Publication

Arnulfus van Oudenburg, bisschop van Soissons (1087), mens en model: een bronnenstudie

Nip, R. I. A. 1995 Groningen: s.n.. 319 p.

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)

Copy link to clipboard

Documents

  • titelpagina's/inhoudsopgave

    Final publisher's version, 286 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 1

    Final publisher's version, 110 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 2

    Final publisher's version, 135 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 3

    Final publisher's version, 262 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 4

    Final publisher's version, 228 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 5

    Final publisher's version, 196 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 6

    Final publisher's version, 216 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 7

    Final publisher's version, 201 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 8

    Final publisher's version, 173 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 9

    Final publisher's version, 157 KB, PDF-document

  • hoofdstuk 10

    Final publisher's version, 67 KB, PDF-document

  • bijlagen

    Final publisher's version, 395 KB, PDF-document

  • bronlit

    Final publisher's version, 105 KB, PDF-document

  • index

    Final publisher's version, 59 KB, PDF-document

  • resume

    Final publisher's version, 64 KB, PDF-document

  • stellingen

    Final publisher's version, 9 KB, PDF-document

  • tabelkaart

    Final publisher's version, 96 KB, PDF-document

  • thesis

    Final publisher's version, 2 MB, PDF-document

  • Renée Ineke Apolonia Nip
Doel van deze studie was de mogelijkheden en beperkingen van de Vita Arnulfi als historische bron na te gaan door te proberen de levensloop van de heilige te reconstrueren op basis van zijn levensbeschrijving in combinatie met andere beschikbare bronnen. Allereerst is vastgesteld dat een vita een vorm van geschiedschrijving is. Evenals andere geschiedschrijvers gaf een hagiograaf een beeld van de werkelijkheid, zij het van een bepaald deel ervan, en streefde hij er naar de waarheid te presenteren. In de opvattingen van de middeleeuwse geschiedschrijvers maakte de aardse werkelijkheid deel uit van een groter geheel waarin God de grote actor is. Zij rekenden het tot hun doelstellingen inzicht in Gods plan te verschaffen door Zijn werking in de wereld te duiden. Hagiografen hielden zich speciaal bezig met mensen die al tijdens hun leven een bijzondere relatie met God hadden. Heiligen zijn werktuigen van God en zij brengen God nabij. Alle middeleeuwse geschiedschrijving diende om God te loven en de mensen tot troost en lering te strekken. Bovendien was het schrijven ervan een vrome daad die het zieleheil van de auteur ten goede kwam. Deze visie bepaalde vanzelfsprekend de werkwijze, selectie, interpretatie en presentatie van de gegevens. De wens om kerkelijke erkenning van een heilige te verkrijgen, was dikwijls de aanleiding tot het schrijven van een heiligenleven, dat bovendien de verering op gang kon brengen of bevorderen. De functie van vitae bracht met zich mee dat dergelijke teksten aan verandering onderhevig waren. Ze werden aangepast aan de eisen van de nieuwe tijd en omstandigheden en naar mate de tekst verder van de beschreven gebeurtenissen afstond, nam de hagiografische modellering toe en verdween de feitelijke werkelijkheid achter stereotypen. Iedere onderzoeker zal dus afhankelijk van zijn of haar doelstellingen eerst moeten nagaan welke tekst de meest bruikbare is. Als het doel, zoals hier, is zoveel mogelijk te weten te komen over de wereld waarin de heilige leefde, zal gezocht moeten worden naar de tekst die de oorspronkelijke levensbeschrijving het dichtst benadert. Ook de Vita Arnulfi is in verschillende vormen overgeleverd. Naast een