelt Ting Wu in haar tweede promotieonderzoek. Dat richtte zich op risicofactoren voor het ontstaan van astma en hart- en vaatziekten.

Wu concludeert dat het genenonderzoek de afgelopen jaren in een stroomversnelling is geraakt. Er zijn honderden genetische varianten voor complexe ziekten geïdentificeerd, maar deze verklaren niet waarom de ene persoon ziek wordt en de andere niet. Daarvoor is ook het samenspel tussen omgevingsfactoren en erfelijke variaties van belang. Om de erfelijke invloed van de respons op omgevingsfactoren te schatten, paste de promovenda kwantitatief genetische modellen toe op tweelingdata. Ze bestudeerde onder andere de effecten van blootstelling aan stress en overgewicht op de bloeddruk. Bij Chinese Han-tweelingen met een hoog BMI bleken omgevingsfactoren een grotere rol te spelen dan genetische factoren.

Wu concludeert dat tweelingstudies weliswaar geen genen kunnen identificeren (daarvoor zijn moleculaire genetische studies nodig), maar dat ze wel de exploratie toestaan van het belang van het samenspel tussen genen en omgeving. Ze pleit daarom onder andere voor grote populatiestudies en maximale afstemming van verkregen erfelijke en omgevingsinformatie.

Ting Wu (Beijing, 1980) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van Beijing (China), waar zij in 2010 promoveerde op een genetisch en cardiovasculair onderzoek. Haar tweede promotieonderzoek verrichte ze vanaf 2008 bij de afdeling Epidemiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Wu werkt als epidemioloog bij farmaceutisch bedrijf Merck in Beijing (China).

Promotie mw. A. Funke: The role of hepatic inflammation in the development of hepatic steatosis and insulin resistance

Wanneer:wo 06-11-2013 om 11:00

Promotie: mw. A. Funke, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The role of hepatic inflammation in the development of hepatic steatosis and insulin resistance

Promotor(s): prof.dr. M.H. Hofker

Faculteit: Medische Wetenschappen

Geen causaal verband tussen leverontsteking en insulineresistentie

Leverontsteking bij overgewicht leidt niet per se tot de ontwikkeling van insulineresistentie. Tot die conclusie komt Anouk Funke in haar promotieonderzoek. Zij ging na wat de rol van leverontsteking is bij het ontstaan van leververvetting en insulineresistentie.

Funke stelt voorop dat er al langer getwijfeld wordt aan de causaliteit tussen leverontsteking en insulineresistentie, vaak een voorbode van type 2 diabetes. De promovenda gebruikte voor haar onderzoek drie verschillende soorten muismodellen.

Een van de muismodellen werd blootgesteld aan een hoog vet, hoog cholesterol dieet voor de ontwikkeling van leverontsteking. In een kortetermijnstudie ontwikkelen deze slanke muizen geen insulineresistentie, ondanks het ontstaan van leverontsteking. In de langetermijnstudie is de leverontsteking niet verergerd, maar de dikke muizen ontwikkelen wel insulineresistentie en dit suggereert dat leverontsteking niet betrokken is bij het ontstaan van insulineresistentie. Omgekeerd bleek dat verminderde leverontsteking bij 2 andere muis modellen geen bescherming biedt tegen door overgewicht veroorzaakte insulineresistentie.

Al deze resultaten onderbouwen de stelling dat de rol van ontsteking in de ontwikkeling van insulineresistentie nog niet goed begrepen is. Funke pleit voor meer, gerichter onderzoek.

Anouk Funke (Emmen, 1982) studeerde Biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Moleculaire Genetica van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in onderzoeksinstituut GUIDE. Haar onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksproject “The role of inflammation in obesity-induced type 2 diabetes: toward new diagnostic markers and interventional targets” van SenterNovem/Agentschap NL.

Promotie dhr. S. Arsov: Advanced glycation end-products in hemodialysis patients

Wanneer:wo 06-11-2013 om 12:45

Promotie: dhr. S. Arsov, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Advanced glycation end-products in hemodialysis patients

Promotor(s): prof.dr. G. Rakhorst, prof.dr. A.J. Smit

Faculteit: Medische Wetenschappen

BMI-waarde belangrijke voorspeller voor sterfte onder dialysepatiënten

Nierdialysepatiënten kunnen het beste een Body Mass Index (BMI) hebben van 24 kg/m2. Zij maken dan de minste kans om vroegtijdig aan nierfalen te sterven. Dat concludeert Stefan Arsov in zijn promotieonderzoek. Arsov onderzocht door welke factoren de hoeveelheid glycoseringseindproducten in de huid en het bloed van dialysepatiënten beïnvloed worden en hoe een stijging bij nierpatiënten vermeden kan worden.

End Stage Renal Disease (ERSD) is een chronische en onomkeerbare nierziekte. De nieren zijn dan niet meer in staat om afval of overtollig water af te voeren. Patiënten met ERSD zijn voor overleving afhankelijk van nierdialyse of een niertransplantatie. Arsov ging na hoe snel de afvalstoffen in de huid van ERSD-patiënten stijgen. Die stijging blijkt jaarlijks maar liefst zeven tot negen maal hoger dan bij gezonde proefpersonen.

Hemodialyse, waarbij het bloed buiten het lichaam gefilterd wordt door een kunstnier, verminderde wel de afvalstoffen in het bloed, maar leidde niet tot onmiddellijke, meetbare verschillen in de huid. De stijging van afvalstoffen in de huid vormt volgens Arsov een belangrijke voorspeller voor sterfte. Deze stijging blijkt samen te hangen met de BMI-waarde. De promovendus concludeert dat een BMI-waarde van 24 zorgt voor de kleinste jaarlijkse stijging. Hij concludeert dat het optimaliseren van de voeding wellicht kan leiden tot minder sterfte onder nierpatiënten.

Stefan Arsov (Skopje, Macedonië, 1980) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Skopje. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek aan het W.J. Kolff instituut van het Universitair Medisch Centrum Groningen, en de afdelingen Interne Geneeskunde van de universiteiten van Skopje (Macedonië), Umea (Zweden) en Groningen (UMCG). Het onderzoek werd gefinancierd door Ubbo Emmius, DiagnOptics Technologie b.v. (Groningen) en Fresenius Medical Care (Bad Homburg, Duitsland). Arsov werkt in een privékliniek in Skopje, Macedonië.

Promotie dhr. P.C. van den Akker: Dystrophic epidermolysis bullosa. Novel insights into the genotype-phenotype correlation and somatic mosaicism

Wanneer:wo 06-11-2013 om 14:30

Promotie: dhr. P.C. van den Akker, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Dystrophic epidermolysis bullosa. Novel insights into the genotype-phenotype correlation and somatic mosaicism

Promotor(s): prof.dr. M.F. Jonkman, prof.dr. R.M.W. Hofstra

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Perspectief op behandeling tegen huidziekte EB

Promotie mw. M.L. Fokkema: Outcome after percutaneous coronary intervention

Wanneer:wo 06-11-2013 om 16:15

Promotie: mw. M.L. Fokkema, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Outcome after percutaneous coronary intervention

Promotor(s): prof.dr. A.A. Voors

Faculteit: Medische Wetenschappen

Prognose na dotterbehandeling afgelopen twee decennia verbeterd

Patiënten met kransslagaderverkalking hebben de afgelopen twintig jaar steeds betere vooruitzichten na een dotterbehandeling. Dit geldt met name voor patiënten die zo’n behandeling ondergaan na een acuut hartinfarct. Dat is één van de conclusies van het promotieonderzoek van Marieke Fokkema. Zij maakte voor haar onderzoek onder andere gebruik van een Zweedse landelijke registratiestudie.

Fokkema concludeert dat de groep patiënten die een dotterbehandeling ondergaan de afgelopen twintig jaar erg veranderd is, net als de risico’s die zij lopen. Zo nam de gemiddelde leeftijd van patiënten toe, en werden zij vaker behandeld in een situatie waarin acuut moet worden ingegrepen, dan bij stabiele vaatproblemen. Technische, procedurele en farmaceutische ontwikkelingen zorgen bovendien voor betere klinische uitkomsten na een dotterbehandeling. Voor hartinfarctpatiënten, zo concludeert de promovenda, blijkt een snelle behandeling in de eerste uren na het optreden van symptomen cruciaal. Wanneer patiënten later behandeld worden, hebben zij aanzienlijk slechtere vooruitzichten op een goed herstel.

Marieke Fokkema (Rotterdam, 1986) studeerde geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Cardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek werd deels gefinancierd met een MD/PhD-beurs van de Junior Scientific Masterclass van het UMCG. Fokkema volgt een vooropleiding Interne Geneeskunde bij het Martiniziekenhuis in Groningen.

Promotie dhr. F. Iovino: Streptococcus pneumoniae interactions with endothelial cells leading to invasive pneumococcal disease

Wanneer:ma 11-11-2013 om 16:15

Promotie: dhr. F. Iovino, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Streptococcus pneumoniae interactions with endothelial cells leading to invasive pneumococcal disease

Promotor(s): prof.dr. J.M. van Dijl, prof.dr. G. Molema

Faculteit: Medische Wetenschappen

Pneumokokken hebben slimme strategie om bloed-hersenbarrière te doorbreken

Hersenvliesontsteking ontstaat doordat pneumokokken, een bepaald soort ziekteverwekkers, een voorkeur blijken te hebben voor bepaalde plekken in de beschermende laag cellen tussen bloed en hersenen. Door zich op die plekken vast te kleven, kunnen zij als het ware de barrière ‘oversteken’ en hersenvliesontsteking veroorzaken. Dat stelt Federico Iovino in zijn promotieonderzoek. Hij ging na wat er precies gebeurt in de bloed-hersenbarrière voordat er hersenvliesontsteking optreedt.

Bacteriële meningitis, oftewel hersenvliesontsteking veroorzaakt door een bacterie, is een ziekte die wordt veroorzaakt door bacteriën die het centrale zenuwstelsel binnendringen en zich vervolgens verspreiden naar de hersenen. Ze moeten daarvoor de bloed-hersenbarrière passeren, een laag cellen die de hersenen afscheidt van de bloedbaan. Ziekteverwekkers hebben verschillende manieren om dat te doen.

Onderzoekers wisten al dat de hoofdveroorzaker van bacteriële hersenvliesontsteking, S. pneumoniae, kan kleven aan de endotheelcellen van de hersenen, maar de daadwerkelijke interactie was nog niet eerder aangetoond. Iovino ontdekte dat de cellen bij de oversteek gebruik maken van een speciaal transportproces (trancytosis) via de celmembranen. De promovendus ging vervolgens na welke moleculen en receptoren bij dit proces betrokken zijn. De resultaten helpen om het inzicht in het ontstaan van bacteriële meningitis te vergroten.

Federico Iovino (Pavia, Italië, 1984) studeerde Human biology en Biomedical Sciences aan de universiteit van Pavia. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Medische microbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in de Graduate School of Medical Sciences (GSMS). Het onderzoek werd gefinancierd door GSMS en UMCG. Iovino werkt als postdoc onderzoeker aan het Karolinska Institute in Stockholm (Zweden).

