Publication

Het herenbolwerk: politieke en sociale terreinverkenningen in Drenthe over de periode 1748-1888

Buning, L. 1966 Groningen: Koninklijke Van Gorcum. 297 p.

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)

Copy link to clipboard

Documents

  • Lammert Buning
NABESCHOUWING EN CONCLUSIES De verklaring van het feit dat zich in de achttiende eeuw in - Drenthe een oligarchie vormde van ridclerinatigen, voorname eigenerfden en ambtelijke specialisten, lijkt op het eerste gezicht niet moeilijk? Overal in de Verenigde Provinciën vormde zich immers zo'n regentie. Waarom dan in Drenthe niet? Elders leudnen ook de intellectuelen in sociaal opzicht vaak tegen de aristocratie aan,zo zij al niet uit regentenfamilies voortgekomen waren. Waarom zou Drenthe een afwijking te zien geven van hetgeen zich overal elders in de Republiek voordeed? In de Landschap Drenthe ontstond dus een oligarchie, evengoed als elders in de geunieerde gewesten. Diepte en kleur krijgt het geschiedverhaal echter pas, wanneer het regionaal-eigene, het van het doorsnee-patroon afwijkende in het licht wordt gesteld. Een poging daartoe is in de vorige hoofdstukken gewaagd. Hypothetisch meen ik voor Drenthe de ontstaans- en bestaansmogelijkheid van een regentie met sterk sprekend 'landelijk' of 'agrarisch', doch geenszins 'adellijk' of 'feodaal' karakter te moeten toeschrijven aan de patriarchale verhoudingen, die in de boerengemeenschappen door de wisseling der eeuwen heen waren blijven bestaan, zonder noemenswaardige oppositie van binnenuit - naar men mag aannemen - en zonder diep inwerkende confrontatie met de buitetiwereld. Het langdurige isolement is een factor van betekenis in de geschiedenis van Drenthe. Het was de volle boer, de heerschap, wiens dominerende positie in de marke altijd als vanzelfsprekend was aanvaard. De grote eigenerfden met volledige gerechtigdheid in de marke bezaten in hun kleine samenleving een hegemoniale positie op elk gebied: in de boerschap en in de kerke, in de handhaving van recht en orde, in het bestuur, in het familieleven. De rijkdom vervulde in de Landschap de regeringsfuncties. Wie konden dat anders gedaan hebben in dit gebied dat geen erkende ridderschap had bezeten tot in het begin van de zeventiende eeuw? De hoofden der voorname boerengeslachten oefenden hun patriarchale zeggenschap ook uit in de buurschap, het kerspel, het dingspil en in het gehele 'gemene lant van Drenthe'. Wat waren deze sociale, bestuurlijke en jurisdictionele eenheden eigenlijk anders dan schaalvergrotingen van de op de hoeve bestaande samenlevingsvormen? Een 'quasi-maagschap' zou men ze wellicht kunnen noemen. De oudste gehuwde man in het drie-generatie-gezin ('Groszfamilie') was de aartsvaderlijke figuur aan de basis van de samenleving; de rol van de boerenpatriarch bleef merkbaar tot in de toppen van rechtsbedeling en bestuur. Uit de familiehoofden kwamen de volmachten voort, die de markegenoten vertegenwoordigden naar buiten, tot op het hoogste niveau : in de Landdag en de Etstoel. Lofwaardige mannen moesten de volmachten zijn : onberispelijk van levenswandel en trouw aan de ware gereformeerde religie ; de lees- en schrijfkunst moesten ze machtig zijn en uit de gemeenschap zelf dienden ze te zijn voortgesproten om tot de bediening van ambten gekwalificeerd te zijn. Oorspronkelijk hebben waarschijnlijk alle vrije, eigenerfde boeren in eigen persoon, dus rechtstreeks, de landdagen bezocht. In moeilijke tijden werd wel eens kritiek geuit. In de achttiende eeuw was het óok in Drenthe zover dat de voornaamheid haar organische binding met de bevolking had verloren. De feodalisering van de Landdag en de Etstoel, de instelling van het Collegie, de komst van verscheidene 'uitlandse', meestal academisch gevormde ambtenaren maakten de regeringsgroep in het voormalige jufferenstift 'Maria in Campis' te Assen tot een min of meer gesloten wereldje, hetwelk, gezien de toenemende gecompliceerdheid van bestuurstaken, financieel beheer, civiele en criminele justitie, niet verwonderlijk was. Het voeren van de regering op het hoogste niveau werd een specialisme en de regentie met haar 'ministers' ontwikkelde zich