Publication

Het bezwaar: de beleving van leefomgevinghinder in de periode 1870-2000 in de Friese havenstad Harlingen

Dijkstra, T. J. 2006 s.n.. 366 p.

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)

Copy link to clipboard

Documents

  • Teunis Jan Dijkstra
De Friese stad Harlingen is van oudsher een dichtbevolkte stad met veel bedrijvigheid. Vanaf de zeventiende tot het begin van de twintigste eeuw was het een belangrijke industrie- en havenstad. Jarenlang was het de derde haven van Nederland, na Amsterdam en Rotterdam. In 1920 brak er een slechte periode aan; een aantal traditioneel eigen bedrijven verdween door vervanging of verplaatsing van de productie. Na de Tweede Wereldoorlog kon de Harlinger bedrijvigheid zich enigszins herstellen. De bedrijven konden mede profiteren van de wederopbouw in Nederland. Vooral de visserij fungeerde als economische aanjager, omdat de stad na de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 de enige Friese zeehaven was geworden. Theo Dijkstra deed onderzoek naar leefomgevinghinder in Harlingen in de periode 1870 tot 2000, waarbij bedrijvigheid als eerste veroorzaker is beschouwd. Het doel van dit onderzoek was een methode te ontwikkelen waardoor inzicht wordt verkregen in de beleving van leefomgevinghinder. Als informatiebron zijn de vergunningen gebruikt, die elke ondernemer sinds het begin van de negentiende eeuw moet aanvragen bij het vestigen van een bedrijf. Daarnaast moesten zij verschillende voorschriften naleven en was er bij opschaling van het bedrijf een uitbreidingsvergunning noodzakelijk. Omwonenden konden bezwaar aantekenen tegen deze mogelijkheden. Door het bezwarenpatroon per bedrijf, bedrijfstak, periode, enzovoort, te volgen, wordt een indruk verkregen van de door de bedrijvigheid veroorzaakte leefomgevinghinder. In totaal werden er 82 milieuhinderlijke bedrijven getoetst op grond van het risico voor lucht, stof, en geluid, het UBI-model waarmee het risico voor de bodemverontreiniging kon worden geschat en een beoordeling voor het risico voor oppervlaktewaterverontreiniging. In de periode 1870 tot 1920 waren stankhinder en de daarmee gepaard gaande overlast van ongedierte, de voornaamste reden voor het indienen van een bezwaar tegen de oprichting of uitbreiding van een bedrijf. Tussen 1920 en 2000 was stofhinder de belangrijkste reden. Geluidshinder en oppervlaktewaterverontreiniging zijn duidelijk problemen van de laatste periode, van 1970 tot 2000. Opvallend is dat de hogere sociale groepen relatief minder bezwaren indienden. De promovendus heeft met dit onderzoek een methode ontwikkeld die verklaring kan verschaffen voor milieuvraagstukken uit het verleden, zoals door bedrijven veroorzaakte milieuhinder.
Original languageDutch
QualificationDoctor of Philosophy
Supervisors/Advisors
Publisher
StatePublished - 2006

View graph of relations

Download statistics

No data available

ID: 14570801