Rijksuniversiteit Groningen
Rugbalk
Reacties op DEZE pagina Abonneren op email bij wijziging 23 Jan 2003

Surf pleit voorzichtig maar beslist voor revolutie in de universitaire ICT

Technologische innovatie minder belangrijk, landelijke organisatorische harmonisatie krijgt voorrang.

Hans Kuné a.j.kune@bureau.rug.nl

SURF, de Stichting waarin de universiteiten en hogescholen van Nederland samenwerken op het gebied van netwerken en ICT-infrastructuur, zal de komende jaren de aandacht niet op technologische hoogstandjes leggen, maar op de inbedding van bestaande technologie in de bedrijfsprocessen van de aangesloten instellingen. Dat blijkt uit het concept meerjarenplan 2003 – 2006 dat SURF via haar website openbaar heeft gemaakt

De instellingen van wo en hbo ondervinden – aldus SURF – steeds meer problemen als gevolg van het feit dat de innovatie van ICT-voorzieningen zo snel verloopt. Het wordt daarom tijd de blik op de organisaties te richten, die moeten leren goed met ICT om te gaan, in plaats van op de ICT zelf. En de allerbelangrijkste les die de instellingen daarbij moeten leren, is dat ze hun administratieve systemen met elkaar in overeenstemming brengen, zodat gemeenschappelijke databases mogelijk worden. Zo zou er bijvoorbeeld een gemeenschappelijk inschrijfsysteem gerealiseerd kunnen worden, dat het leven van de studenten eenvoudiger maakt en bovendien de organisatorische rompslomp aan universiteiten vermindert.

De Stichting SURF brengt iedere vier jaar een meerjarenplan uit. Het vorige plan (1999 – 2002) heette ‘ICT: schudden voor gebruik’. Dat plan stond voor een belangrijk deel in het teken van de innovatie van SURFnet4, de netwerkinfrastructuur waar alle universiteiten en hogescholen gebruik van maken.
In de afgelopen planperiode is op basis van het vorige meerjarenplan SURFnet 4 succesvol omgebouwd tot SURFnet5, waarmee het Nederlandse Hoger Onderwijs en overigens ook het Nederlandse bedrijfsleven over een state of the art netwerkinfrastructuur beschikt, van een hoge capaciteit en met snelle verbindingen met andere researchnetwerken in Amerika en de rest van de wereld.

Deze innovatie is tot stand gekomen dankzij samenwerking met het bedrijfsleven en dankzij een welwillende overheid, die in de persoon van minister Hermans de extra financiën ter beschikking stelde die nodig waren om Nederland ook op dit terrein in de vaart der volkeren op te stoten.
Wie op grond van dit succes had verwacht dat SURF nu nog verdergaande plannen voor technologische hoogstandjes zou presenteren, komt echter bedrogen uit. Het is volgens het nieuwe meerjarenplan van de Stichting – ‘De kern van de zaak’ gedoopt – nodig om op het gebied van de technologie even een pas op de plaats te maken en in plaats daarvan een offensief in te zetten, dat er in moet eindigen dat het Hoger Onderwijs op een meer creatieve en meer intensieve manier van de gerealiseerde infrastructuur gebruik gaat maken.

In de kern van de zaak staat er in ‘De kern van de zaak’ dus, dat de instellingen van WO en HBO er nu eindelijk eens mee moeten ophouden zelf alle automatiseringswielen te blijven uitvinden en dat het tijd wordt dat ze eens echt gaan samenwerken en hun administratieve toepassingen op elkaar afstemmen en met elkaar integreren. Alleen: dat soort ronde bewoordingen wordt natuurlijk niet gebruikt. De boodschap moet in het kader van de lieve vrede wat diplomatieker worden overgebracht.

Pijlers

Het concept meerjarenplan van SURF steunt op twee pijlers. De eerste pijler is: binnen de instellingen moeten ICT-toepassingen veel beter dan nu het geval is met elkaar geïntegreerd worden om de potentiële winst van de snelle kabels en het internet dat daarover tot ons komt te realiseren. En de tweede pijler is: zelfs als die integratie binnen instellingen tot stand komt, is er nog niet genoeg gebeurd, want het is ook nodig om de ICT-toepassingen tussen instellingen op elkaar af te stemmen en te integreren.
De mensen die de discussies over de inzet van ICT-voorzieningen binnen de RUG gevolgd hebben, weten dat er vaak over ‘centrale regie’ gesproken wordt. Daarmee werd tot nu toe bedoeld: laten we toch vooral op universitair niveau gaan doen, wat op universitair niveau gedaan kan worden en breek de muren tussen de faculteiten af, voorzover die samenwerking in de weg staan. Dat is in een aantal opzichten een revolutionaire gedachte. We naderen nu echter het tijdperk, dat deze gedachte in de kern van de zaak al weer behoudend geworden is. Als ‘De kern van de zaak’ binnen SURF als beleid geaccepteerd wordt, zal ‘centrale regie’ gaan betekenen, dat ook de muren tussen de instellingen geslecht moeten gaan worden, voorzover ze samenwerking verhinderen.