tot een groep 'ingewijden', wier deskundigheid groot was. Zo ontwikkelde zich de oligarchie, die tenslotte het regeringsmonopolie in de Landschap in handen had. In de achttiende eeuw, toen de minder mooie kanten daarvan - nepotisme en corruptie - de aandacht kregen van die ingezetenen, die maatschappelijk onder het Lands~haps~atriciaasto nden, doch qua welstand en ontwikkeling boven het gewone landvolk uitstaken, ontstond ontevredenheid, die op kritieke momenten aanwakkerde tot felle oppositie en zelfs agitatie. Nogmaals: de middengroep, waaruit het ver- zet in hoofdzaak voortkwam, omvatte diegenen die buiten de regerende elite stonden, doch die in de meeste gevallen wel met enig aards goed - soms zelfs zéér veel - gezegend waren; concreter gezegd: de minder voorname eigenerfden in de kerspelen en de burgerij van Meppel. Onder deze twee sociale groeperingen openbaarden zich in 1748 en in de woelige jaren 1780-'87 de democratische tendenties, welke voortvloeiden uit de geest der Verlichting, die ook in Drenthe vat op talrijke wat beter ontwikkelde burgers en boeren had gekregen. In die kringen werd de leuze aangeheven dat de 'volksstem' in de regering der Landschap tot gelding diende te worden gebracht en dat de 'landverdervende Kabaal' te Assen uit haar heerschappij moest .. - worden ontzet. De op gezag van de stadhouders tot drost van Drenthe aangestelde graven Van Heiden gingen, in samenwerking met het prinselijk hof in Den Haag, in de ambtenbegeving selectief te werk. Op sleutelposities werden slechts betrouwbare oranjemannen geplaatst. Aldus werd de drentse regeringscercle politiek homogeen, hetgeen de cohesie uiteraard ten goede kwam. Bovendien waren de meeste regentenfamilies door huwelijken aan elkaar geparenteerd. Ook dit vergrootte het saamhorigheidsgevoel. De kring rondom Van Heiden manifesteerde zich steeds duidelijker als 'partij ', hetgeen de tegenstanders een duidelijk symbool gaf, waarop zij hun oppositie konden richten. De in 1780 opgerichte Sociëteit telde echter ook patriotsgezinden onder haar leden. Zo ver reikte de partijdige arm van de Heer Drost nu ook weer niet, dat hij de boeren in hun markegemeenschappen onder controle had. Op de samenstelling van de Landdag had hij, zeker wat de aanwijzing der kerspelvolmachten betrof, hoegenaamd geen invloed. De Sociëteit heeft, naar men mag aannemen, verzoenend gewerkt; dank zij haar bleef de band met anti-orangistische notabelen als Carel de Vos van Steenwijk enigermate intact. Het is niet onwaarschijnlijk dat de matiging die bij de ommekeer in 1795 ook in Drenthe werd betracht, door de persoonlijke relaties tussen de vooraanstaanden der Landschap, van welke partij ook, nog werd versterkt. De woelingen in de jaren 1780-'87 waren het werk van de democratischpatriotse oppositie, welke geleid werd door enkele figuren die qua stand, vermogen en ontwikkeling de gelijken waren van het Landschapspatriciaat. Behalve een enkeling, zoals De Vos van Steenwijk en Jannis Cremer van Rossen, bleven zij tot de Bataafse Omwenteling buiten de regering. Voortredenerend op het hierboven vermelde zou men kunnen aannemen dat de democratie dan een vruchtbare voedingsbodem heeft, wanneer het patriarchale karakter van een maatschappij geheel of grotendeels is verdwenen. Een 'volksregering' erkent principieel geen regeringsmonopolie van een groep aanzienlijken uit oude, voorname geslachten. In de loop van de negentiende eeuw kwamen ook in Drenthe denkbeelden en overtuigingen naar voren, die weinig strookten met de oude tradities, waartoe ook de dominerende positie van de oude 'wijsheid en rijkdom' behoorde. Daarbij kwam dat zich in dezelfde eeuw in de Landschap reeds het prille begin van het industrialistische beschavingstype aankondigde ; de burgerliberalen, die tegen de Sociëteitsheren in oppositie kwamen, wezen meer dan eens op de geringe aandacht door de drentse gezetenheid besteed aan nijverheid en handel. Geen wonder dat van Meppel de stoot uitging, die een bres in het Herenbolwerk - de Sociëteitsmacht - sloeg. In 1795 had de Landschapsregentie haar machtspositie verloren; als kern van de 'gevallen partij' werd zij gediskwalificeerd