korte en een lange redactie, de vita brevior (BHL 703) en de vita longior (BHL 704), kennen we enkele verkorte en bewerkte versies. De belangrijkste daarvan is de zogenoemde epitome (BHL 705), die in de meeste tekstgetuigen op de vita longior volgt en, gezien de indeling in lectiones in enkele van de handschriften, voor liturgisch gebruik bedoeld was. Deze oudste epitome is afgeleid van de vita longior, die al of niet in combinatie daarmee de basis vormde voor de latere verkorte en bewerkte versies van de Vita Arnulfi. Voor de ontstaansgeschiedenis van de vita konden al deze bewerkingen dus buiten beschouwing worden gelaten en kon worden volstaan met het nagaan van de relatie tussen de vita brevior en de vita longior. De relatie tussen de beide redacties en het auteurschap ervan is niet onomstreden. De vita brevior is in twee zeer jonge tekstgetuigen voorhanden, een handschrift dat te vinden is in een zestiende-eeuws legendarium (A), afkomstig uit het Rooklooster bij Brussel, en de editie van de Keulse hagiograaf Surius uit dezelfde tijd. Surius heeft de tekst echter zo ingrijpend bewerkt dat zijn editie nauwelijks bruikbaar is voor de vergelijking van de beide redacties van de Vita Arnulfi. Uit de afwijkende indeling in hoofdstukken in A, die in dit handschrift tamelijk problematisch is, en de editie van Surius kan wel worden opgemaakt dat Surius waarschijnlijk voor zijn editie een andere tekstgetuige dan het enige nog bekende handschrift van de vita brevior heeft gebruikt. Handschrift A is vervaardigd in een tijd en milieu waarin een grote hagiografische bedrijvigheid heerste. Veel heiligenlevens werden ontdaan van wat als overtollige en ongeloofwaardige ballast werd beschouwd en in beknopte vorm herschreven. Was de vita brevior zo’n bewerking van de vita longior of vertegenwoordigde A juist de oudste vorm van de Vita Arnulfi en was de vita longior een uitbreiding en bewerking van de vita brevior? De vita brevior bestaat uit één boek verdeeld in ongeveer zesenvijftig hoofdstukken en wordt besloten met een passage waarin de schrijver zijn getuigen, allemaal mensen die de heilige Arnulfus van nabij hebben gekend, opsomt en waaruit kan worden opgemaakt dat de hagiograaf al voor 1095 aan de levensbeschrijving is begonnen. Deze passage ontbreekt geheel in de vita longior. De inhoud van de vita brevior komt globaal overeen met de eerste twee boeken van de vita longior, waaraan een derde boek, een mirakelboek, is toegevoegd. Met dit derde boek is een begin gemaakt op verzoek van aartsbisschop Rodolfus van Reims in 1119 om de heiligverklaring van Arnulfus te kunnen bewerkstelligen. Het werd gepresenteerd op het concilie van Beauvais in 1120, waar de heiligverklaring werd goedgekeurd. Het bevat evenwel naast enkele postume wonderen, verslagen van de gang van zaken rond de heiligverklaring van Arnulfus (1119-1120) en van de elevatie van zijn gebeente (1 mei 1121) en kan dus pas na die laatste datum zijn voltooid. Bovendien zijn in het tweede boek, dat eindigt met de mededeling dat de vita in 1114 is voltooid, verwijzingen naar de gebeurtenissen van 1121 te vinden. Blijkbaar is er op tenminste drie verschillende momenten aan deze redactie gewerkt. De vita longior is in zeven tekstgetuigen bewaard gebleven, zes handschriften (BCDEFDu) waarvan de drie oudste (BCD) uit de dertiende eeuw stammen, en de achttiende-eeuwse editie van Mabillon op basis van een eveneens dertiende-eeuws, nu verdwenen handschrift. De overeenkomsten tussen de twee redacties zijn zo groot zijn dat zij niet onafhankelijk van elkaar kunnen zijn ontstaan. Vergelijking van de ordening van de hoofdstukken en analyse van de verschillen in formulering en de in één van beide redacties ontbrekende tekstdelen wijzen uit dat de vita longior een bewerking is van de vita brevior. De opbouw van de vita longior is zowel thematisch als chronologisch logischer, de hagiografische