Prachtig natuurlijk, maar waar gaat dit nu precies over? Wat merkt de gewone student en de gewone medewerker met zijn laptopje en pc hier nu van? Of is deze revolutie in de revolutie iets wat hem of haar niet raakt en die alleen techneuten en bestuurders aangaat?
Een voorbeeldje misschien om te verduidelijken dat het SURF dit keer precies om de doorsnee gebruiker te doen is. Dat voorbeeldje heet Elektronische Leeromgeving. De Stichting constateert dat vrijwel alle instellingen van HO wel in één of andere vorm een Elektronische Leeromgeving hebben ingevoerd. Ze constateert echter ook, dat er nog vrijwel nergens optimaal van die omgevingen gebruik gemaakt wordt. Een belangrijke oorzaak daarvan is, dat de gegevens die in administratieve systemen zitten, nog niet gestructureerd genoeg doorgegeven worden aan de Elektronische Leeromgevingen en dat de gegevens die in de Elektronische Leeromgeving gegenereerd worden door docenten en studenten hun weg niet weten te vinden naar de administratieve systemen.

Data-uitwisseling

Binnen de RUG is gelukkig veel aandacht besteed aan de uitwisseling van gegevens tussen de verschillende systemen en als gevolg daarvan leiden – om maar een voorbeeld te noemen - gegevens over de inschrijving voor cursussen in het systeem ProGRESS WWW tot de aanmaak van accounts in NESTOR, zoals de Elektronische Leeromgeving aan de RUG heet.
En niet onbelangrijk in dit opzicht is ook, dat alle studenten ieder jaar een centraal username en password uitgereikt krijgen, waarmee ze kunnen inloggen in veel van de systemen die ze nodig hebben: NESTOR, ProGRESS WWW en de e-mailvoorziening om enkele van die systemen te noemen.

Maar veel verder is de integratie ook aan de RUG tot nu toe nog niet gekomen. Als studenten van het facultaire netwerk gebruik willen maken, moeten ze met een afwijkend username en password inloggen; de officiële studiegidsgegevens staan op internet, maar zijn niet binnen NESTOR te raadplegen. De RUG beschikt over een uitgebreid roostersysteem (Syllabus plus) waar veel faculteiten gebruik van maken om cursussen, practica en tentamens te roosteren. Het zou handig zijn als studenten die gegevens via NESTOR zouden kunnen zien. Kunnen ze niet. En zo zouden we nog wel even door kunnen gaan met het opsommen van dingen die voor de student erg handig zouden zijn, maar die als gevolg van een gebrekkige onderlinge samenhang tussen de systemen helaas nog niet werken.
En dan praten we er maar niet over, dat de RUG in vergelijking met andere instellingen van WO of HBO helemaal nog geen slechte beurt maakt. Kortom: de ICT-diensten die aan studenten aangeboden worden, zijn aan de ene kant erg goed: studenten kunnen cursusmateriaal gebruiken via Nestor, ze kunnen zich inschrijven voor cursussen via ProGRESS WWW, ze kunnen hun cijfers inzien en ze kunnen internetten en e-mailen; maar tegelijk is het ook duidelijk dat er nog zeer veel werk verzet moet worden, voordat die diensten goed op elkaar afgestemd zijn en als een logisch geordend geheel aan de studenten aangeboden worden.

En wat voor studenten geldt, geldt ook voor medewerkers aan de RUG. Hier is zelfs in het geheel nog niet van integratie sprake.
En daar komt dan nog bovenop, zo stelt de Stichting SURF, dat deze situatie – zeker voor de student - in de nabije toekomst nog onhoudbaarder wordt. De harmonisatie van het Hoger Onderwijs in het kader van de Bachelor – Master structuur zal ongetwijfeld een effect hebben op de geneigdheid van studenten om ook eens bij andere instellingen rond te neuzen. Daar is die structuur tenslotte voor bedoeld.

Als semesters en onderwijsblokken qua timing op elkaar afgestemd zijn, wordt het kunstmatig om niet af en toe stukjes onderwijs van elders te halen, als dat onderwijs goed in de eigen studie past. Het zou mooi zijn als dat voorbereid kon worden via de Elektronische Leeromgeving: de student kijkt of cursus X in Leiden inderdaad levert wat hij nodig heeft. Maar ja: dat kan de student uit Groningen niet, want NESTOR werkt natuurlijk niet samen met de Leidse Elektronische Leeromgeving.
Het zou ook mooi zijn, als de Groningse student, nadat hij tot de conclusie gekomen is dat hij in Rotterdam iets moet (en mag) doen, zich via zijn Elektronische Leeromgeving in Rotterdam zou kunnen aanmelden. Helaas, zoals het nu ligt, kunnen we dat helemaal vergeten. Net zoals we wel kunnen vergeten, dat de studieresultaten die de student elders behaalt automatisch doorgegeven worden naar Groningen. De student staat immers in Groningen ingeschreven! En niet in Rotterdam!

