Publication

Onderzoek doen met vragenlijsten: Een praktische handleiding

Dijkstra, W., Ongena, Y. & Loosveldt, G., Sep-2014, Amsterdam: VU University Press.

Research output: Book/ReportBookAcademic

Bij onderzoek naar meningen, opvattingen en verwachtingen van mensen, of naar
gedragingen en gebeurtenissen uit het verleden, ligt het voor de hand om mensen
daarnaar te vragen. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat het ondervragen van personen de meest gangbare methode is om gegevens te verzamelen in de (toegepaste) gedragswetenschappen.
Vaak wil de onderzoeker een representatief beeld krijgen van de meningen, gedragingen enzovoort, van een bepaalde bevolkingsgroep: de doelpopulatie. In zo’n geval kan de onderzoeker een representatieve steekproef van deze bevolkingsgroep vragen voorleggen over de onderwerpen waarin hij is geïnteresseerd. Een dergelijk onderzoeksdesign noemen we enquête, ook wel aangeduid met de term survey of survey-onderzoek.
Bij het opzetten en uitvoeren van zo’n enquête wordt de onderzoeker geconfronteerd met talloze vragen. Hoeveel personen moet hij ondervragen om een representatief beeld van de doelpopulatie te verkrijgen? Hoe komen we aan een dergelijke groep personen? En hoe legt hij de vragen aan deze personen voor? Dat kan middels een persoonlijk, telefonisch, schriftelijk, of elektronisch af te nemen vragenlijst. Om deze vragen te beantwoorden moet de onderzoeker precies weten welke onderzoeksvraag hij wil beantwoorden. In hoofdstuk 2 gaan we in op de eisen waaraan een goede onderzoeksvraag moet voldoen, hoe we gegeven een onderzoeksvraag een verstandige beslissing kunnen nemen omtrent het aantal te ondervragen personen en welke criteria een rol spelen bij de beslissing op welke wijze we de vragen zullen voorleggen.
Is de doelpopulatie, de personen waarover we uitspraken willen doen, relatief klein, bijvoorbeeld de werknemers van een niet al te groot bedrijf, dan kan de onderzoeker besluiten om alle personen van de doelpopulatie te ondervragen. Meestal is de doelpopulatie
daarvoor echter veel te groot; bijvoorbeeld alle stemgerechtigde Nederlanders.
De onderzoeker moet zich dan beperken tot een steekproef van personen uit de
doelpopulatie. Hierbij doet zich het probleem voor op welke wijze hij zo’n steekproef kan trekken, om te bereiken dat de te ondervragen personen inderdaad representatief zijn voor de doelpopulatie. In hoofdstuk 3 wordt aan dit probleem aandacht besteed.
Heeft de onderzoeker eenmaal besloten welke personen hij wil ondervragen en op welke wijze hij de vragen voorlegt, dan moet hij er vervolgens voor zorgen dat deze personen ook daadwerkelijk aan het onderzoek deelnemen. In Nederland en België is het vaak een probleem dat de beoogde deelnemers weigeren om aan een enquête deel te nemen. Zo lag bijvoorbeeld het percentage non-respons voor de eerste vijf ronden van de European Social Survey in Nederland en België globaal tussen de 50 en 65 procent. Niet zelden blijkt dat van slechts zo’n 40 procent van de personen uit de steekproef daadwerkelijk gegevens verzameld kunnen worden, terwijl dit percentage bij internet-enquêtes vaak nog lager ligt. Alhoewel er diverse geavanceerde statistische technieken bestaan om onder bepaalde assumpties te corrigeren voor het feit dat niet alle personen uit de steekproef ondervraagd zijn, verdient het in eerste instantie de voorkeur om de non-respons ten gevolge van weigeringen, onbereikbaarheid, enzovoort zo klein mogelijk te houden. In hoofdstuk 4 zullen we nagaan wanneer het vóórkomen van non-respons meer of minder ernstig is en bespreken we een aantal technieken om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk personen uit de steekproef daadwerkelijk aan het onderzoek meedoen. Tevens zullen een aantal procedures aan de orde komen om zo nodig te corrigeren voor de verstorende effecten van non-respons.
Aan de personen of respondenten die aan het onderzoek meedoen, worden vragen voorgelegd. Kenmerkend voor een enquête is dat de gegevens die we van de respondenten verkrijgen, onderling vergelijkbaar moeten zijn. Dat wil zeggen dat iedere respondent een vraag op dezelfde wijze opvat, zodat eenzelfde antwoord op zo’n vraag ook precies dezelfde betekenis heeft. Het formuleren van goede vragen is een kunst op zichzelf; een van de bekendste oudere (maar nog steeds nuttige) boeken op dit terrein heet niet voor niets ‘The art of asking questions’ (Payne, 1980). Meer wetenschappelijk onderbouwd is ‘The science of asking questions’ (Schaeffer en Presser, 2003). Hoofdstuk 5 bevat een groot aantal praktische regels om goede vragen te formuleren en de ergste valkuilen te vermijden.
Bij schriftelijke en internet-enquêtes is de wijze waarop de vragen gepresenteerd
worden aan de respondent en hoe de antwoorden genoteerd dienen te worden van groot belang. In hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de lay-out van de vragenlijst. Overigens zijn een aantal van deze aspecten ook relevant voor persoonlijke en telefonische interviews: ook de interviewer moet goed overweg kunnen met de vragenlijst. Zowel bij persoonlijke als bij telefonische ondervraging speelt de interviewer een belangrijke rol. Hoe selecteer je interviewers? Over welke basisvaardigheden moeten interviewers beschikken? Hoe zet je een training op? Op welke wijze begeleid je de interviewers tijdens het veldwerk? Deze en andere vragen bespreken we in hoofdstuk 7.
In hoofdstuk 8 behandelen we de praktische uitvoering van een enquête. Aan de
orde komt hoe je een proefonderzoek kunt opzetten. Hoe plan je het veldwerk? Hoeveel tijd dien je uit te trekken voor de verschillende fasen? En hoe begroot je de kosten?
In een aantal hoofdstukken worden bepaalde problemen veelal geïllustreerd met fragmenten uit persoonlijke of telefonische enquêtes. De sprekers zijn daarbij aangeduid met ‘I:’ (voor de interviewer) of ‘R:’ (voor de respondent). Vrijwel al deze fragmenten zijn letterlijke transcripten uit afgenomen interviews. In sommige gevallen echter zijn niet-essentiële wijzigingen aangebracht in de transcripten om mogelijke identificatie van de respondent te voorkomen.