stilering is meer geprononceerd en de toevoegingen en weglatingen ten opzichte van de vita brevior laten de heiligheid van de hoofdpersoon nog beter tot haar recht komen. De grotere aandacht voor details in de vita longior, zoals namen van plaatsen en personen en nadere dateringen, is bovendien kenmerkend voor bewerkingen. Beide redacties worden voorafgegaan door een vrijwel gelijkluidende proloog van bisschop Lisiardus van Soissons (1108-1126), zodat de indruk gewekt wordt dat hij de auteur van zowel de vita brevior als de vita longior is. Deze proloog kan niet voor het begin van zijn episcopaat in 1108 zijn geschreven. Daaruit volgt dat de vita brevior, waarvoor de basis al voor 1095 was gelegd, niet eerder dan 1108 zijn huidige vorm kan hebben gekregen. Het derde boek van de vita longior wordt eveneens voorafgegaan door een proloog van Lisiardus en ook het verslag van de heiligverklaring zijn van hem afkomstig. Daarnaast zijn er echter brieven van Hariulfus, derde abt van Oudenburg (1105-1143), waarin deze zich als de schrijver van de Vita Arnulfi opwerpt. Deze brieven zijn verloren gegaan en alleen bekend uit de editie van Mabillon. Eén van deze brieven, die pas in 1114 kunnen zijn geschreven, was gericht aan aartsbisschop Rodolfus van Reims en vertoont een opvallende overeenkomst met de proloog van de beide redacties. Tekstvergelijking van de drie versies van de tekst heeft uitgewezen dat de meest voor de hand liggende hypothese is dat de proloog van de vita brevior ten grondslag heeft gelegen aan zowel de proloog van de vita longior als aan de brief van Hariulfus. De auteur van de vita longior moet dan behalve de tekst van de vita ook de proloog stilistisch hebben bewerkt. Bovendien blijkt dat de huidige zestiendeeeuwse tekstgetuige van de vita brevior in de proloog een aantal overleveringsfouten bevat die nog niet voorkwamen in de twaalfde-eeuwse legger die voor de proloog van de vita longior en de brief van Hariulfus is gebruikt. Derhalve is geconcludeerd dat bisschop Lisiardus de schrijver van de vita brevior was en Hariulfus de vervaardiger van de vita longior. Nauwe samenwerking tussen de beide hagiografen, waarvan ook het derde boek van de vita longior getuigt, zal de canonizatie van Arnulfus hebben bewerkstelligd. Een hagiograaf was er op de eerste plaats op uit het heilige in zijn hoofdpersoon aan te tonen. De feitelijke gegevens waren nodig om de heilige in tijd en plaats in de werkelijkheid te verankeren en moesten daarom op waarheid berusten, maar zij hadden slechts een ondergeschikte functie. De hagiograaf was meer geïnteresseerd in de manifestatie van God in de wereld door middel van de heilige dan in diens aardse beslommeringen. De hagiografen van Arnulfus, bisschop Lisiardus en abt Hariulfus, beginnen hun levensverhaal met het dateren en lokaliseren van het begin van zijn aardse leven. Zij sommen ten tijde van zijn geboorte regerende vorsten op en noemen de geboorteplaats en de familie, zowel van vaders- als van moederszijde, waarin hij werd geboren. Hun grootste aandacht is echter voor de wonderbaarlijke gebeurtenissen die aan de geboorte voorafgingen. Zij eindigen de vita met het begin van zijn hemelse leven. Deze gebeurtenis is heel precies gedateerd en gelokaliseerd. Ook nu zijn het vooral de wonderbaarlijke gebeurtenissen die uitgebreid worden beschreven. Deze hemelse tekens wijzen immers op de bijzondere relatie tussen Arnulfus en God. Niet alleen deze twee cruciale momenten, maar het hele leven van Arnulfus is door de hagiografen in tijd en plaats vastgelegd en in principe controleerbaar. Arnulfus trekt zich terug uit de wereld na de dood van zijn vader, terwijl zijn moeder nog leefde, en wordt monnik in Saint-Médard tijdens het abbatiaat van Reynaldus (1040-c.1076). Na diens dood wordt hij zelf tot abt gekozen onder leiding van bisschop Tedbaldus van Soissons (1072-1080). Door toedoen van koning