En Groningen en Rotterdam en Amsterdam en Utrecht en Leiden en ga zo maar door: dat zijn allemaal trotse kastelen, die fier tegen elkaar opboksen en op dit operationele niveau helemaal niets, maar dan ook werkelijk helemaal niets, met elkaar te doen hebben en voorlopig ook niet met elkaar van doen willen hebben.

Nek uitsteken

Het is duidelijk: iemand of iets moet zijn nek uitsteken om in een situatie zoals die hier geschetst is verandering aan te brengen. De Stichting SURF heeft dat nu gedaan met haar concept meerjarenplan. Dat is een moedige daad, het kan niet anders gezegd worden. De sfeer binnen het Wetenschappelijk Onderwijs in Nederland is namelijk buitengewoon sceptisch, als het om landelijke initiatieven op het gebied van de (administratieve) automatisering gaat.
En dat is niet alleen een gevolg van de natuurlijke neiging van de instellingen om zich tegen alle andere instellingen af te zetten, maar ook een gevolg van de ervaring dat tot nu toe vrijwel alle grootschalige initiatieven jammerlijk mislukt zijn. Op alle universiteiten in Nederland lopen oude en wijze automatiseerders rond, wier gegroefde gelaten nog de sporen van de veldslagen vertonen, waarin de samenwerkings- en integratieprojecten geëindigd zijn.

Wie een universitair bestuurder de stuipen op het lijf wil jagen (in het algemeen gesproken helemaal niet zo eenvoudig) moet opperen dat de tijd toch eigenlijk wel rijp begint te worden voor een nationaal studenten-inschrijvingssysteem of voor een nationaal identificatie- en authorisatiesysteem. En in de kern van de zaak is dat wel degelijk, wat er in ‘De kern van de zaak’ gebeurt. Al moet daar wel tegelijk bij gezegd worden, dat men zich – zoals ik al vermeldde – daarbij wel zeer voorzichtig uitdrukt. Een citaat ter illustratie van de wijze waarop de Stichting de deur van deze porseleinkast open probeert te krijgen:

"Idealiter zou er landelijk gestandaardiseerd worden op uitwisselingsprotocollen, zoals de (…) datamodellen. Dan ontstaat een gemeenschappelijk (hybride, en gedistribueerd) database-systeem voor basisadministratie van student- en personeelsgegevens, dat fungeert als informatiebron voor de applicatie-systemen en -voorzieningen die hogescholen en universiteiten voor hun bedrijfsvoering onderhouden, of binnen afzienbare termijn zullen onderhouden. Zo’n systeem is een bron van kracht in plaats van een struikelblok."

Wij zien: de term basisadministratie valt wel, maar temidden van een serie volzinnen, die voor de meeste mensen waarschijnlijk onbegrijpelijk zijn, maar die de bedoeling hebben de bestuurders ervan te overtuigen, dat er niet naar een nationaal supersysteem gestreefd wordt, maar naar een methode om de lokale instellingssystemen om te bouwen, zodat ze met elkaar gaan samenwerken en zo als het ware een gemeenschappelijk systeem gaan vormen. Hum. En om alle kou uit de lucht te nemen, wordt daar dan ook nog aan toegevoegd:

"Voor de planperiode 2003-2006 is zo’n gemeenschappelijk systeem echter nog een brug te ver."

Deze voorzichtigheid neemt echter niet weg dat het de Stichting SURF wel degelijk menens is, precies zoals het haar menens was, toen ze aankondigde SURFnet4 om te willen bouwen tot SURFnet5, iets wat velen ook een taak leek, die te groot en te duur was om uit te voeren. Hoe serieus de Stichting is, blijkt wanneer ze de consequenties van het aangekondigde beleid trekt voor haar eigen organisatie. Ze is bereid die geheel en al op de nieuwe opgave toe te spitsen. Dat betekent dat ze haar traditionele programmalijnen, te weten infrastructuur, IWI, IABB, Educatie<F> en TrustSURF zal loslaten en in zal ruilen voor een organisatie die in staat is projecten te initiëren en uit te voeren, die tot doel hebben de gewenste integratie binnen en tussen de instellingen tot stand te brengen.
Met die nieuwe organisatie denkt SURF - zoals ze het zelf formuleert in de laatste regels van het meerjarenplan - "een waardevolle bijdrage te kunnen leveren aan de ondersteuning van de ontwikkelingen die binnen en tussen de instellingen gaande zijn.

SURF hoopt van harte dat de instellingen samen met SURF de schouders onder dit plan willen zetten!"

Of het veel uit zal maken valt te betwijfelen maar bij deze sluit ondergetekende zich – ondanks de doem van het verleden – bij deze hoop aan.

Begin pagina


index Pictogram  3