Promotie mw. C. de Jong: The Groningen LCPUFA study. Associations between neonatal and early postnatal fatty acid status and developmental outcome at 9 years

Wanneer:wo 13-11-2013 om 11:00

Promotie: mw. C. de Jong, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The Groningen LCPUFA study. Associations between neonatal and early postnatal fatty acid status and developmental outcome at 9 years

Promotor(s): prof.dr. M. Hadders-Algra

Faculteit: Medische Wetenschappen

Toevoeging vetzuren aan eerste flesvoeding niet per se goed voor gezondheid

Of een kind zich in de schoolleeftijd goed ontwikkelt, hangt niet zozeer af van toegevoegde vetzuren aan flesvoeding gedurende de eerste twee maanden, maar van het dieet van de moeder voor en tijdens de zwangerschap. Wanneer dit dieet rijk is aan het omega-3 vetzuur docosahexaeenzuur (DHA) laten kinderen op negenjarige leeftijd een betere motorische ontwikkeling zien. Dat concludeert Corina de Jong in haar promotieonderzoek. Zij bestudeerde het effect van twee groepen toegevoegde vetzuren (DHA en arachidonzuur, AA) in flesvoeding op de latere ontwikkeling van het kind.

Wetenschappers veronderstellen dat de toevoeging van DHA en AA aan de eerste flesvoeding een positief effect heeft op de vroege ontwikkeling van het kind. De Jong onderzocht de effecten van de toegevoegde vetzuren op de ontwikkeling van negenjarigen. Ze keek daarvoor naar hun motorische, cognitieve en emotionele ontwikkeling, en naar lengte, gewicht, hoofdomtrek, bloeddruk en hartslag.

De promovenda concludeert dat de toevoeging van DHA en AA aan flesvoeding geen eenduidig voordeel oplevert voor de ontwikkeling. De vetzuren bleken alleen nuttig voor de kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap rookten. Het nadeel dat kinderen ervaren door het roken van hun moeder tijdens de zwangerschap leek door het toevoegen van de vetzuren grotendeels gecompenseerd te worden. Belangrijker dan de toevoeging van DHA aan flesvoeding is volgens de promovenda de voeding van de moeder voor de geboorte van haar kind. Ze concludeert dat op basis van het DHA-niveau in de navelstreng. Het onderzoek bevestigt tot slot dat borstvoeding een klein positief effect laat zien op de ontwikkeling van de hersenen en het cardiovasculair systeem.

Corina de Jong (Heerenveen, 1980) studeerde psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Ontwikkelingsneurologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door de EU. De Jong werkt als postdoc onderzoeker in het UMCG.

Promotie mw. N.A. Hosper: The use of mesenchymal cells in fetal and adult tissue repair

Wanneer:wo 13-11-2013 om 12:45

Promotie: mw. N.A. Hosper, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: The use of mesenchymal cells in fetal and adult tissue repair

Promotor(s): prof.dr. P.P. van den Berg, prof.dr. R.A. Bank

Faculteit: Medische Wetenschappen

Spina bifida in toekomst mogelijk in baarmoeder behandelen

Tissue engineering, het afdekken van de neurale buis van de foetus om verdere schade te voorkomen, kan een veelbelovend instrument zijn in foetale therapie voor spina bifida (bekend als een ‘open ruggetje’). Tot die conclusie komt Nynke Hosper. Zij richtte zich in haar promotieonderzoek op een beter inzicht in de cellulaire processen die betrokken zijn bij wondheling voor en na de geboorte.

Spina bifida komt voor bij ongeveer 1 op 2000 geboorten. De neurale buis wordt dan in het embryonale stadium niet goed gesloten, waardoor de ruggengraat blootstaat aan het vruchtwater met neurale schade tot gevolg. Eerder Amerikaans onderzoek toonde al aan dat sluiting van het defect voor de geboorte een betere uitkomst laat zien dan postnatale sluiting. Wel ontstond er door de foetale chirurgische ingreep een hoger risico op een miskraam.

Hosper onderzocht of tissue engineering een manier kan zijn om de foetale therapie voor spina bifida te verbeteren. Ze vergeleek daarvoor twee manieren om foetale huiddefecten af te dekken: met collageen (een lijmvormend eiwit in het menselijk bindweefsel) waaraan groeifactoren zijn toegevoegd, of met (gezonde) vruchtwatercellen. Ze concludeert dat beide methoden bruikbaar kunnen zijn, maar dat er eerst meer onderzoek nodig is naar de effecten op langere termijn.

Nynke Hosper (Ureterp, 1983) studeerde Medische Biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij het W.J. Kolff Instituut, afdeling Pathologie en Medische Biologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek maakt deel uit van onderzoeksproject EuroSTEC (soft tissue engineering for congenital birth defects in children) dat wordt gefinancierd door de EU. Hosper werkt als postdoc onderzoeker op de afdeling Celbiologie van het UMCG.

Promotie dhr. A.J. Borghuis: Core stability in soccer: it's a matter of control!

Wanneer:wo 13-11-2013 om 14:30

Promotie: dhr. A.J. Borghuis, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Core stability in soccer: it's a matter of control!

Promotor(s): prof.dr. K.A.P.M. Lemmink, prof.dr. C. Visscher

Faculteit: Medische Wetenschappen

Amateurvoetballers reageren sneller op verstoring van balans dan niet-sporters

De rompspieren van amateurvoetballers reageren sneller op een plotselinge verstoring van de balans dan de rompspieren van niet-sporters. Met een specifiek trainingsprogramma is het bovendien mogelijk om de balanshandhaving en wendbaarheid van veelbelovende jonge voetballers te vergroten. Dat zijn twee van de conclusies van het promotieonderzoek van Jan Borghuis.

Het begrip core stability (rompstabiliteit) wordt volgens Borghuis vaak verschillend gebruikt en geïnterpreteerd. In het eerste deel van zijn proefschrift bracht hij daarom in kaart wat er onder core stability wordt verstaan en doet hij een voorstel voor een universeel bruikbare definitie. Vervolgens ontwikkelde hij een methode om rompstabiliteit te meten. Tijdens een zitbalanstest, die werd afgenomen terwijl de proefpersonen op een instabiele balansstoel zaten, werd de balans in meerdere richtingen verstoord om spierreactietijden en bewegingsdata te kunnen onderzoeken. De rompspieren van tien voetballers bleken sneller te reageren dan die van elf minder actieve, niet-voetballers.

Op basis van de resultaten van deze en een volgende test ontwikkelde Borghuis een meetmethode waarmee het effect wordt gemeten van oefeningen op de vaardigheid om de romp te stabiliseren. Hij concludeert dat een speciaal trainingsprogramma positieve effecten laat zien, maar dat er geen significante verschillen aangetoond werden tussen de groep die het programma volgde en een controlegroep (samen negentig jeugdige profvoetballers). Verder onderzoek kan volgens hem bijdragen aan het ontwikkelen van effectieve trainingsprogramma’s voor betere prestaties en minder blessures.

Jan Borghuis (Kampen, 1985) studeerde Bewegingswetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Interfacultair Centrum voor Bewegingswetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd als MD/PhD-traject van de Junior Scientific Masterclass (UMCG). Borghuis werkt als inspanningsfysioloog/fysiek trainer bij voetbalclub FC Twente.

Promotie mw. S. Op den Dries: Bile duct injury in liver transplantation. Study on etiology and the protective role of machine perfusion

Wanneer:wo 13-11-2013 om 16:15

Promotie: mw. S. Op den Dries, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Bile duct injury in liver transplantation. Study on etiology and the protective role of machine perfusion

Promotor(s): prof.dr. R.J. Porte, prof.dr. J.A. Lisman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Machine beschermt kwaliteit van donorlever voor transplantatie

Het doorspoelen van een lever met zuurstofrijke vloeistof beschermt de galwegen van donorlevers. De machineperfusie die UMCG-onderzoeker Sanna op den Dries heeft onderzocht, biedt nieuwe mogelijkheden om donorlevers te kunnen testen, beschermen en in de toekomst mogelijk zelfs te verbeteren.

Levertransplantatie is een succesvolle behandeling voor patiënten met een ernstige leverziekte. Helaas ontstaat bij een deel van de mensen na de transplantatie vernauwingen van de galwegen. Deze complicaties zijn moeilijk te behandelen en leiden vaak tot ziekte en/of de noodzaak tot een tweede transplantatie.

Op den Dries ontdekte dat de oude techniek waarmee donorlevers worden bewaard voor de transplantatie schade veroorzaakt aan de galwegen. Toch constateert zij dat deze schade niet de belangrijkste oorzaak is voor de later optredende vernauwingen van de galwegen die de patiënten na transplantatie ondervinden. In haar onderzoek heeft ze aangetoond dat het vermogen tot herstel (regeneratie) van de galwegen hier bepalend voor is. Om deze herstelcapaciteit van de galwegen te behouden is het essentieel om kwetsbare levers beter te beschermen. Machinepreservatie lijkt deze bescherming te kunnen bieden.

Over het onderzoek van Sanna op den Dries verscheen eerder een persbericht: http://www.umcg.nl/NL/UMCG/Nieuws/Persberichten/Pages/Testritlever.aspx

Sanna op den Dries (Dongeradeel, 1986) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek in het kader van een MD/PhD traject van de Junior Scientific Masterclass bij de afdeling Chirurgie, sectie Hepatopancreatobiliaire Chirurgie en Levertransplantatie in het UMCG en bij Onderzoeksinstituut GUIDE. Het promotieonderzoek werd gefinancierd door de Ubbo Emmius Foundation/JSM Talent Grant, en beurzen van de Jan Kornelis de Cock Stichting, het Tekke Huizingafonds, het Innovatief Actieprogramma Groningen (IAG-3) en de Astellas Transplantationele Research Prijs 2013. Na haar promotie vervolgt Op den Dries haar studie Geneeskunde.

Promotie dhr. M.M.H. Lahr: Organisational models for thrombolysis in acute ischaemic stroke. A simulation exemplar

Wanneer:ma 18-11-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. M.M.H. Lahr

Proefschrift: Organisational models for thrombolysis in acute ischaemic stroke. A simulation exemplar

Promotor(s): prof.dr. E. Buskens

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Acute zorg bij beroerte kan beter door verbeteren hele keten

Promotie dhr. M.E. Sutton: Studies on injury and repair of donor bile ducts after liver transplantation

Wanneer:ma 18-11-2013 om 16:15

Promotie: dhr. M.E. Sutton, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Studies on injury and repair of donor bile ducts after liver transplantation

Promotor(s): prof.dr. R.J. Porte, prof.dr. J.A. Lisman

Faculteit: Medische Wetenschappen

Galweg heeft eigen regeneratief vermogen

De galweg buiten de lever heeft een opmerkelijk regeneratief vermogen, zelfs na ernstige schade zoals na een levertransplantatie. In dit proces spelen de peribiliaire klieren die zich in de wand van de galweg bevinden een belangrijke rol. Dat is één van de conclusies van het promotieonderzoek van Michael Sutton naar de herstelcapaciteit van de galwegen.

Een beruchte complicatie na een levertransplantatie is het optreden van galwegvernauwingen, waardoor de nieuwe lever zijn werk niet goed kan doen. Soms is daardoor zelfs een nieuwe transplantatie nodig. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat zulke vernauwingen optreden door schade aan de galwegepitheelcellen, de binnenbekleding van de galwegen. Sutton ging na hoe de galwegen reageren op ernstige schade.