De fragmenten zijn afkomstig uit de volgende onderzoeken:
- Determinanten van woonsatisfactie (zie Dijkstra, 1987)
- Het proces van sociale integratie van jong-volwassenen (zie Dijkstra, 1989)
- Mass media advertising (Smit, 1999)
- Voeding, vrijetijdsbesteding en gezondheid (zie Ongena, 2005)

Opdrachten en website
Een aantal hoofdstukken zijn vergezeld van opdrachten. Dit betreft over het algemeen elementaire opdrachten. Op de website die bij het boek hoort zijn meer opdrachten te vinden. Daarnaast zijn op deze website diverse voorbeelddocumenten of formulieren beschikbaar (modellen), die behulpzaam kunnen zijn bij het opzetten en uitvoeren van een enquête. Zo nodig kunnen deze documenten worden gedownload en aangepast aan de eigen situatie.
Rapporten waarnaar in het boek verwezen wordt, zijn tevens op de website te vinden (onder ‘Literatuur’), en voorzien van een link naar een website vanwaar je het desbetreffende rapport kunt downloaden. Ook van tijdschriftartikelen zijn in een aantal gevallen links beschikbaar, vanwaar het artikel kan worden gedownload. Deze artikelen tref je eveneens aan op de website.
Daarnaast bevat de website nog veel andere informatie, zoals een overzicht van
relevante handboeken op het terrein van vragenlijstonderzoek, informatieve websites, een overzicht van bruikbare applicaties om internet-enquêtes te maken, enzovoorts.
De url van de website is: http://www.onderzoekmetvragenlijsten.nl
Original languageDutch
Place of PublicationAmsterdam
PublisherVU University Press
ISBN (Print)9789086596690
Publication statusPublished - Sep-2014

ID: 14302179