Publication

Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients

Houwen, E. B. V. D., 2012, Groningen: s.n.. 152 p.

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)Academic

APA

Houwen, E. B. V. D. (2012). Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients. Groningen: s.n.

Author

Houwen, Eduard Berend van der. / Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients. Groningen : s.n., 2012. 152 p.

Harvard

Houwen, EBVD 2012, 'Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients', Doctor of Philosophy, Groningen.

Standard

Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients. / Houwen, Eduard Berend van der.

Groningen : s.n., 2012. 152 p.

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)Academic

Vancouver

Houwen EBVD. Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients. Groningen: s.n., 2012. 152 p.


BibTeX

@phdthesis{c6389f5cb1424e9fa40c5448d49b8aed,
title = "Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients",
abstract = "Bij pati{\"e}nten die een laryngectomie hebben ondergaan, meestal ter behandeling van strottenhoofdkanker, is het strottenhoofd inclusief stembanden verwijderd. Na deze operatie ademen deze pati{\"e}nten door een kunstmatige opening in de hals: een zogenoemd tracheostoma (letterlijk: luchtpijpmonding). Laryngectomie is een succesvolle, maar ontzettend ingrijpende behandeling tegen deze vorm van kanker. Na de ingreep kan de pati{\"e}nt niet meer spreken en niet meer door de neus ademen. Gelukkig kan zowel het spraakvermogen als de luchtbehandeling door de neus (filteren en bevochtigen) met hulpmiddelen worden hersteld: het spraakvermogen door het inbrengen van een verbindingsventieltje tussen luchtpijp en slokdarm (al decennia een standaardprocedure), de uchtbehandelingfunctie van de neus door het plaatsen van filters voor het (tracheo)stoma. De pati{\"e}nt kan nu weer spreken door het stoma met een vinger af te sluiten, Zo wordt de uitgeademde lucht door het verbindingsventieltje de slokdarm in geperst. De vibrerende slokdarm fungeert dan als stemband. Nadeel is dat de pati{\"e}nt elke keer naar haar of zijn stoma wijst {\'e}n altijd {\'e}{\'e}n hand nodig heeft om te kunnen spreken. Om dit te verhelpen zijn er automatische spreekklepjes ontworpen. Hoewel deze spreekklepjes in combinatie met stomafilters alle genoemde problemen lijken op te lossen, worden ze toch beduidend minder gebruikt dan men zou verwachten. De reden is dat het gebruik van automatische spreekklepjes als onhandig en vermoeiend wordt ervaren en dat zowel voor de klepjes als de filters, pleisters ter bevestiging rond het stoma gebruikt moeten worden. Deze pleisters blijven over het algemeen niet goed zitten. Om dat te verhelpen hebben we een project voor spraakherstel opgezet. Met behulp van een ontwerpmethode hebben we getracht betere of in elk geval alternatieve spreekhulpmiddelen te ontwikkelen. De toegepaste ontwerpmethodiek schrijft voor eerst op systematische wijze uitputtend het probleem te onderzoeken en pas daarna naar de oplossingen. Tijdens de probleemanalyse (zie hoofdstuk 2) ontdekten we dat slechts 15 tot 25{\%} van alle pati{\"e}nten automatische spreekklepjes gebruikt, en maar 58{\%} stomapleisters in combinatie met wat voor hulpmiddel (filters, klepjes) dan ook. In landen waar deze hulpmiddelen niet vergoed worden, past overigens maar 9{\%} een stomapleister toe. In de studie van hoofdstuk 2 hebben wij stoma’s opgemeten. Hier tonen wij aan dat er duidelijke verbanden zijn tussen het pleistergebruik en de geometrie van het stoma en de huid rond het stoma (de peristoma): zo vonden wij bijvoorbeeld dat mensen die geen gebruik maken van stomapleisters over het algemeen een dieper stoma hebben. En omdat de meeste pleisters op de markt vlak zijn, ligt het voor de hand te veronderstellen dat de meeste stoma’s te diep zijn om goed bij die pleisters te passen. Soms worden stoma’s chirurgisch aangepast en vlakker gemaakt door het insnijden van de spieren die aan weerszijde van het stoma liggen: de sternocleidomasto{\"i}dei. In hoofdstuk 3 geven wij aan dat er geen verschil is gemeten tussen de diepte van stoma’s die op deze manier zijn ingesneden en de stoma’s die dat niet zijn. Het heeft dan ook onze voorkeur om eerst te proberen de bestaande pleistertechnologie aan de pati{\"e}nt aan te passen op grond van de gegevens van hoofdstuk 2, alvorens te proberen de anatomie van de pati{\"e}nt aan te passen aan de pleister.",
keywords = "Proefschriften (vorm), Prothesen, Inhalatie, Spraakproductie, Spraakorganen, Tracheotomie, Laryngectomie, keel-, neus- en oorheelkunde, medische fysica",
author = "Houwen, {Eduard Berend van der}",
note = "Relation: https://www.rug.nl/ Rights: University of Groningen",
year = "2012",
language = "English",
isbn = "9789036755146",
publisher = "s.n.",