Philips van Frankrijk legt hij het abbatiaat neer en wordt opgevolgd door Geraldus, de latere stichter van La Sauve Majeure. Hij wordt tot bisschop van Soissons gekozen na de dood van Tedbaldus (26-1-1080) op een concilie in Meaux, dat was georganiseerd door de pauselijke legaat Hugo van Die (1074-1106) en onder bescherming stond van graaf Tedbald van Champagne (1037/42-1089). Op last van paus Gregorius VII (1073-1085) vertrekt hij naar Vlaanderen om een geschil tussen graaf Robrecht (1071-1093) en onder andere aartsdiaken Arnulfus van Terwaan (1070-1112)839 op te lossen. De Sint-Pieterskerk in Oudenburg wordt door bisschop Radbodus (1068-1098) van Doornik aan hem overgedragen en volgens de vita longior gebeurde dat in 1084. Dit zijn slechts enkele van de in de vita brevior genoemde personen en plaatsen, die in de vita longior nog met vooral Vlaamse namen zijn aangevuld. Vrijwel alle beschreven gebeurtenissen uit het leven van Arnulfus zijn op die manier in de historische werkelijkheid vastgelegd, zodat kan worden vastgesteld dat de hagiografen buitengewoon goed geïnformeerd waren. Nu is aangetoond dat de vita brevior de oudste redactie van de Vita Arnulfi is, waarvan de basis vóór 1095 is gelegd en die niet lang na 1108 zal zijn voltooid, kunnen we ervan uitgaan dat deze kennis door de schrijver daarvan is verzameld. We hebben aangenomen dat bisschop Lisiardus de auteur was. Lisiardus zegt Arnulfus persoonlijk te hebben gekend en door hem tot subdiaken te zijn gewijd (III,prol.). Hij geeft als zijn bronnen familieleden van Arnulfus en diens metgezel Everolfus. Zelf was hij afkomstig uit de streek waar zich het grootste deel van het door hem beschreven leven van Arnulfus heeft afgespeeld. Tot zijn verkiezing tot bisschop van Soissons was hij proost van de kathedraal daar. Veel van de in de vita vermelde personen zal hij hebben gekend. Onder de getuigen van een genezing die Arnulfus na een kerkwijding verrichtte, noemt hij Rodolfus Viridis (XXXVII), die volgens de hagiograaf op het concilie in Reims (1119) er blijk van gaf dat hij zich dat herinnerde (III,prol.). Rodolfus Viridis was inmiddels aartsbisschop van Reims (1106/8-1124) en gaf met legaat Conon op het concilie van Beauvais (1120) toestemming voor de elevatie en translatie van Arnulfus (III,XV). Hieruit blijkt dat, ook al is Arnulfus in geen enkele andere bron te vinden dan in de teksten die voor zijn verering zijn vervaardigd, er terecht niet aan wordt getwijfeld dat hij werkelijk heeft geleefd. Er is dus alle reden om aan te nemen dat de Vita Arnulfi een betrouwbare weergave van het leven van de heilige Arnulfus is. Dat maakt het de moeite waard de tekst naar de letter te nemen en mededelingen niet te snel als onkunde van de schrijver of hagiografische stilering af te doen. Zo kan met hulp van de kennis die we aan andere bronnen over de hier behandelde tijd ontlenen, een nadere precisering in de chronologie worden aangebracht. Als we ervan uitgaan dat Lisiardus goed beslagen ten ijs is gekomen en een weldoordachte tekst heeft afgeleverd, dan is het aannemelijk dat hij de wijze waarop hij de geboorte van Arnulfus dateert, welbewust heeft geformuleerd (I). Het was niet ongewoon voor die tijd dat hij noch de naaste verwanten van de heilige de exacte geboortedatum kenden. De genoemde vorsten laten een datering tussen 1042 en 1060 toe, een periode van ongeveer achttien jaar840. Door na te gaan welke vorsten wel en welke niet worden opgesomd kan deze wel erg ruime marge misschien worden ingeperkt. Men kan zich daarbij afvragen hoeveel kennis de hagiograaf had van het aanzien van de betrokken vorsten en de politieke verhoudingen in de door hem beschreven tijd of in hoeverre hij beïnvloed werd door de omstandigheden in de tijd waarin hij schreef. We hebben gezien dat de vermelding van de vrome koning Edward de Belijder aan het laatste doet denken; het ontbreken van de