De promovendus stelt vast dat herstel van milde schade aan het epitheel plaatsvindt door deling van volwassen epitheelcellen. Bij ernstige schade gebeurt dat volgens hem vanuit de peribiliaire klieren. Het ontstaan van galwegvernauwingen na een levertransplantatie hangt volgens Sutton mogelijk samen met verschillen in het herstellend vermogen van de galwegen.

Sutton concludeert verder dat het herstelvermogen van de galwegen beter is wanneer een donorlever door middel van machinale perfusie met een vloeistof voorzien van zuurstof op 10°C bewaard wordt, ten opzichte van het traditionele bewaren van de donorlever op ijs. Tot slot stelt hij dat galproductie tijdens machinale perfusie op lichaamstemperatuur een bruikbare en snelle parameter is om na te gaan of een afgekeurde donorlever echt onbruikbaar is.

Michael Sutton (Groningen, 1985) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Chirurgie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd gefinancierd als MD/PhD-traject van de Junior Scientific Masterclass (JSM). Sutton ontving daarnaast financiële ondersteuning van GUIDE, de Jan Kornelis de Cock-stichting en het Groninger Universiteitsfonds. Hij werkt als arts-assistent in opleiding tot psychiater in het UMCG.

Oratie mw. prof.dr. H. Bootsma: Systeemziekten: ‘‘response - ability’’

Wanneer:di 19-11-2013 om 16:15

Oratie: mw. prof.dr. H. Bootsma, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Titel: Systeemziekten: ‘‘response - ability’’

Leeropdracht: Reumatologie

Faculteit: Medische Wetenschappen

In haar oratie gaat prof.dr. Hendrika Bootsma in op haar onderzoek naar de zogenaamde systeemziekten: ziektebeelden waarbij sprake is van auto-immuniteit en waarbij meerdere organen in het ziekteproces zijn betrokken. Voorbeelden zijn reumatoïde artritis, het syndroom van Sjögren en systemische lupus erythematosus. De ontwikkeling van de biomarkers voor deze ziekten loopt helaas achter bij de therapeutische ontwikkelingen. Verdere ontwikkeling van biomarkers is noodzakelijk om de dure biologicals, die inmiddels met succes breed worden toegepast bij reumatoïde artritis, ook ten goede te laten komen aan patiënten met andere systemische auto-immuunziekten.

De behandeling voor de ziekte reumatoïde artritis heeft de laatste 25 jaar een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Door vroege behandeling met goede medicamenten kan schade aan gewrichten worden voorkomen. Naast de traditionele ziektemodificerendemiddelen (DMARD’s) kunnen nu de recent ontwikkelde biologicals worden ingezet.

Het uiteindelijke doel van behandelen is primaire preventie: het voorkomen van ziekte. Als deze primaire preventie niet mogelijk is, moet behandeling zich richten op vroege opsporing en vroege behandeling van ziekte om het gezondheidsverlies maximaal te beperken. Om dit doel te bereiken zijn goede meetinstrumenten, zogenaamde biomarkers nodig. Biomarkers vormen de basis van de diagnostiek en de therapie, en zijn cruciaal voor de ontwikkeling van medische producten.

Bij een complexe ziekte als het syndroom van Sjögren is de behandeling nog sterk in ontwikkeling en parallel hieraan worden biomarkers gedefinieerd die de verschillende fasen van de ontwikkeling van de ziekte kenmerken. De biomarker die het beloop van ziekte van Sjögren kan vastleggen is de recent ontwikkelde ziekteactiviteitsindex, de ESSDAI (EULAR Sjögren syndrome disease activity index). Met deze ESSDAI kan ‘de response ability’ van een patiënt op een nieuwe therapie op een betrouwbare manier worden gemeten. Dit is een grote stap voorwaarts in de ontwikkeling van behandeling voor het syndroom van Sjögren.

Promotie mw. I.F.A. Bocca-Tjeertes: Growth of preterm-born children

Wanneer:wo 20-11-2013 om 11:00

Promotie: mw. I.F.A. Bocca-Tjeertes, 11.00 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Growth of preterm-born children

Promotor(s): prof.dr. A.F. Bos, prof.dr. S.A. Reijneveld

Faculteit: Medische Wetenschappen

Groei van vroeggeboren kinderen verloopt anders dan die van op tijd geborenen

Kinderen die te vroeg geboren zijn (voor de 37ste zwangerschapsweek) groeien volgens een ander patroon dan kinderen die op tijd zijn geboren. Ze moeten daarom niet, zoals de Wereld Gezondheidsorganisatie WHO wil, beschouwd worden als op tijd geborenen. Dat concludeert Inger Bocca-Tjeertes in haar promotieonderzoek.

De vooruitzichten van kinderen die te vroeg of veel te vroeg (voor de 32 ste week) geboren worden, zijn door verbeterde neonatale zorg steeds beter. Hoewel vroeggeboortes steeds vaker voorkomen, zijn er weinig gegevens over de groei van premature baby´s beschikbaar. Bocca-Tjeertes ontwikkelde, samen met haar collega’s en op basis van een omvangrijk gegevensbestand, groeidiagrammen voor mild en ernstig vroeggeboren kinderen. Haar conclusie: die groei verloopt echt anders dan die van op tijd geborenen.

Weliswaar vindt er inhaalgroei plaats, maar die is beperkt tot het eerste jaar na de geboorte en kan de gevolgen van vroeggeboorte niet helemaal compenseren. Dat geldt voor te vroeg geboren kinderen met en zonder groeivertraging bij de geboorte. Wel zorgt groeivertraging bij de geboorte voor een twee keer hoger risico op een ontwikkelingsachterstand. Om de groei goed te monitoren, pleit Bocca-Tjeertes ervoor om aangepaste groeidiagrammen te gebruiken en om de groei steeds te verbinden met de individuele geboortegegevens.

Inger Bocca-Tjeertes (Hilversum, 1979) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit Maastricht. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Neonatologie (Beatrix kinderziekenhuis) van het Universitair Medisch Centrum Groningen. De studie maakt deel uit van een samenwerkingsverband tussen de UMCG-afdelingen Neonatologie en Sociale Geneeskunde. Het onderzoek werd gefinancierd door het Beatrix kinderziekenhuis, de afdeling Sociale Geneeskunde, Friso Kindervoeding b.v., Pfizer Europe b.v., FrieslandCampina, de Cornelia Stichting, de Nederlandse Hersenstichting en het A. Bulk JGZ-onderzoeksfonds. Bocca-Tjeertes is in opleiding tot kinderarts in het UMCG.

Promotie dhr. G. Bocca: Effects of a multidisciplinary treatment program in overweight and obese preschool children

Wanneer:wo 20-11-2013 om 12:45

Promotie: dhr. G. Bocca, 12.45 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Effects of a multidisciplinary treatment program in overweight and obese preschool children

Promotor(s): prof.dr. P.J.J. Sauer, prof.dr. R.P. Stolk

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie mw. J.E.A. Verschuren: Sexuality and limb amputation: perspective of patients, partners and professionals

Wanneer:wo 20-11-2013 om 14:30

Promotie: mw. J.E.A. Verschuren, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Sexuality and limb amputation: perspective of patients, partners and professionals

Promotor(s): prof.dr. J.H.B. Geertzen, prof.dr. P.U. Dijkstra, prof.dr. P. Enzlin

Faculteit: Medische Wetenschappen

Taboe op seksualiteit en amputatie doorbreken

Hulpverleners moeten tijdens het revalidatieproces meer aandacht hebben voor mogelijke seksuele problemen van patiënten met een arm- of beenamputatie en hun partners. Een brochure mag daarbij geen vervanging zijn van een gesprek over seksualiteit. Dat stelt Jesse Verschuren in haar promotieonderzoek. Zij concludeert dat er nog te vaak een taboe rust op seksualiteit en een lichamelijke beperking.

Verschuren stelt voorop dat er weinig wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de seksuele beleving van mensen met een arm- of beenamputatie. Het weinige onderzoek dat er is, is bovendien sterk verouderd. Om een beeld te krijgen van de aard van eventuele problemen, nam ze daarom eerst interviews af met mensen die een amputatie hebben ondergaan, en met hun partners. Daarna zette ze een grootschalig vragenlijstonderzoek op.

Van de driehonderd deelnemers gaf meer dan de helft (56%) aan dat zij seksuele problemen ondervonden. Of seksuele problemen voorkomen na een amputatie, blijkt samen te hangen met geslacht (mannen ondervinden meer problemen dan vrouwen), lichaamsbeeld, recentheid van de amputatie en met de kwaliteit van iemands relatie. De respondenten gaven aan dat seksualiteit tijdens de revalidatieperiode niet ter sprake was gekomen, terwijl zij wel graag hadden willen weten hoe de amputatie hun seksuele leven zou kunnen beïnvloeden. Verschuren verrichtte tot slot onderzoek onder hulpverleners. Die blijken het moeilijk te vinden om seksualiteit ter sprake te brengen. De bespreking van seksualiteit moet daarom volgens Verschuren een prominentere plaats op de agenda krijgen, zowel in het teamoverleg als in het gesprek met de patiënt.

Jesse Verschuren (Lommel, België, 1982) studeerde Familiale en Seksuologische Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven (België). Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Revalidatiegeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek viel binnen het raamwerk van EXPAND en werd gefinancierd door het Ubbo Emmius Fonds.

Promotie mw. Y.L. Gu: Intracoronary therapies and myocardial reperfusion in acute myocardial infarction

Wanneer:wo 20-11-2013 om 16:15

Promotie: mw. Y.L. Gu, 16.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Intracoronary therapies and myocardial reperfusion in acute myocardial infarction

Promotor(s): prof.dr. F. Kuipers

Faculteit: Medische Wetenschappen

Wegzuigen bloedstolsel na hartinfarct leidt tot betere overleving

Het gebeurt in Nederland al vaak als onderdeel van een dotterprocedure bij een acuut hartinfarct: het opzuigen van een bloedstolsel in een verstopte kransslagader. Dat is niet alleen goed voor een betere doorbloeding van het hartspierweefsel, maar leidt ook tot verbeterde overleving op lange termijn. Dat is één van de conclusies van You Lan Gu in haar promotieonderzoek.

Er is volgens Gu de afgelopen jaren belangrijke vooruitgang geboekt in het behandelen van acute hartinfarcten, onder andere door dotteren en aanvullende medicatie. Cruciaal voor een goed herstel op langere termijn is een goede doorbloeding van het hartspierweefsel na de behandeling. Zij vergeleek in haar onderzoek daarom verschillende behandelingen om de doorbloeding van het hartspierweefsel te verbeteren.

In het eerste deel van haar onderzoek vergeleek de promovenda het opzuigen van het bloedstolsel in het verstopte kransslagvat met het plaatsen van een ballon. In het tweede deel ging ze na of abciximab, een medicijn dat een onderdeel van de stolselvorming remt, meer effect heeft wanneer het ter plaatse wordt toegediend dan, zoals gebruikelijk, via een infuus. Dat voordeel kon niet zonder meer worden aangetoond. Tot slot ging ze na hoe een nieuw computerprogramma, QuBE, kan helpen om op een simpele en efficiënte manier te meten welke patiënten een verminderde doorbloeding hebben en daardoor een hoger risico lopen op de lange termijn. Dit programma bleek goed toepasbaar in de praktijk. De uitkomsten hadden bovendien voorspellende waarde voor hoe patiënten er enkele maanden na het infarct aan toe waren.

