Publication

Mijn 90-jarige huisgenoot. Een exploratief onderzoek naar het intergenerationele contact tussen ouderen en jongeren die samenwonen in verzorgingshuizen in Nederland.

Jong, de, J., Tuinstra, J. & Tol, van, D., Mar-2019, Science Shop, University of Groningen. 142 p.

Research output: Book/ReportReportProfessional

Copy link to clipboard

Documents

Samenvatting:
In verschillende verzorgingshuizen in Nederland wonen jongeren ‘op kamers’ tussen de ouderen. De jongeren zorgen voor leven in de brouwerij, ondernemen activiteiten met de ouderen en zijn een ‘goede buur’. In ruil voor het doen van vrijwilligerswerk huren de jongeren tegen een lage huurprijs een kamer in het verzorgingshuis. Het samenwonen van verschillende generaties speelt in op verschillende maatschappelijke thema’s, zoals: eenzaamheid, stijgende gezondheidszorgkosten, personeelstekort in de zorg, leegstand in verzorgingshuizen en woningtekort onder jongeren. Met het huidige onderzoek is een eerste stap gezet in het onderzoeken van intergenerationeel samenwonen in verzorgingshuizen. In deze scriptie wordt met het begrip intergenerationeel samenwonen bedoeld dat verschillende generaties samenwonen in een gebouw en met elkaar in contact komen door sociale activiteiten. Het doel van dit exploratieve onderzoek is tweeledig. Het eerste doel is om een overzicht te geven van de verzorgingshuizen waar sprake is van intergenerationeel wonen. Daarnaast verkent het huidige onderzoek of er sprake is van intergenerationeel contact en wat de ervaren effecten van intergenerationeel contact op het algemeen subjectief welbevinden voor zowel ouderen als jongeren zijn. Om het intergenerationele contact tussen ouderen en jongeren te exploreren is gebruik gemaakt van een aangepast intergenerationeel contactmodel van Bengtson en Roberts (1991). Er wordt onderscheid gemaakt tussen vijf dimensies van intergenerationeel contact om te exploreren of er sprake is van contact tussen de verschillende generaties en wat voor type contact dit is. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de Sociale Productie Functie theorie van Lindenberg (1996; 2013) en de theorie van de kritieke fase van Steverink (2001) om de samenhang tussen intergenerationeel contact en het algemeen subjectief welbevinden voor zowel ouderen als jongeren te onderzoeken. Er is gebruik gemaakt van mixed methods in het huidige onderzoek. Ten eerste is er aan de hand van literatuuronderzoek meer inzicht verkregen over het onderwerp intergenerationeel samenwonen. Ten tweede is er een oriënterend onderzoek gedaan door o.a. het gesprek aan te gaan met coördinatoren van verzorgingshuizen. Ten derde is een vragenlijstonderzoek uitgevoerd. Er zijn vragenlijsten afgenomen bij zowel ouderen (N=35) als jongeren (N=40) die samenwonen in verschillende verzorgingshuizen in Nederland. Op basis van literatuuronderzoek en oriënterende gesprekken is een overzicht opgesteld van de verschillende verzorgingshuizen in Nederland waar sprake is van intergenerationeel samenwonen. In het huidige onderzoek zijn elf verzorgingshuizen in Nederland gevonden waar ouderen en jongeren samenwonen, namelijk: 1) De Molenhof - Zwolle, 2) Humanitas – Deventer. 3) De Amerhorst - Amersfoort, 4) Tuindorp Oost – Utrecht, 5) Vivent de Hooghe Clock – Den Bosch, 6) De Dilgt - Haren, 7) De Saffier – Utrecht, 8) De Vreedenhoff – Arnhem, 9) De Schutse – Amsterdam, 10) De
Nijevelt – Nijmegen en 11) Schoonoord – Soest. Uit de resultaten van het vragenlijstonderzoek komt naar voren dat de percepties verschillen van de deelnemende ouderen en de deelnemende jongeren over de mate van intergenerationeel contact. Daarnaast varieert ook de mate van intergenerationeel contact per verzorgingshuis. Op basis van de spreiding in de resultaten kunnen de verzorgingshuizen worden ingedeeld in twee groepen: 1) een groep waar ‘meer’ intergenerationeel contact is en 2) een groep waar ‘minder’ intergenerationeel contact is. Ook kan op basis van de resultaten geconcludeerd worden dat er een positieve relatie lijkt te bestaan tussen de mate van intergenerationeel contact en het algemeen subjectief welbevinden. In verzorgingshuizen waar ‘meer’ intergenerationeel contact is, score ouderen en jongere gunstiger op eenzaamheid, affectie en stimulatie, in vergelijking met verzorgingshuizen waar ‘minder’ intergenerationeel contact is. Tot slot komt in het huidige onderzoek naar voren dat de organisatie van het intergenerationeel samenwonen sterk verschilt per verzorgingshuis en een eenduidige aanpak ontbreekt. Op basis van de bevindingen en observaties van de onderzoeker worden enkele organisationele factoren beschreven die bijdragen aan de positieve effecten van intergenerationeel wonen: (1) Ouderen en jongeren wonen naast elkaar in het verzorgingshuis, (2) Jongeren krijgen een financiële prikkel, bijvoorbeeld in de vorm van lage huur, (3) Een goede selectieprocedure voor de jongeren is van belang, (4) De ‘goede buurrelatie’ komt centraal te staan en deze relatie wordt niet geformaliseerd, (5) De inrichting van het verzorgingshuis is aantrekkelijk voor zowel de ouderen als jongeren en (6) Er worden evaluatiegesprekken gevoerd met ouderen, jongeren en medewerkers, zodat samen tot nieuwe inzichten en verbeterpunten wordt gekomen.
Original languageDutch
PublisherScience Shop, University of Groningen
Number of pages142
Publication statusPublished - Mar-2019

View graph of relations

Download statistics

No data available

ID: 91362755