paus kan alleen vanuit de beschreven tijd worden verklaard en dat van de Duitse koning kan aan beide worden toegeschreven. Op grond daarvan is geconcludeerd dat Arnulfus geboren is tussen september 1047 en februari 1049. In het najaar van 1047 nam graaf Boudewijn V van Vlaanderen deel aan een opstand van Dirk V van Holland tegen de Duitse koning, waardoor het tot een breuk kwam tussen de Vlaamse graaf en koning Hendrik III, die pas na de dood van de koning (1056) enigszins werd geheeld. De grote, al jaren durende problemen rond de pauselijke zetel kwamen ten einde met het begin van het pontificaat van Leo IX op 12 februari 1049. De veronderstelling dat Arnulfus geboren is op 25 juli 1048, omdat hij eigenlijk Christoforus had moeten heten, wiens feest op die dag wordt gevierd (I), is vanzelfsprekend niet meer dan een suggestie. Aangezien we de sterfdata van de ouders van Arnulfus niet kennen, is de datum van diens intrede in Saint-Médard niet vast te stellen. Door terug te rekenen vanaf het abbatiaat van Arnulfus komen we tot een tijdstip vóór 1072. Arnulfus werd tot abt gekozen ter vervanging van de afgezette abt Pontius, de opvolger van de omstreeks 1076 gestorven abt Reynaldus. Hij werd echter gedwongen zijn ambt neer te leggen en liet tot zijn opvolger Geraldus kiezen, die spoedig werd verjaagd (XVII-XVIII). Geraldus stichtte in 1079/80 de abdij La Sauve Majeur in Aquitanië. Het abbatiaat van Arnulfus moet dus omstreeks 1077-1078 worden gedateerd. Lisiardus vertelt in de vita dat Arnulfus in Saint-Médard na een leertijd van één jaar, waarschijnlijk zijn noviciaat, aalmoezenier werd (VI). Na verloop van tijd besloot hij kluizenaar te worden en zo leefde hij drieeneenhalf jaar, toen hij door de monniken tot hun abt werd gekozen (VII-IX). Er moeten dus minstens vijf jaren zijn verlopen tussen zijn intrede en verkiezing tot abt. Heel veel eerder dan 1072 kan zijn intrede ook niet zijn geweest, omdat hij volgens de vita opgeleid was als ridder en enige tijd in het gevolg van Arnulf van Oudenaarde had gediend. Arnulfus had aan verschillende oorlogen deelgenomen (V) en hij had aan het Duitse hof vertoefd tijdens een verblijf van de koning in Utrecht (III). Dat laatste moet waarschijnlijk in 1066 zijn geweest, toen de koning daar het Paasfeest vierde. Mijn hypothese is dat Arnulfus in 1071 naar Saint-Médard is vertrokken841. De keuze voor dat jaar wordt bepaald door de gebeurtenissen in Vlaanderen, waarin mogelijk de aanleiding voor het vertrek uit de wereld van Arnulfus moet worden gezocht. Daarover is niets in de vita te vinden. Voor Lisiardus telt dat Arnulfus met zijn intrede in Saint-Médard het bestaan waartoe zijn familie hem had gedwongen de rug toekeerde en het leven begon waarvoor God hem had bestemd. Eventuele bijzondere omstandigheden die daartoe de aanleiding vormden, waren daaraan ondergeschikt. Op 2 februari 1071 had Robrecht de Fries, de broer van de in 1070 overleden graaf Boudewijn VI van Vlaanderen, zijn neef Arnulf in de slag bij Kassel verslagen en op die manier het graafschap Vlaanderen aan zich onderworpen. We hebben vastgesteld dat de bronnen voor deze gebeurtenissen erg moeilijk te interpreteren zijn, maar dat daaruit afgeleid kan worden dat de heren van Oudenaarde in deze strijd om het graafschap tot de tegenstanders van Robrecht de Fries hebben behoord. Het is in ieder geval opmerkelijk stil in de daaropvolgende jaren rond de heren van Oudenaarde en er wordt wel gezegd dat Oudenaarde als weduwegoed aan Richildis, de weduwe van Boudewijn VI, is toegevallen. Als het inderdaad zo gegaan is, was er niet veel reden meer voor Arnulfus om de belangen van zijn familie als ridder te blijven dienen. Ik denk dat zijn intrede in Saint-Médard pas in het laatst van 1071 heeft plaatsgevonden. De mededeling van Lisiardus dat Arnulfus op een goede dag met pracht en praal naar Frankrijk vertrok alsof hij naar het koninklijk