You Lan Gu (Shanghai, 1984) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Cardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Gu werkt sinds 2011 als cardioloog in opleiding in het UMCG.

Promotie mw. P.A. Erba: Imaging cardio-vascular infection

Wanneer:ma 25-11-2013 om 09:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. P.A. Erba

Proefschrift: Imaging cardio-vascular infection

Promotor(s): prof.dr. A. Signore, prof.dr. G. Mariani, prof.dr. R.A.J.O. Dierckx

Faculteit: Medische Wetenschappen

Infecties in hart en bloedvaten beter op te sporen

Infecties aan hartkleppen, pacemaker of een bloedvatprothese zijn beter op te sporen met radioactief gelabelde witte bloedcellen. Met behulp van scanapparatuur zoals SPECT-CT wordt zichtbaar waar de infectie zich precies bevindt en hoe uitgereid deze is. De techniek werd door UMCG-promovendus Paola Erba verder ontwikkeld.

Steeds meer patiënten krijgen implantaten in het hart of de bloedvaten. Biomaterialen in het lichaam brengen altijd risico’s op infectie met zich mee. Deze zijn lastig op te sporen voor het stellen van een goede diagnose. Erba onderzocht de geschiktheid van hybride camerasystemen met gecombineerde functionele en anatomische beeldvorming bij dergelijke, lastige infecties.

Witte bloedcellen gaan in het lichaam naar geïnfecteerde plaatsen. Door deze cellen te koppelen aan een radioactieve stof, is zichtbaar te maken waar de infectiehaard zich bevindt. Erba onderzocht ook op welke tijden het beste gescand kan worden na injectie van de gelabelde witte bloedcellen. Dit blijkt na 3-4 uur en na 20-24 uur te zijn. Op basis van deze en andere bevindingen van Erba zijn de behandelprotocollen verder ontwikkeld.

Paola Erba (Gallarate, Italië, 1973) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van Insubria in Italië. Zij verrichte haar promotieonderzoek bij de Afdelingen Nucleaire Geneeskunde van het UMCG, de Universiteit van Pisa en die van Rome. Het project valt binnen het onderzoek naar de moleculaire beeldvorming van infectieziekten en werd gefinancierd door in de eerste plaats de Universiteit van Pisa en verder het UMCG. De titel van het proefschrift van Erba is “Imaging cardiovascular infection.”

Promotie mw. M. Majernikova: Self-rated health and mortality after kidney transplantation

Wanneer:ma 25-11-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. M. Majernikova

Proefschrift: Self-rated health and mortality after kidney transplantation

Promotor(s): prof.dr. J.W. Groothoff

Faculteit: Medische Wetenschappen

Patiënten schatten eigen gezondheid goed in na niertransplantatie

Patiënten blijken hun gezondheid na een niertransplantatie goed in te kunnen schatten. Maria Majernikova van het UMCG stelt voor, op basis van haar onderzoek, dat artsen hun consult met deze patiënten openen met de algemene vraag "Hoe schat u uw gezondheid in?" Het antwoord is een goed startpunt om verder te kijken naar gezondheidsrisico's op langere termijn.

De relatie tussen de eigen inschatting van de gezondheidstoestand en het optreden van ziekte of sterfte is tot nu toe alleen in algemene zin aangetoond. Majernikova bestudeerde deze relatie specifiek bij patiënten na een niertransplantatie. Deze patiënten lopen het risico dat de nier wordt afgestoten of slechter gaat functioneren. Ook is er een verhoogd risico op bloedarmoede na de transplantatie.

Majernikova vroeg patiënten hun gezondheidstoestand in te schatten 3 maanden na de niertransplantatie. Zij stelde vast dat een gemiddelde gezondheidstoestand, aangegeven door de patient, een onafhankelijke voorspeller was van het verlies van de nier en hogere ziekterisico?s gedurende de erop volgende 10 jaar.

Maria Majernikova (1975, Kosice, Slowakije) studeerde Geneeskunde aan de Safarik Universiteit, Kosice, Slowakije. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij het Onderzoeksinstituut SHARE van de Graduate School of Medical Sciences van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Haar onderzoek werd gefinancierd door het Slowaakse Science and Technology Assistance Agency, een Europese subsidie aan het Slowaakse Ministerie van Onderwijs, en Fresenius Medical Care in Duitsland. Majernikova werkt als nefroloog (nierspecialist) in het Dialyse centrum in Kosice.

Promotie dhr. S. Piersma: Applications of quantitative fluorescence microscopy for systems level gene expression analyses in Bacillus subtilis

Wanneer:ma 25-11-2013 om 14:30
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. S. Piersma

Proefschrift: Applications of quantitative fluorescence microscopy for systems level gene expression analyses in Bacillus subtilis

Promotor(s): prof.dr. J.M. van Dijl

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuwe methode voor kwantitatieve fluorescentiemicroscopie

Om beter te begrijpen hoe de grondbacterie Bacillus subtilis (die model kan staan voor de ziekenhuisbacterie S. aureus) overleeft, ontwikkelde UMCG-onderzoeker Sjouke Piersma nieuwe methoden voor kwantitatieve fluorescentiemicroscopie. Hij deed dat samen met zijn collega’s van de afdeling Medische Microbiologie.

Bacillus subtilis is een bacterie die het liefst groeit op wortels van planten. Het is een populair modelorganisme voor onderzoek naar bacteriële genexpressie. Om na te gaan hoe de bacterie reageert op verschillende condities, maakten Piersma en zijn collega’s een verzameling van bacteriële stammen die meer dan 1.000 verschillende genfusies met een fluorescent eiwit (GFP) bevatten. Zo’n fusie licht op wanneer het bijbehorende proces in de cel actief is. Zo kon bekeken worden hoe genexpressie in de cel verandert onder verschillende condities.

Het genexpressie-onderzoek van Piersma richtte zich zowel op individuele cellen binnen een populatie als op de gehele populatie. Voor de bestudering van genexpressie in individuele cellen werd gebruik gemaakt van een speciaal hiervoor ontwikkelde, nieuwe fluorescentiemicroscopie-methode. Deze methode is gebruikt voor een groot onderzoek waarin wiskundigen en biologen hebben samengewerkt. Zij hebben in kaart gebracht hoe Bacillus subtilis reageert op verandering in zijn voeding. Het onderzoek heeft meer inzicht gegeven in hoe de bacterie zich aan nieuwe omstandigheden aanpast, en leverde daarnaast een nieuwe methode op voor dataverwerking en datavisualisatie in de kwantitatieve fluorescentiemicroscopie.

Sjouke Piersma (Zwolle, 1978) studeerde Farmacie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Medische Microbiologie, onderzoeksgroep Moleculaire Bacteriologie, van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek viel binnen het raamwerk van onderzoeksproject BaSysBio (Bacillus Systems Biology), leidde in 2012 tot een publicatie in Science, en werd gefinancierd door de EU. Piersma werkt als marketing- en communicatiespecialist bij Westburg (Leusden).

Promotie dhr. L. Pitel: Sociocultural determinants, gender and health-related behaviour in adolescence

Wanneer:ma 25-11-2013 om 16:15
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. L. Pitel

Proefschrift: Sociocultural determinants, gender and health-related behaviour in adolescence

Promotor(s): prof.dr. S.A. Reijneveld

Faculteit: Medische Wetenschappen

Meisjes in de stad gebruiken vaker alcohol en drugs

Meisjes die opgroeien in een verstedelijkte omgeving in Slowakije gebruiken vaker alcohol en drugs dan meisjes die niet in zo’n verstedelijkte omgeving opgroeien. Dat concludeert Lukáš Pitel in zijn promotieonderzoek. Hij onderzocht hoe gezondheidsgerelateerd gedrag onder Slowaakse jongeren bepaald wordt door sociale, religieuze en economische achtergronden. Zijn bevindingen kunnen helpen bij het opzetten van volksgezondheidsbeleid.

Pitel stelt dat meisjes in het algemeen meer beïnvloed worden door socioculturele factoren (socio-economische positie, mate van verstedelijking van de woonomgeving, en religieuze achtergrond) dan jongens. Dat geldt vooral voor stadsmeisjes uit een lager, niet-religieus milieu.

In een deel van zijn onderzoek ging de promovendus na of er tussen 1998 en 2006 verschuivingen zijn opgetreden in de mate waarin jongeren met een verschillende achtergrond roken, alcohol gebruiken en bewegen. Meisjes uit de lagere socio-economische klasse rookten in 1998 vaker dan die uit de hogere klasse. Dat verschil is volgens Pitel in 2006 minder groot geworden. Jongens uit armere gezinnen bewegen daarentegen vaker te weinig. Een opvallende conclusie van Pitels onderzoek is tot slot dat meisjes in de stad vaker hun toevlucht nemen tot alcohol en drugs. Dat geldt vooral voor meisjes met een lage sociaaleconomische positie.

Lukáš Pitel (Bratislava, Slowakije, 1983) studeerde psychologie aan de University of Trnava. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Institute of Public Health, sectie Health Psychology (Šafárik Universiteit, Košice, Slowakije) binnen het Kosice Institute for Society and Health, een samenwerkingsverband tussen de Šafárik University en de afdeling Sociale Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd onder andere gefinancierd door de Slovak Research and Development Support Agency. Pitel werkt als onderzoeker bij het Institute of Experimental Psychology van de Slowaakse Academy of Sciences, Bratislava, Slowakije.

Promotie dhr. M.G. Dickinson: Pulmonary arterial hypertension. The role of increased blood flow and Egr-1

Wanneer:wo 27-11-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. M.G. Dickinson

Proefschrift: Pulmonary arterial hypertension. The role of increased blood flow and Egr-1

Promotor(s): prof.dr. R.M.F. Berger

Faculteit: Medische Wetenschappen

Eiwit Egr-1 speelt mogelijk rol bij het ontstaan van PAH

Het eiwit Egr-1 speelt mogelijk een rol bij in het ontstaan van de zeldzame, maar levensbedreigende ziekte pulmonale arteriële hypertensie (PAH), oftewel hoge bloeddruk in de longen. Tot die conclusie komt Michael Dickinson in zijn promotieonderzoek.

PAH komt onder andere voor bij kinderen die met een hartafwijking geboren worden. Bij patiënten met PAH verandert de bloedstroom van het hart naar de longen. Dat proces leidt tot het dichtgroeien van de bloedvaten, waardoor het hart moeilijker bloed naar de longen kan pompen. Zonder ingrijpen raakt het hart uiteindelijk overbelast en kan de patiënt komen te overlijden. Voor PAH bestaat nog geen goede behandeling.

Dickinson ontdekte dat het eiwit Egr-1 bij patiënten met een aangeboren hartafwijking op plekken aanwezig is waar de bloedstroom anders is dan normaal. De aanwezigheid van het eiwit neemt bovendien toe naarmate de ziekte ernstiger is. Preklinisch onderzoek liet vervolgens zien dat de longvaten beter open blijven staan wanneer het eiwit afgeremd wordt. Het hart raakt dan minder overbelast. De ontdekking van het eiwit brengt behandeling van de ziekte een stap dichterbij, maar er is eerst nog meer onderzoek nodig.