en, voorzover het werkelijk fervente aanhangers van Oranje betrof, uit de ambten verwijderd. Maar reeds in 1801 was het getij gekeerd. De grote tijd der radicale, unitaristische en anti-orangistische Bataven was toen voorbij. De tweede staatsregeling, onder pressie van consul Bonaparte tot stand gekomen, bracht een beperking van het kiesrecht en daarmee een invloedsvergroting van de aanzienlijken. De afschaffing van de eed van afkeer van het stadhouderschap, het federalisme, de aristocratie en de anarchie betekende tenslotte : restauratie van veel van het oude, temeer, daar de 'brieven van Oranienstein', door de ex-stadhouder aan zijn voormalige toegewijde dienaren gezonden, eventueel overgebleven bezwaren geheel wegnamen. Uitdrukkelijk werd aan de in 1795 uit de functies verdwenen orangezinde regenten verlof gegeven zich weer in dienst van het lieve vaderland te stellen. Mr. Petrus Hofstede keerde spoedig in het openbare leven terug; hij werd de ziel van een actie welke ten doel had Drenthe, dat bij de grondwet van I 798 van de staatkundige kaart was verdwenen en ondergebracht bij het Departement van den Ouden IJssel, in zijn voormalige zelfstandigheid te herstellen. Op uitnodiging van Hofstede kwamen op 17 oktober 1804 in de kerk te Assen ruim veertig notabele 'Drenten' van verschillende politieke gezindheid bijeen om deze kwestie te bespreken. Daar ontmoetten elkaar leden van de oude Sociëteitsfamilies en figuren die na 1795 op het kussen waren gekomen. Onder de aanwezigen scheen de partijhartstocht geheel te zijn gedoofd. Oranjegezinden en voormalige patriotten (die benaming geraakte allengs in ongebruik) vonden elkaar in de gemeenschappelijke strijd voor de separatie van het geboortegewest van Overijssel. Hier ligt een beslissend moment; van toen af trokken de oude en nieuwe aristocratie samen op om het beoogde doel te bereiken, terwijl de 'patriotse' geestdrift voor de vernieuwing van 1795 en daarna nogal was bekoeld. Zo stond de vergadering te Assen in het teken der verzoening. Daardoor werd de drentse regentie uitgebreid en tevens geconsolideerd. Straks zou zij als één groep onder leiding van Hofstede de leiding der zaken in de oude Landschap op zich nemen. Omstreeks die tijd gaf de Sociëteit weer enige tekenen van leven; of zij in de eerste jaren der Bataafse Republiek opgeheven is geweest, of dat zij in de schaduw der nieuwe regering als louter conversatiecentrum zonder politieke betekenis of aspiratie heeft voortbestaan, heb ik niet kunnen ontdekken. In 1806 blijkt zij er te zijn en weer behoort een der Van Heidens tot de directie. Tot de leidende figuren behoorde ook mr. Johannes Henricus Petrus van Lier, straks de eerste burgemeester van het door koning Lodewijk Napoleon met stedelijke rechten begiftigde Assen. Wat de zelfstandigwording van Drenthe betrof, het Staatsbewind had voor het adres der drentse notabelen weinig aandacht. Zijn dagen waren echter geteld en Schimmelpennink was de Drenten gunstiger gezind. Op 19 juli 1805 kwam zijn besluit af, waarbij aan Drenthe de vroegere zelfstandigheid werd teruggegeven, al bleef het voorlopig nog 'Landschap' heten. De volledige gelijkheid met de andere departementen bleef Drenthe nog ontzegd. Deze zou echter spoedig komen. In 1807 - dus onder het Koninkrijk Holland - werd mr. Petrus Hofstede benoemd tot Lodewijk Napoleons Landdrost in het Departement Drenthe. Met hart en ziel heeft de nieuwe functionaris zich aan zijn zware taak gewijd; bestuur, rechtsbedeling, onderwijs, noch enige tak van economie ontsnapte aan zijn aandacht. Gedurende de Inlijving trad Hofstede veel minder op de voorgrond. Ook in Overijssel, waarheen hij was overgeplaatst, betoonde hij weinig activiteit. Tenslotte werd hij ontslagen, omdat men zijn politieke gezindheid wantrouwde. Na het herstel van Nederlands onafhankelijkheid werd Hofstede door de Souvereine Vorst belast met het ambt van Gouverneur in Drenthe. ... Zie: Nabeschouwing en conclusies
Original languageDutch
QualificationDoctor of Philosophy
Award date7-Oct-1966
Place of PublicationGroningen
Publisher
StatePublished - 1966

View graph of relations

Download statistics

No data available

ID: 3464258