hof ging, maar in werkelijkheid het hof links liet liggen en naar Saint-Médard bij Soissons reisde (V), is daartoe de aanleiding. Philips I liet zich namelijk op Kerstmis 1071 in het nabij gelegen Laon feestelijk kronen, een gebeurtenis die Arnulfus zonder enige verdenking op zich te laden, gemakkelijk als zijn reisdoel kon opgeven. Volgens mijn berekening moet Arnulfus bij zijn intrede ongeveer drieëntwintig jaar zijn geweest. Als deze hypothese juist is, werd Arnulfus in 1072-73 aalmoezenier. Deze functie kan hij niet lang hebben vervuld, want we hebben hierboven gezien dat hij omstreeks 1077 tot abt moet zijn gekozen, nadat hij volgens Lisiardus drieëneenhalf jaar als kluizenaar had geleefd (VIII-IX). Ook de tweede periode van zijn kluizenaarsbestaan, tussen zijn abbatiaat en episcopaat in, kan niet lang hebben geduurd. Uit gegevens in de vita in combinatie met die uit andere bronnen kan worden afgeleid dat Arnulfus op 19 december 1081 in Die werd gewijd door de pauselijke gezant, bisschop Hugo van Die842. Het concilie te Meaux, waar Ursio werd afgezet en Arnulfus gekozen (XXVI), kan niet eerder dan in het najaar van 1081 hebben plaatsgevonden. Bovendien wijzen de plannen van de inwoners van het aartsbisdom Vienne om Arnulfus na zijn wijding met geweld met de vacante zetel van Vienne te bekleden op het jaar 1081 (XXIX). Aartsbischop Warmundus, die de zetel vanaf 1076 had bezet, wordt voor het laatst in januari 1081 vermeld en zal kort daarna zijn overleden, terwijl zijn opvolger, Gunthardus, voor het eerst in februari 1082 en voor het laatst in 1084 wordt genoemd. Na zijn terugkeer in Soissons zag Arnulfus zich door toedoen van Ursio en zijn broer Gervais genoodzaakt zijn intrek te nemen op het kasteel van graaf Tedbald van Champagne te Oulchy, waar hij zijn ambt naar vermogen uitoefende (XXXI). In 1083-84 moet Arnulfus in opdracht van paus Gregorius VII naar Vlaanderen zijn vertrokken om een verzoening tot stand te brengen tussen graaf Robrecht de Fries en enkele opstandige edelen en geestelijken, onder wie aartsdiaken Arnulfus van Saint-Omer (XXXV). De problemen in Terwaan waren al in 1078 begonnen met het overlijden van bisschop Drogo843. De brieven van Gregorius VII waarin melding gemaakt wordt van de klachten van aartsdiaken Arnulfus dateren uit 1083. We mogen dus aannemen dat de paus in die tijd de heilige Arnulfus benaderd heeft. Kennelijk was de heilige in elk geval in 1084 in Vlaanderen. Volgens abt Hariulfus, de schrijver van de vita longior, kreeg Arnulfus dat jaar als dank voor zijn activiteiten als vredestichter de Sint-Pieterskerk te Oudenburg om er een klooster te stichten. Vanaf 1084 worden bovendien anderen dan Ursio en Arnulfus als bisschoppen van Soissons genoemd, zodat we ons af kunnen vragen of Arnulfus ook dit ambt heeft moeten neerleggen844. Volgens de vita is hij nog wel teruggereisd naar Soissons, maar heeft hij, teleurgesteld door de toestand die hij daar aantrof, zijn kluizenaarsbestaan hervat (XLIX). De hagiografen vertellen dat Arnulfus op verzoek van velen op 18 juli 1087 in Oudenburg terugkeerde. Een week later werd hij ziek en na een ziekbed van drie weken stierf hij op 15 augustus. Hij werd een dag later begraven (LI-LIII). Het is duidelijk dat de reconstructie van de levensloop van Arnulfus voor de periode die voorafgaat aan zijn intrede in Saint-Médard heel wat meer problemen oplevert dan voor de tijd erna. Voor de hagiograaf is dat nu eenmaal de minst interessante levensfase van de heilige en zij wordt alleen behandeld voorzover daarin aanwijzingen voor zijn heiligheid zijn te vinden. Zekerheid over die periode kunnen we op grond van de beschikbare bronnen niet krijgen. Voor de tijd daarna zijn we geheel op de vita aangewezen. Slechts één in de vita vermelde gebeurtenis kan aan andere bronnen worden getoetst: de opstand in Terwaan. In dat geval moeten we constateren dat de hagiograaf