Michael Dickinson (Rotterdam, 1983) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het Centrum voor aangeboren hartafwijkingen, afdeling Kindercardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd als MD/PhD-traject van de Junior Scientific Masterclass van het UMCG. Dickinson ontving daarnaast financiële ondersteuning voor zijn onderzoek middels een persoonsgebonden stipendium van het E Dekker programma van de Nederlandse Hartstichting.

Promotie mw. A.K. Muszanska: Functional polymer brush-coating to prevent biomaterial associated infections

Wanneer:wo 27-11-2013 om 14:30
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. A.K. Muszanska

Proefschrift: Functional polymer brush-coating to prevent biomaterial associated infections

Promotor(s): prof.dr.ir. W. Norde, prof.dr.ir. H.J. Busscher, prof.dr. H.C. van der Mei

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Slimme coating voorkomt implantaatinfecties

Promotie mw. V.J. Goosens: Bacillus systems exporting folded proteins and folding exported proteins

Wanneer:wo 27-11-2013 om 16:15
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. V.J. Goosens

Proefschrift: Bacillus systems exporting folded proteins and folding exported proteins

Promotor(s): prof.dr. J.M. van Dijl

Faculteit: Medische Wetenschappen

Belangrijk eiwit ontdekt voor eiwittranslocatie

Het eiwit QcrA wordt, voor vervoer over het celmembraan, in gevouwen vorm (met toegevoegde cofactoren) getransporteerd. Dat concludeert Vivianne Goosens in haar promotieonderzoek. Zij onderzocht twee manieren van eiwittranslocatie: één waarbij de eiwitten gevouwen getransporteerd worden, en één waarbij ze na het transport gevouwen worden.

Goosens stelt voorop dat het transport van eiwitten over de celmembranen van groot belang is voor het functioneren van cellen. Cellen moeten afvalstoffen kwijt, hebben voeding nodig, en willen graag weten hoe hun omgeving verandert zodat ze daar op kunnen reageren. Eiwitten bestaan uit ketens van aminozuren, die op de juiste manier gevouwen moeten worden voor of na het transport. Goosens bestudeerde twee translocatiesystemen in modelorganisme B. subtilis: het Twin-arginine-translocatiesysteem (Tat) waarbij de eiwitten gevouwen getransporteerd worden, en het Thiol-disulphide-oxidoreductase (TDOR) systeem waarbij ze na transport gevouwen worden.

Bij het eerste translocatiesysteem blijkt eiwit QcrA betrokken zijn. Ook ontdekte Goosens dat in het Tat-systeem niet alleen de eiwitten TatA en TatC een rol spelen, maar dat ook een derde eiwit (TatAc) bijdraagt aan het transport. De bevindingen dragen bij aan een beter inzicht in de cellulaire processen van eiwitranslocatie en eiwitvouwing via de Tat- en TDOR-route.

Vivianne Goosens (Sydney, Australië, 1983) studeerde Molecular Medicine and Medical Biochemistry aan de Universiteit van Witwatersrand (Johannesburg, Zuid-Afrika). Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Medische Microbiologie, sectie Moleculaire Bacteriologie, van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek viel binnen het raamwerk van TranSys, een door de EU gefinancierd Marie Curie consortium, en het UMCG.

Promotie mw. Y. Liu: Novel insights in the pathogenesis of Hodgkin lymphoma. Microenvironment, genetic landscape and regulation of HLA expression

Wanneer:ma 02-12-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. Y. Liu

Proefschrift: Novel insights in the pathogenesis of Hodgkin lymphoma. Microenvironment, genetic landscape and regulation of HLA expression

Promotor(s): prof.dr. J.H.M. van den Berg

Faculteit: Medische Wetenschappen

Gemuteerde genen spelen belangrijke rol in ontstaan Hodgkin lymfoom

Het klassieke Hodgkin lymfoom (eerder bekend als ‘de ziekte van Hodgkin’) bestaat voor slechts een zeer klein deel uit tumorcellen en voor het overgrote deel uit normale immuuncellen. Die samenstelling maakt het Hodgkin lymfoom uniek, maar ook lastig te onderzoeken. Promovenda Yuxuan Liu bestudeerde de interactie tussen de tumorcellen en de omgeving, bracht in kaart in welke genen gemuteerd zijn en onderzocht het mechanisme dat leidt tot verlies van antigenen op de lichaamscellen (HLA-moleculen).

Om inzicht te krijgen in wat er precies misgaat in de tumorcellen, gingen Liu en haar collega’s na welke genetische mutaties er optreden in de tumorcellen. Zij deden dat door gebruik te maken van de next-generation-sequencing techniek. Dat leverde 477 genen op die in tenminste twee cellijnen een mutatie hadden. De bevindingen ondersteunen de hypothese dat gemuteerde genen een belangrijke rol spelen in het ontstaan van Hodgkin lymfoom. Daarnaast bestudeerde Liu de rol van twee eiwitten betrokken bij de organisatie van de chromatine structuur, namelijk SATB1 en PML, bij de regulatie van HLA expressie. Het onderzoek draagt bij aan een beter inzicht in het ontstaan en de ontwikkeling van de ziekte.

Yuxuan Liu (China, 1986) studeerde Geneeskunde aan de Peking University te Beijing in China. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Pathologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door de Graduate School of Medical Sciences (UMCG), het Abel Tasman talentprogramma (ATTP) en KWF Kankerbestrijding.

Oratie dhr. prof.dr. R.H. Sijmons: Genomic Medicine: een toekomstige zorg?

Wanneer:di 03-12-2013 om 16:15
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Oratie: dhr. prof.dr. R.H. Sijmons

Titel: Genomic Medicine: een toekomstige zorg?

Leeropdracht: Medische translationele genetica

Faculteit: Medische Wetenschappen

Het gebruik van nieuwe technieken in de genetica zal meer en meer routine worden, maar het begrijpen van alles wat we met die technieken vinden is nog een enorme uitdaging. Bovendien voldoet de huidige manier van het verzamelen en interpreteren van onderzoeksgegevens niet, stelt prof.dr. Rolf Sijmons in zijn oratie. We kunnen pas een grote sprong voorwaarts maken met ‘genomic medicine’ als we, op veel grotere schaal dan nu het geval is, onderzoeksgegevens nationaal en internationaal genereren en met elkaar gaan delen. Dat vraagt om een aanzienlijke inspanning van alle partijen, maar brengt het ideaal van ‘zorg op maat’ wel veel dichterbij.

Het zoeken naar de juiste diagnose en behandeling voor patiënten kan moeilijk zijn. Nieuwe technieken in de genetica bieden echter nieuwe mogelijkheden. Sneller dan ooit kan ons DNA worden nagekeken op veranderingen die belangrijk zijn voor gezondheid en ziekte, voor preventie en behandeling.

Werden vroeger in de genetica vooral zeldzame erfelijke aandoeningen onderzocht, tegenwoordig heeft de aandacht zich uitgebreid naar aandoeningen die in de dagelijkse gezondheidszorg een grote rol spelen. Er wordt hard aan gewerkt deze zorg met behulp van genetische kennis en technieken op maat te maken voor de individuele patiënt. Dat wordt ‘genomic medicine’ genoemd. Een voorbeeld is het onderzoeken van het DNA van de kanker die iemand heeft om de therapie beter te kunnen kiezen. Het is ook al mogelijk de gevoeligheid voor allerlei veelgebruikte geneesmiddelen vooraf in te schatten. Ook komt snellere diagnostiek van pasgeborenen met onbegrepen ziekte naderbij.

Promotie mw. S.L. Della Penna: Pathophysiological effects of the excess of sodium in renal and vascular tissues

Wanneer:wo 04-12-2013 om 09:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. S.L. Della Penna

Proefschrift: Pathophysiological effects of the excess of sodium in renal and vascular tissues

Promotor(s): prof.dr. H. van Goor, prof.dr. B.E. Fernández

Faculteit: Medische Wetenschappen

Behoud waterbalans bij te veel zout verder ontrafeld

Een acute of chronische overbelasting van natrium, een van de bestanddelen van zout, leidt in de nier tot mechanismen waarmee de waterbalans zoveel mogelijk wordt hersteld. Eiwitkanalen die aquaporines worden genoemd, spelen hierin een belangrijke rol. UMCG-promovenda Silvana Della Penna bracht de moleculaire mechanismen in deze aquaporines in kaart waarmee het lichaam de waterbalans al of niet kan regelen.

Natrium en chloride zijn de elementen die samen zout vormen. Natrium zit vooral in het bloedplasma en in de vloeistof buiten de cellen. Het speelt een rol bij het ontspannen van de spieren, waaronder de hartspier, de overdracht van zenuwimpulsen en helpt de bloeddruk te reguleren. Veel mensen krijgen vandaag de dag met de voeding teveel zout binnen. Gezonde mensen kunnen de overmaat aan natrium weer uitscheiden in de urine, maar nierziekten kunnen dit verstoren. Dat leidt tot het vasthouden van vocht en oedeem (dikke voeten en enkels).

Della Penna stelde vast dat bij een acute of chronische natriumoverbelasting de aquaporines de waterbalans weer herstellen door hun versterkte werking in reactie op het hormoon Angiotensine II en een lokale ontstekingsreactie. Deze vroege ontsteking door een acute overmaat aan natrium is een proces dat kan worden voorkomen of omgekeerd. De promovendus zocht uit hoe dit ontstekingsproces werkt en stelt dat het is terug te draaien met behulp van: a) het verminderen van de heropname van natrium (door middel van de verhoogde productie van atriaal natriuretisch peptide, ANP), b) het lokaal remmen van Angiotensine II (door middel van het geneesmiddel losartan) of c) door het remmen van oxidatieve stress (door middel van tempol).

Silvana Della Penna (Argentinië, 1979) studeerde Farmacie aan de School of Pharmacy and Biochemistry van de University of Buenos Aires. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij de Pathophysiology Department, School of Pharmacy and Biochemistry, University of Buenos Aires, en bij de Niergroep van de Afdeling Pathologie en Medische Biologie van het UMCG. Het onderzoek werd gefinancierd door de Consejo Nacional de Investigaciones Científicas y Técnicas (CONICET) in Argentinië en de Jan Kornelis de Cock Stichting.

Promotie mw. J. Han: The microenvironment of the inflammatory type hepatocellular adenoma

Wanneer:wo 04-12-2013 om 11:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. J. Han

Proefschrift: The microenvironment of the inflammatory type hepatocellular adenoma

Promotor(s): prof.dr. A.S.H. Gouw, prof.dr. G. Molema

Faculteit: Medische Wetenschappen

Goedaardige levertumor blijkt gelinkt aan overgewicht

Uit observaties van patiënten die zijn geopereerd voor een goedaardige levertumor (hepatocellulair adenoom, HCA) is bekend dat een bepaald subtype vaak voorkomt bij mensen met overgewicht. UMCG-onderzoeker Jing Han onderzocht cellen in de directe omgeving van deze levertumoren om de moleculaire achtergrond met overgewicht in kaart te brengen.

HCA komt vooral voor bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd die langdurig de pil gebruiken. Ongeveer 3-4/100.000 pilgebruiksters ontwikkelt deze aandoening. HCA wordt gekenmerkt door groei van levercellen zonder verstoring van de functie van andere cellen en zonder uitzaaiing. De meest voorkomende subklasse kenmerkt zich door ontstekingsprocessen (inflammatie) en is geassocieerd met overgewicht.