maar een deel van het verhaal geeft en niets over de problemen rond de bisschopszetel zegt. Volgens Lisiardus had graaf Robrecht een samenzwering tegen zijn bewind ontdekt en de verraders gestraft, onder wie aartsdiaken Arnulfus van Terwaan (XXXV). Lisiardus is alleen geïnteresseerd in de verzoening en de rol die Arnulfus als vredestichter daarbij vervulde. De andere bronnen, voornamelijk brieven van paus Gregorius VII, reppen alleen van gewelddadigheden die voortkwamen uit de strijd om de bisschopszetel. Robrecht had zijn tegenstanders, onder wie de aartsdiaken, hardhandig gestraft. Het spreekt vanzelf dat de verzoening in de visie van de paus van ondergeschikt belang was. Zijn doel was dat Robrecht zijn kandidaat voor de bisschopszetel zou accepteren, waardoor vanzelf aan de tweestrijd een einde zou komen. De bemiddelende rol van Arnulfus wordt buiten de vita nergens genoemd. Moeten we daaruit opmaken dat die er dus ook niet is geweest? De vita brevior geeft nergens aanleiding tot twijfel. De enige vermelding die tot discussie kan leiden is die van de edelman Tedbaldus, die zich geïnspireerd door Arnulfus uit de wereld terugtrok en kluizenaar werd (VII). Deze is echter alleen onjuist, als we aannemen dat hier Thibaud van Provins (†1066), die door paus Alexander II (1061-1073) heilig is verklaard, wordt bedoeld. De hagiograaf zegt dit niet en de naam Tedbaldus is evenals Arnulfus een veel voorkomende naam. Waarschijnlijk moet de rol van Arnulfus in Terwaan worden vergeleken met die van aartsbisschop Warmundus van Vienne. Warmundus werd in 1076 met grote instemming van de paus gekozen tot de opvolger van aartsbisschop Armandus, die wegens simonie was afgezet. Hij trad herhaaldelijk buiten zijn diocees op als afgezant van de legaat Hugo van Die. In die functie was hij in 1078 in Terwaan in verband met de opvolging van de overleden bisschop Drogo845. We kunnen niet alleen concluderen dat de vita brevior een waarheidsgetrouwe levensbeschrijving van de heilige Arnulfus is, maar bovendien, binnen zekere grenzen, een betrouwbare bron voor onze kennis van het verleden. Lisiardus presenteert het leven van de heilige in taferelen die getuigen van zijn voorbeeldig leven en het vermogen dat God hem had gegeven om wonderdaden te verrichten en voorkennis, inzicht in Gods plan, te hebben. De historische werkelijkheid wordt tot het allernoodzakelijkste beperkt en vormt slechts de achtergrond waartegen zich alles afspeelt. Lisiardus gaat nauwelijks in op de omstandigheden die ertoe leidden dat Arnulfus af moest treden als abt of op de oorzaken waardoor hij er niet in slaagde de zetel van Soissons daadwerkelijk in bezit te nemen. Andere bronnen moeten ons helpen daar inzicht in te verkrijgen. Wel is het goed mogelijk in de vita de uitwerking van ideeën die we elders tegenkomen over bijvoorbeeld de hervormingsbeweging, de investituurstrijd en de godsvredebeweging in de praktijk te zien. Niet de band tussen Arnulfus en de wereld waarin hij leeft is van belang, alleen zijn speciale relatie tot God. Lisiardus beschrijft alleen het heilige en laat andere aspecten van het leven van Arnulfus weg. Hij vertelt ons niets over zijn gevoelens, eventuele twijfels en angsten. Toch schemert de mens Arnulfus nog het meeste door in de vita brevior, waarschijnlijk doordat Lisiardus en zijn voornaamste zegslieden hem zo na hebben gestaan. De vita brevior biedt ons het beeld van een hartstochtelijk en tamelijk rechtlijnig man, die zich voor alles wat hij op zich nam, met hart en ziel inzette. Hij zag blijkbaar geen kans zich aan te passen aan de levensstandaard die in de abdij Saint-Médard gold. Hij had niet de juiste opleiding genoten en miste mogelijk de gewenste beschaving en verfijning. De abt liet hem dat kennelijk nogal cru voelen door hem de mond te snoeren, waarop Arnulfus extreem reageerde door er maar helemaal het zwijgen toe te doen (VI). Hij verkoos zich van de monniken af te zonderen door eerst in een cel binnen de abdij, later zelfs onder barre omstandigheden in een kuil aan de voet van de abdijkerk als kluizenaar te leven (VII-VIII). Eenmaal abt kwam hij met de kloostergemeenschap in conflict, omdat hij niet wist dat het gebruikelijk was dat er op een bepaalde feestdag tarbot werd gegeten (XVI). Ook abt Hugo van Cluny bleek zo zijn twijfels te hebben over de geschiktheid van de heilige man als leider van de geloofsgemeenschap. Hij onderwierp Arnulfus, nadat deze tot bisschop van Soissons was gewijd, aan een uitgebreide ondervraging en constateerde tot zijn tevredenheid dat de man goed onderlegd en welbespraakt was en helemaal niet zo boers als hij vreesde (XXX). In de vita longior zien we een echte hagiograaf aan het werk. Abt Hariulfus van Oudenburg herordent het werk, voegt toe en laat weg. Hij haalt de scherpe, al te menselijke kantjes eraf en verhult ze in hagiografische stileringen. De voorbeelden van Arnulfus’ uitmuntend ridderschap uit de periode voor zijn bekering zijn verdwenen (III-IV). De verontwaardigde afwijzing door Arnulfus van de eis van Philips I om weer de wapens op te nemen en de vorst als abt van de koninklijke abdij Saint-Médard op een krijgstocht te vergezellen, werd in de vita longior getemperd tot een besliste, maar nederige weigering (I,XVI). Van een beminde broer maakte Hariulfus hem tot een heilige raadsman en biechtvader van zijn zuster Oda (II,XXIII). Het hoofdstuk over het bezoek van abt Arnulfus aan Godfried van Florennes om het kloosterbezit te herstellen greep hij aan om de heilige ten voorbeeld te stellen. Hariulfus opent zijn verhaal met de nadrukkelijke mededeling dat de inzet van Arnulfus voor het abbatiaat in herinnering moest blijven, zodat andere kerkelijke bestuurders daarmee hun voordeel konden doen (I,XI). De vita wordt onder zijn handen een zorgvuldig opgebouwd verhaal waarin de graad van heiligheid steeds verder wordt opgevoerd tot de climax, de dood en begrafenis van Arnulfus. Petrus had de heilige in een visioen zijn dood geopenbaard en in vertrouwen daarop was Arnulfus naar Oudenburg teruggekeerd en stierf hij op de wijze die hij verwachtte. In de vita longior werd Arnulfus van mens tot model. Sinds de late middeleeuwen zijn Arnulfus van Oudenburg en Godelieve van Gistel de belangrijkste lokale heiligen van West-Vlaanderen. De oorsprong van hun erkenning als heilige is heel verschillend. De verering van Godelieve lijkt uit het volk te zijn voortgekomen en kreeg in 1084 kerkelijke erkenning op initiatief van bisschop Radbodus van Doornik met steun van graaf Robrecht en andere vooraanstaanden. Het doel daarbij was zowel het wereldlijke als het kerkelijke gezag te verstevigen en vrede te bewerkstelligen na de strijd in het bisdom Terwaan. De initiatiefnemer van de canonizatie van Arnulfus was bisschop Lisiardus van Soissons in nauwe samenwerking met abt Hariulfus van Oudenburg. Lisiardus wilde waarschijnlijk zijn bisschopszetel luister bijzetten en tegelijkertijd de door hem zo bewonderde, maar in zijn bisdom miskende voorganger rehabiliteren. Hariulfus hoopte ongetwijfeld het aanzien van zijn abdij te vergroten. Veel steun van de toenmalige bisschop van Doornik, Lambertus, ondervonden zij niet en van invloed van de graaf van Vlaanderen of die van Champagne of van verwanten van Arnulfus is geen spoor te vinden. Godelieve en Arnulfus stonden beiden voor de vrede, Godelieve, een huisvrouw, als een slachtoffer van het geweld en Arnulfus, een bisschop, als vredestichter. De verering van Godelieve kwam van onderaf, vanuit het volk, terwijl die van Arnulfus van boven, vanuit de Kerk kwam.
Original languageDutch
QualificationDoctor of Philosophy
Supervisors/Advisors
Award date21-May-1995
Place of PublicationGroningen
Publisher
StatePublished - 1995

View graph of relations

Download statistics

No data available

ID: 14506582