Han vond dat HCA met ontsteking (IHCA) vaak groeit in vervette levers waarin ook aanwijzingen zijn voor andere afwijkingen. Zij stelde vast dat de cellen van het IHCA een afwijkende balans hebben in receptoren voor belangrijke regulerende stoffen in de vetstofwisseling. Hiermee zou de groei van de IHCA tumoren verklaard kunnen worden. Omdat deze stoffen bij overgewicht een zelfde verstoorde balans hebben, legt zij daarmee de relatie tussen IHCA en overgewicht.

Jing Han (Tangyin, China, 1983) studeerde Geneeskunde aan de Xinxiang Medical University in China. Zij verrichte haar promotieonderzoek bij de Afdeling Pathologie en Medische Biologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek werd gefinancierd middels een Bernoulli beurs van het UMCG en door subsidie van het J.K. de Cock Fonds.

Promotie dhr. H. Kusano: Prognostic aspects of hepatocellurar carcinoma

Wanneer:wo 04-12-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. H. Kusano

Proefschrift: Prognostic aspects of hepatocellurar carcinoma

Promotor(s): prof.dr. A.S.H. Gouw, prof.dr. G Molema, prof.dr. H. Yano

Faculteit: Medische Wetenschappen

Onderzoek naar vooruitzichten van leverkanker

Hepatocellulair carcinoom (HCC), een kwaadaardige tumor die uitgaat van de levercellen, wordt vaak pas in een laat stadium vastgesteld. Hironori Kusano onderzocht in zijn promotieonderzoek twee factoren die de vooruitzichten van patiënten beïnvloeden, micro-vasculaire invasie (de aanwezigheid van tumorcellen in de kleine bloedvaten) en interferon-therapie.

Kusano stelt voorop dat HCC, wereldwijd de zesde meest voorkomende kankersoort met een hoog sterftecijfer, in Nederland relatief weinig voorkomt. HCC komt meestal voor in combinatie met levercirrose, het proces waarin ontstoken levercellen afsterven en vervangen worden door littekenweefsel. Het feit dat HCC in een zieke lever voorkomt beperkt het aantal behandelingsmogelijkheden. Het behandelbeleid van patiënten met HCC is daarom niet alleen gebaseerd op de grootte en het aantal tumoren, maar ook op hoe de lever er aan toe is.

De promovendus ontdekte dat microvasculaire invasie in HCC geassocieerd is met toename van het gehalte van enkele groeifactoren in de directe omgeving van de tumor die de vorming van abnormale bloedvaten kunnen stimuleren. In zulke bloedvaten kunnen de tumorcellen beter doordringen. Er zijn tegenwoordig nog geen betrouwbare methoden om microvasculaire invasie preoperatief vast te stellen.

Bij veel HCC-patiënten wordt de tumor te laat ontdekt om nog een levertransplantatie uit te kunnen voeren. In het tweede deel van zijn onderzoek onderzocht Kusano daarom de effectiviteit van twee medicijnen in een experimenteel model die samen en afzonderlijk werden toegediend. Omdat de effectiviteit van de verschillende combinaties verschilde, concludeert hij dat er moleculair onderzoek nodig is om te bepalen welke subtype HCC voortaan het beste met welk medicijn behandeld kan worden.

Hironori Kusano (Hita, Japan, 1978) studeerde Geneeskunde aan de Oita University in Japan. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Pathologie en Medische Biologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd met een Bernoulli beurs. Kusano werkt aan de Kurume University School of Medicine in Japan.

Promotie dhr. S. Sobhani: Rocker shoes for ankle and foot overuse injuries: a biomechanical and physiological evaluation

Wanneer:wo 04-12-2013 om 14:30
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. S. Sobhani

Proefschrift: Rocker shoes for ankle and foot overuse injuries: a biomechanical and physiological evaluation

Promotor(s): prof.dr. K. Postema, prof.dr. E.R. van den Heuvel

Faculteit: Medische Wetenschappen

Speciale hardloopschoen voorkomt overbelasting van enkel en voet

Een hardloopschoen met afwikkelingscorrectie zou mogelijk blessures, zoals een overbelaste achillespees, kunnen voorkomen. Ook zouden deze schoenen hardlopers met blessures aan de achillespees of voorvoet kunnen helpen bij de behandeling of preventie van deze blessures. Dat concludeert Sobhan Sobhani in zijn promotieonderzoek.

Overbelasting van de achillespees is één van de meest voorkomende hardloopblessures. In eerdere onderzoeken is vastgesteld dat er een relatie is tussen de krachten in de achillespees en het aangrijpingspunt van de afzetkracht op de schoenzool tijdens het lopen. De ‘rockerschoen’, een schoen met afwikkelingscorrectie die is vernoemd naar het Engelse werkwoord ‘to rock’ (schommelen, wiegen) beïnvloedt de positie van dit aangrijpingspunt en zou een manier kunnen zijn om de krachten op de achillespees te verminderen. Sobhani onderzocht of de schoenen ook nuttig kunnen zijn om hardloopblessures te voorkomen en behandelen. Dat bleek het geval.

De promovendus concludeert dat de rockerschoenen de krachten op de achillespees tijdens lopen en langzaam hardlopen inderdaad verminderen. Dat was het geval bij gezonde proefpersonen, maar ook bij mensen met een overbelaste achillespees. Ook de druk op de voorvoet bleek tijdens hardlopen significant af te nemen. Tot slot ontdekte Sobhani dat de zuurstofopname tijdens het hardlopen met rockerschoenen gemiddeld 4,5% hoger lag dan met gewone hardloopschoenen en zelfs 5.6% hoger dan met zogenaamde minimalist shoes – sportschoenen waarmee het lopen op blote voeten wordt nagebootst. Bij alle positieve bevindingen maakt hij wel de kanttekening dat de rockerschoen ook tot een slechtere loopefficiëntie kan leiden.

Sobhan Sobhani (Iran, 1981) studeerde Fysiotherapie aan de Shiraz University of Medical Sciences (Iran). Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Revalidatiegeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Sobhani ontving een beurs van het Ubbo Emmius Fonds.

Promotie dhr. R.P.E. Pollard: B cell targeting in Sjögren's syndrome. Clues to pathogenesis

Wanneer:wo 04-12-2013 om 16:15
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. R.P.E. Pollard

Proefschrift: B cell targeting in Sjögren's syndrome. Clues to pathogenesis

Promotor(s): prof.dr. A. Vissink, prof.dr. F.G.M. Kroese, prof.dr. F.K.L. Spijkervet

Faculteit: Medische Wetenschappen

Medicijn remt ziekteproces syndroom van Sjögren mogelijk af

Het medicijn rituximab, een antistof die onder andere wordt gebruikt bij de behandeling van auto-immuunziekten zoals reumatoïde artritis, blijkt bij patiënten met het syndroom van Sjögren (SS) te leiden tot een vermindering van het ontstekingsproces in de speekselklier. Dat concludeert Rodney Pollard in zijn promotieonderzoek.

Mensen met SS kampen met chronische ontstekingen van de vochtafscheidende klieren, zoals de traan- en speekselklieren. Daardoor ontstaan klachten zoals een droge mond en droge ogen. Ook hebben veel patiënten last van algehele vermoeidheid, gewrichtspijn en spierpijn, en hebben zij een zes tot twintig keer hoger risico op het ontwikkelen van een lymfoom.

Het merendeel van de behandelingen van SS is gericht op het verlichten van de klachten. Pollard onderzocht de mogelijkheden om in te grijpen in het ziekteproces. Van rituximab, een medicijn dat gericht is op een daling van het aantal B-cellen in het perifere bloed, was al bekend dat het gunstige effecten heeft bij patiënten met SS. Pollard wilde weten hoe deze behandeling ingrijpt op de onderliggende mechanismen van de ziekte. Eén van zijn conclusies is dat het medicijn het ontstekingsproces in de speekselklieren afremt. Ook het aantal lymfo-epitheliale laesies (een bepaald type beschadiging van klierbuisjes in de speekselklier) nam af. Deze bevindingen dragen bij aan meer inzicht in het ontstaan van de ziekte.

Rodney Pollard (Rotterdam, 1980) studeerde Biomedische Wetenschappen en Geneeskunde aan de Universiteit van Leiden. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek, naast zijn studie Tandheelkunde aan de universiteit Groningen, bij de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie van het Universitair Medisch Centrum Groningen en participeerde in Onderzoeksinstituut GUIDE. Het onderzoek werd onder andere gefinancierd door de National Institute of Health (NIH), Roche, Reumafonds, BOOA en de Jan Kornelis de Cock-stichting. Pollard werkt als kaakchirurg in opleiding (AIOS) in het UMCG.

Promotie mw. U.M. Domanska: Tumor microenvironment: preclinical insights into therapy resistance and targeting strategies

Wanneer:ma 09-12-2013 om 09:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. U.M. Domanska

Proefschrift: Tumor microenvironment: preclinical insights into therapy resistance and targeting strategies

Promotor(s): prof.dr. E.G.E. de Vries

Faculteit: Medische Wetenschappen

Onderzoek naar omgeving tumor op effect antikankertherapie

Voor een effectieve kankerbehandeling is het van belang dat de omgeving van de tumor door deze behandeling geen resistentie ontwikkelt tegen antikankermedicijnen. Urszula Domanska ging na hoe de kankercellen communiceren met hun omgeving om die resistentie te bewerkstelligen. Ze ontdekte dat één specifiek receptor-paar (CXCR4 en CXCL12) in dit proces mogelijk een cruciale rol speelt.

Domanska gebruikte voor haar onderzoek preklinische modellen van prostaat- en borstkanker. Zij concludeert dat in de interactie van de kankercellen met hun omgeving receptor CXCR4 en diens tegenhanger CXCL12 een rol spelen in het ontwikkelen van resistentie tegen traditionele antikankermedicijnen (chemo- en radiotherapie). Receptoren zijn eiwitten op het celmembraan. De belangrijkste functie van dit specifieke receptor-paar is het beïnvloeden van de bewegelijkheid van de cellen over de celmembranen van omliggende cellen. De preklinische studie liet een verhoogde expressie van de CXCR4 en CXCL12 zien. Volgens Domanska wijst dit op hun mogelijke betrokkenheid bij de resistentie, overleving en uitzaaiing van tumoren. De bevindingen leiden tot meer inzicht in de functie en dynamiek van dit soort receptoren en brengen daardoor een betere kankerbehandeling weer een stapje dichterbij.

Urszula Domanska (Polen, 1986) studeerde biologie aan de Universiteit van Lodz. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Oncologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Domanska participeerde in de Graduate School of Medical Sciences en wil haar onderzoek voortzetten als postdoc.

Promotie mw. F. Cui: Distinguishing and connecting self and others. A social neuroscience perspective

Wanneer:ma 09-12-2013 om 11:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. F. Cui,

Proefschrift: Distinguishing and connecting self and others. A social neuroscience perspective

Promotor(s): prof.dr. C.M. Keysers

Faculteit: Medische Wetenschappen

Hoe de hersenen ‘zelf’ en ‘ander’ onderscheiden

Het zien van de film "I am legend" met Will Smith in de hoofdrol, laat toeschouwers mogelijk heftige gevoelens van wanhoop en eenzaamheid ervaren. De mens wordt geboren als een sociaal dier. Daarom is het om te overleven uiterst belangrijk om jezelf te kunnen onderscheiden van anderen, maar ook om jezelf met anderen te verbinden. "Hoe werkt het brein wanneer we sociale functies uitvoeren?" Deze vraag onderzoekt Fang Cui in haar proefschrift.

Cui gebruikte een combinatie van functionele magnetische resonantie imaging (fMRI) en elektro-encefalografie (EEG) technieken om te onderzoeken hoe de hersenen onderscheid maken tussen zelf en de ander. Zij bestudeerde bijvoorbeeld hoe ons brein onderscheid maakt tussen actieve en passieve lichaamsbewegingen. Ook legt ze uit hoe ze fMRI en EEG gebruikte om uit te vinden hoe je de acties van anderen deelt, waarom je pijn van anderen sterker ervaart wanneer je volledig verantwoordelijk bent voor hun lijden, dan wanneer je daar niet of slechts deels verantwoordelijk voor bent, en waarom je je beter voelt als je weet dat de lijdende persoon een financiële compensatie heeft ontvangen voor het lijden. Het proefschrift van Cui ontrafelt een deel van het mysterie van onze sociale aard.

Fang Cui (Taiyuan, China, 1982) studeerde Computer Wetenschappen aan de Beijing Normal University. Zij voerde haar promotieonderzoek uit bij het Neuroimaging Center van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het promotieonderzoek werd gefinancierd door een VENI-beurs van de NWO, een Marie Curie Excellence beurs van de European Research Council en een beurs van de Chinese Council for State Scholarships. Na haar promotie gaat Cui als onderzoeker werken bij het Institute of Affective and Scoial Neuroscience aan de Shenzhen University in China.

Promotie mw. P. Brummelman: Cognition in patients treated for pituitary diseases

Wanneer:ma 09-12-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. P. Brummelman

Proefschrift: Cognition in patients treated for pituitary diseases

Promotor(s): prof.dr. B.H.R. Wolffenbuttel, prof.dr. O.M. Tucha

Faculteit: Medische Wetenschappen

Bestraling hypofyse-tumor waarschijnlijk niet schadelijk voor mentale hersenfuncties

Patiënten die met bestraling zijn behandeld voor een goedaardige tumor in de hypofyse vertoonden geen grote verschillen in de geheugenfuncties en executieve functies (de hogere hersenfuncties) van het brein ten opzichte van vergelijkbare patiënten die niet bestraald waren. Dat patiënten geen schade oplopen, pleit voor deze radiotherapeutische technieken, aldus Pauline Brummelman in haar promotieonderzoek. Zij onderzocht de cognitie van patiënten die zijn behandeld voor hypofyseziekten.

Hypofyseziekten worden doorgaans veroorzaakt door een goedaardige hypofysetumor. De behandeling bestaat meestal uit chirurgie, eventueel gevolgd door radiotherapie en/of hormonale therapie. Eerder onderzoek liet al zien dat deze therapieën het cognitieve functioneren kunnen beïnvloeden, maar er waren nog weinig studies verricht onder een grote groep gelijksoortige patiënten. Brummelman bestudeerde de effecten van radiotherapie en hormonale en medische therapie in een grote groep patiënten met hypofysaire ziekten.

De promovenda bestudeerde onder andere de relatie tussen de hoeveelheid straling op een bepaald hersengebied en de cognitieve functies die een beroep doen op dat gebied. Hiervoor onderzocht zij de hoeveelheid bestraling op de hippocampus en de prefrontale cortex bij verschillende radiotherapie technieken en ze relateerde dat aan geheugen en executieve functies. Ze concludeert dat de gefractioneerde radiotherapeutische technieken geen negatieve invloed lijken te hebben op de twee hersenfuncties. Ook de hoeveelheid straling zoals toegepast in haar patiëntengroep lijkt geen verschil te maken. De radiotherapeutische technieken lijken volgens de promovenda derhalve veilig te zijn voor deze mentale hersenfuncties.

Pauline Brummelman (Eefde, 1986) studeerde Psychologie aan de universiteit van Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Endocrinologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen, in samenwerking met met de afdeling Neuropsychologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Brummelman participeerde in onderzoeksinstituut GSMS van het UMCG.

Promotie dhr. F.T.G. Rahusen: The athletes elbow

Wanneer:ma 09-12-2013 om 16:15
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. F.T.G. Rahusen

Proefschrift: The athletes elbow

Promotor(s): prof.dr. R.L. Diercks

Faculteit: Medische Wetenschappen

Gespecialiseerd team nodig voor behandeling elleboogblessures

Elleboogblessures bij sporters, beter bekend als de atleten-elleboog, vormen een complex vraagstuk. Idealiter ligt de behandeling bij een multidisciplinair team waarin een sportarts, fysiotherapeut en orthopedisch chirurg met elkaar samenwerken. UMCG-onderzoeker Frank Rahusen concludeert dat een goed begrip van de anatomie, biomechanica en pathofysiologie van de atleten elleboog van groot belang is voor de uitkomst van de behandeling.

Rahusen onderzocht uiteenlopende ziektebeelden, zoals de tenniselleboog en specifieke spierblessures. Ook bestudeerde hij diverse specifieke behandelingen. Een van de conclusies die hij trekt is dat standaard gebruik van ontstekingsremmende pijnstillers (NSAID’s) bij spierblessures complicaties kunnen geven die bij het gebruik van paracetamol te vermijden waren geweest.

Sommige specifieke aandoeningen van de atleten elleboog, zoals pijnklachten bij het strekken (posterieure impingement) kunnen het beste met een kijkoperatie worden behandeld. Volgens Rahusen is dit veilig als het verricht wordt door een orthopedisch chirurg met veel ervaring. De kans op complicaties bij een kijkoperatie in de elleboog is echter veel hoger in vergelijking tot dergelijke behandelingen van andere gewrichten.

Frank Rahusen (Eindhoven, 1973) studeerde Geneeskunde aan de Universiteit Maastricht. Hij voerde zijn onderzoek uit bij de St. Maartenskliniek in Nijmegen.

Promotie dhr. N. Li

Wanneer:wo 11-12-2013 om 11:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. N. Li

Proefschrift: Novel mechanisms for prevention and treatment of type 2 diabetes

Promotor(s): prof.dr. M. Hofker, prof.dr. C. Wijmenga

Faculteit: Medische Wetenschappen

Nieuwe relaties tussen genen en diabetes type 2 onderzocht

Met behulp van gegevens uit LifeLines en PREVEND onderzocht promovendus Naishi Li relaties tussen genen en de regulering van vetten (lipiden) en suikers (glucose) in het bloed bij type 2 diabetes.

Type 2 diabetes is wereldwijd een van de meest voorkomende chronische ziektes geworden in de laatste 20-30 jaar. In dit onderzoek heeft Li zich gericht op 95 lipiden loci (genetische regio’s) om hun gezamenlijke en individuele associaties met gevast bloedsuikerspiegel, HbA1c, en insulineresistentie te bepalen. Hij gebruikte hiervoor de gegevens van 10.995 deelnemers aan Lifelines en 2.438 deelnemers aan PREVEND.

Naishi Li (Yangzhou, China, 1974) studeerde Geneeskunde aan het Peking Union Medical College in China. Hij verrichte zijn promotieonderzoek bij de Afdeling Moleculaire Genetica van het Universitair Medisch Centrum Groningen en in het kader van Onderzoeksinstituut GUIDE. Het project werd gefinancierd door CTMM, een NWO VENI beurs, de Nederlandse Hart Stichting, het Diabetes Fonds, de Nierstichting Nederland en het Systems Biology Centre for Metabolism and Ageing (SBC-EMA).

Promotie dhr. J.F. de Boer: Novel insights into the pathogenesis of metabolic syndrome-related disease

Wanneer:wo 11-12-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. J.F. de Boer

Proefschrift: Novel insights into the pathogenesis of metabolic syndrome-related disease

Promotor(s): prof.dr. U.J.F. Tietge

Faculteit: Medische Wetenschappen

‘Goed cholesterol’ werkt bij patiënten met diabetes type 1 minder goed

Bij patiënten met diabetes type 1 functioneren de HDL-deeltjes (het ‘goede cholesterol’) minder goed in het proces dat afvoer van cholesterol uit het lichaam regelt. Dit verminderde functioneren draagt er mogelijk aan bij dat patiënten met diabetes type 1 een hogere kans hebben op het ontwikkelen hart- en vaatziekten. Dat is één van de conclusies van het promotieonderzoek van Jan Freark de Boer.

De Boer verrichtte onderzoek naar de mechanismen die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van insulineresistentie en de mogelijke rol van veranderde HDL-functie als factor voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten. De promovendus ontdekte dat het gemis van een bepaald enzym (12/15-lipoxygenase) in de immuuncellen resulteert in een verergering van de mate van insulineresistentie, de voorloper van diabetes type 2. De alvleesklier maakt dan nog wel insuline, maar de overige cellen in het lichaam reageren daar niet meer goed op. Ook concludeert hij dat, bij patiënten met diabetes type 1, HDL-deeltjes minder goed functioneren in de afvoer van cholesterol uit het type cellen dat vaak vernauwingen veroorzaakt in de vaatwand, via de lever, uit het lichaam (‘reverse cholesterol transport’). De promovendus stelt dat dit mogelijk een bijdrage levert aan het verhoogde risico op hart- en vaatziekten in deze groep patiënten.

Jan Freark de Boer (Hoorn, 1981) studeerde Medisch Farmaceutische Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Kindergeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door het Groningen Expert Center for Kids with Obesity (GECKO), een stichting die gesponsord wordt door Kruidvat. De Boer werkt op het onderzoekslaboratorium Kindergeneeskunde van het UMCG.

Promotie dhr. L.R. Cornelius: A view beyond the horizon. A prospective cohort study on mental health and long-term disability

Wanneer:wo 11-12-2013 om 14:30
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. L.R. Cornelius

Proefschrift: A view beyond the horizon. A prospective cohort study on mental health and long-term disability

Promotor(s): prof.dr. J.J.L. van der Klink, prof.dr. J.W. Groothoff

Faculteit: Medische Wetenschappen

Promotie dhr. H.J. Santing: Provisional implant-supported restorations in the aesthetic zone. Assessment of material properties and biofilm

Wanneer:wo 11-12-2013 om 16:15
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. H.J. Santing

Proefschrift: Provisional implant-supported restorations in the aesthetic zone. Assessment of material properties and biofilm

Promotor(s): prof.dr. H.J.A. Meijer, prof.dr. G.M. Raghoebar, prof.dr. A. Vissink

Faculteit: Medische Wetenschappen

Tijdelijke implantaatgedragen kronen presteren goed

Implantaatgedragen kronen gaan steeds langer mee. Daarom is tegenwoordig niet meer de overlevingssterkte het belangrijkste succescriterium voor deze kronen, maar de esthetische uitkomst. Over de materiaaleigenschappen van deze tijdelijke implantaatgedragen kronen was echter nog weinig bekend. Hierin is verandering gekomen met het proefschrift van Eric Santing.

Santing legt uit dat aangenomen wordt dat tijdelijke implantaatgedragen kronen, die vaak enkele maanden in de mond functioneren voordat de definitieve kroon wordt geplaatst, in belangrijke mate bijdragen aan het verkrijgen van een optimaal esthetisch resultaat. De promovendus onderzocht verschillende tijdelijke kronen op drie belangrijke eigenschappen: breuksterkte, mate van slijtage en (vanwege het effect op omliggende weefsels) bacteriegroei. Daarnaast onderzocht hij het klinisch functioneren van het Straumann Bone Level implantaatsysteem.

Santing concludeert dat tijdelijke implantaatgedragen kronen geveneerd met indirect composiet voldoende bestand zijn tegen slijtage en voldoende weerstand bieden tegen breuken. Of dit ook betekent dat ze geschikt zijn om voor een langere periode succesvol in de mond te functioneren, zal in verder klinisch onderzoek bepaald moeten worden. Santings onderzoek naar het Straumann Bone Level implantaatsysteem wees uit dat dit implantaat een uitstekende overleving, minimaal botverlies en goede klinische en esthetische resultaten oplevert. De positieve onderzoeksresultaten laten overigens volgens Santing onverlet dat de mate waarin tijdelijke implantaatgedragen kronen daadwerkelijk bijdragen aan het verkrijgen van een optimaal esthetisch resultaat voor de definitieve kroon in nader klinisch onderzoek vastgesteld zal moeten worden.

Eric Santing (Assen, 1978) studeerde Tandheelkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Kaakchirurgie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd onder andere gefinancierd door de Boeringstichting en door Straumann. Santing is eigenaar van tandartspraktijk Bocht Oosterdiep in Veendam en werkzaam als tandarts in het Martiniziekenhuis.

Promotie mw. H. Yu: Exploring AKIP1 function in the heart

Wanneer:wo 18-12-2013 om 09:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. H. Yu

Proefschrift: Exploring AKIP1 function in the heart

Promotor(s): prof.dr. W.H. van Gilst

Faculteit: Medische Wetenschappen

Onderzoek naar genen die mogelijk betrokken zijn bij hartfalen

Hartfalen is vaak het eindstation van verschillende hartziektes. Een aanpassing van het hart bij hartfalen is bijvoorbeeld een vergroting van de hartspiercellen. Promovenda Hongjuan Yu ging na welke genen in dit proces een rol spelen.

Het hart pompt het bloed uit het hart in de bloedbaan. Het hart bestaat onder andere uit spiercellen. Voor een goede werking van de hartspiercellen is het belangrijk dat ze via het bloed over voldoende zuurstof en voedingsstoffen beschikken. Tijdens hartziekten past het hart zich aan. Het hart wordt groter om beter te kunnen pompen, dit wordt hypertrofie genoemd. Hypertrofie gaat samen met bepaalde veranderingen in genexpressieprofielen.

Yu ging in haar promotieonderzoek na welke genen een rol spelen bij het ontwikkelen van hypertrofie. Ze ontdekte dat het gen AKIP1 bij dit proces betrokken is. Vervolgens ging ze na hoe dit gen invloed heeft op de hoeveelheid zuurstof die cellen gebruiken, de oxygen consumption rate (OCR). Deze bevindingen dragen bij aan een beter inzicht in het ontstaan van hartfalen.

Hongjuan Yu (Heilongjiang, China, 1982) studeerde Medical Sciences aan de Harbin Medical University. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Cardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Het onderzoek maakte deel uit van het UMCG-onderzoeksproject Identification and exploration of novel genes in cardiac health and disease en werd onder andere gefinancierd door het UMCG en Onderzoeksinstituut GUIDE. Yu gaat na haar promotie werken als arts-assistent en junior onderzoeker in het Harbin Medical University (China).

Promotie dhr. S. Daghighi: Bio-optical imaging of host-bacteria interactions in biomaterial-associated infection

Wanneer:wo 18-12-2013 om 11:00
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. S. Daghighi

Proefschrift: Bio-optical imaging of host-bacteria interactions in biomaterial-associated infection

Promotor(s): prof.dr.ir. H.J. Busscher, prof.dr. H.C. van der Mei

Faculteit: Medische Wetenschappen

Bacteriële infectie beter begrijpen door deze zichtbaar te maken

Fluorescentie-afbeeldingstechnieken maken het mogelijk om de biologische processen tijdens een bacteriële infectie zichtbaar te maken en daardoor beter te begrijpen. Dat stelt Seyed Daghighi in zijn promotieonderzoek. Hij ontwikkelde een nieuw model om biomateriaal geassocieerde infecties (BIA) live te kunnen bestuderen.

Biomaterialen zijn materialen die worden toegepast in het menselijk lichaam, zoals in implantaten en prothesen. Biomateriaal geassocieerde infecties worden veroorzaakt door de hechting van bacteriën aan deze implantaten. Zulke infecties zijn moeilijk te behandelen, waardoor het implantaat soms weer verwijderd moet worden.

Om dit infectieproces beter te kunnen bestuderen, vergeleek Daghighi onder andere afbreekbare en niet-afbreekbare biomaterialen. Van die laatste is namelijk bekend dat ze een hoger risicoinfectie hebben, maar het was nog onduidelijk waarom dat zo is. De promovendus bestudeerde hiervoor de persistentie van stafylokokken op en rond afbreekbare en niet-afbreekbare chirurgische gaasjes in een muismodel. De bacteriën op en rondom het niet-afbreekbare gaasje bleven gedurende 28 dagen aanwezig, terwijl de bacteriën uit het omliggende weefsel verdwenen nadat het afbreekbare gaasje eenmaal volledig was opgelost. Dit verklaart volgens Daghighi waarom afbreekbare biomaterialen de voorkeur verdienen boven niet-afbreekbare.

Seyed Mojtaba Daghighi (Yazd, Iran, 1981) studeerde Veterinary Medicine aan de Universiteit van Urmia, Iran. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Biomedical Engineering (W.J. Kolff Instituut) van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd deels gefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken.

Promotie mw. L. Mohseninejad: Uncertainty in economic evaluation: implications for healthcare decisions

Wanneer:wo 18-12-2013 om 12:45
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. L. Mohseninejad

Proefschrift: Uncertainty in economic evaluation: implications for healthcare decisions

Promotor(s): prof.dr. E. Buskens

Faculteit: Medische Wetenschappen

Onzekerheid rondom kosteneffectiviteitsanalyse gezondheidszorg in kaart gebracht

Wel of niet vergoeden? Die vraag wordt bij nieuwe behandelingen in de gezondheidszorg steeds belangrijker, en daarom spelen kosteneffectiviteitsanalyses een steeds belangrijkere rol. Leyla Mohseninejad verkende in haar promotieonderzoek manieren om de onzekerheid rondom zulke analyses in kaart te brengen en ze vertaalde deze theoretische concepten naar besluitvorming.

Mohseninejad legt uit dat een kosteneffectiviteitsanalyse de extra kosten van een nieuwe behandeling koppelt aan de gezondheidswinst ten opzicht van de oude behandeling. Deze berekening wordt bemoeilijkt doordat de kosten en de gezondheidswinst lastig te voorspellen zijn, bijvoorbeeld doordat er gegevens uit verschillende bronnen worden gecombineerd of doordat er gewoonweg nog te weinig gegevens zijn. Dat betekent dat beslissingen die gebaseerd zijn op zo’n analyse, ook onzeker zijn.

De promovenda paste enkele theoretische kostenberekeningsmethoden toe op concrete voorbeelden uit de gezondheidszorg, namelijk preventie van depressie door een “e-health”-behandeling, screening op coeliakie (glutenintolerantie) bij mensen met een prikkelbare darm, behandeling van uitgezaaide darmkanker en de behandeling van schimmelinfecties bij mensen met een ernstig verminderde afweer.

Ze concludeert onder andere dat het mogelijk is, door een systematische analyse van kosten en opbrengsten in de tijd, om het tijdstip vast te stellen waarop verder verlengen van de evaluatieperiode van een bepaald duur geneesmiddel niet meer opweegt tegen de kosten. Deze resultaten kunnen zorgverzekeraars mogelijk helpen bij het vaststellen van een nieuwe leidraad.

Leyla Mohseninejad (Mashhad, Iran, 1984) studeerde Industrial Engineering aan de Polytechnic University van Teheran Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdeling Epidemiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd deels gefinancierd door ZonMW (programma Dure Geneesmiddelen, 2010) en het Rijksunistituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Mohseninejad werkt als junior onderzoeksconsultant voor PhatMerit Rotterdam.

Promotie mw. A. Holwerda: Work outcome in young adults with disabilities

Wanneer:wo 18-12-2013 om 14:30
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: mw. A. Holwerda

Proefschrift: Work outcome in young adults with disabilities

Promotor(s): prof.dr. J.J.L. van der Klink, prof.dr. J.W. Groothoff

Faculteit: Medische Wetenschappen

Zie persbericht Beleid noodzakelijk voor vergroten kans op werk jongeren met beperking

Promotie dhr. B.H. Bosker: Pitfalls in traditional and innovative hip replacement surgery

Wanneer:wo 18-12-2013 om 16:15
Waar:Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Promotie: dhr. B.H. Bosker

Proefschrift: Pitfalls in traditional and innovative hip replacement surgery

Promotor(s): prof.dr. S.K. Bulstra

Faculteit: Medische Wetenschappen

Patiënten met metaal-op-metaal heupprothese jaarlijks onderzoeken

Patiënten die zijn behandeld met een metaal-op-metaal heupprothese moeten jaarlijks worden onderworpen aan een poliklinisch onderzoek, waarbij de staat van de prothese en het omliggende weefsel middels echografie, MRI of CT-scan in beeld moet worden gebracht. Dat stelt Bart Bosker in zijn promotieonderzoek. Zijn onderzoek laat zien dat er bij zulke protheses veel vaker pijnlijke zwellingen (pseudotumoren) voorkomen dan tot nu toe werd gedacht.

Na het plaatsen van een heupprothese kunnen verschillende complicaties ontstaan, zoals instabiliteit, verhoogde slijtage of verminderde bewegingsvrijheid van de prothese. Al deze complicaties hangen samen met een verkeerde positie van de cup – het onderdeel dat de ‘kom’ vervangt bij de totale heupprothese. De cup wordt meestal handmatig geplaatst door een chirurgisch orthopeed door zijn ‘timmermansoog’ te gebruiken. Op basis van een onderzoek onder tweehonderd patiënten toont Bosker aan dat deze techniek een hoge mate van onnauwkeurigheid laat zien, met dikwijls (omstreeks 30%) verkeerd geplaatste cups tot gevolg. Volgens hem verdient computernavigatie in de toekomst de voorkeur.

In het tweede deel van zijn onderzoek richtte Bosker zich op de problemen rondom metaal-op-metaal prothesen. Hij ontdekte dat bij dat type prothese veel vaker pseudotumoren voorkomen (rond 35%-40% in twee patiëntengroepen) dan tot nu toe bekend was. Tevens is er een verhoogde kans op vroeg materiaalfalen door een specifiek corrosieproces, uniek voor de onderzochte prothese. Dat pleit volgens hem voor een goede, jaarlijkse controle van patiënten met een metaal-op-metaal prothese.

Bart Bosker (Groningen, 1974) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Orthopedie, traumatologie in de Isala klinieken te Zwolle en participeerde in Onderzoeksinstituut SHARE van het UMCG. Het onderzoek werd onder andere gefinancierd door het Anna Fonds, Noref, Nederlandse Orthopedische Vereniging, RUG, SHARE en het UMCG. Bosker werkt als fellow orthopedie in de Sint Maartens Klinieken te Nijmegen.

printOok beschikbaar in het: English