}

RIS

TY - THES

T1 - Development of a handsfree speech valve for laryngectomy patients

AU - Houwen, Eduard Berend van der

N1 - Relation: https://www.rug.nl/ Rights: University of Groningen

PY - 2012

Y1 - 2012

N2 - Bij patiënten die een laryngectomie hebben ondergaan, meestal ter behandeling van strottenhoofdkanker, is het strottenhoofd inclusief stembanden verwijderd. Na deze operatie ademen deze patiënten door een kunstmatige opening in de hals: een zogenoemd tracheostoma (letterlijk: luchtpijpmonding). Laryngectomie is een succesvolle, maar ontzettend ingrijpende behandeling tegen deze vorm van kanker. Na de ingreep kan de patiënt niet meer spreken en niet meer door de neus ademen. Gelukkig kan zowel het spraakvermogen als de luchtbehandeling door de neus (filteren en bevochtigen) met hulpmiddelen worden hersteld: het spraakvermogen door het inbrengen van een verbindingsventieltje tussen luchtpijp en slokdarm (al decennia een standaardprocedure), de uchtbehandelingfunctie van de neus door het plaatsen van filters voor het (tracheo)stoma. De patiënt kan nu weer spreken door het stoma met een vinger af te sluiten, Zo wordt de uitgeademde lucht door het verbindingsventieltje de slokdarm in geperst. De vibrerende slokdarm fungeert dan als stemband. Nadeel is dat de patiënt elke keer naar haar of zijn stoma wijst én altijd één hand nodig heeft om te kunnen spreken. Om dit te verhelpen zijn er automatische spreekklepjes ontworpen. Hoewel deze spreekklepjes in combinatie met stomafilters alle genoemde problemen lijken op te lossen, worden ze toch beduidend minder gebruikt dan men zou verwachten. De reden is dat het gebruik van automatische spreekklepjes als onhandig en vermoeiend wordt ervaren en dat zowel voor de klepjes als de filters, pleisters ter bevestiging rond het stoma gebruikt moeten worden. Deze pleisters blijven over het algemeen niet goed zitten. Om dat te verhelpen hebben we een project voor spraakherstel opgezet. Met behulp van een ontwerpmethode hebben we getracht betere of in elk geval alternatieve spreekhulpmiddelen te ontwikkelen. De toegepaste ontwerpmethodiek schrijft voor eerst op systematische wijze uitputtend het probleem te onderzoeken en pas daarna naar de oplossingen. Tijdens de probleemanalyse (zie hoofdstuk 2) ontdekten we dat slechts 15 tot 25% van alle patiënten automatische spreekklepjes gebruikt, en maar 58% stomapleisters in combinatie met wat voor hulpmiddel (filters, klepjes) dan ook. In landen waar deze hulpmiddelen niet vergoed worden, past overigens maar 9% een stomapleister toe. In de studie van hoofdstuk 2 hebben wij stoma’s opgemeten. Hier tonen wij aan dat er duidelijke verbanden zijn tussen het pleistergebruik en de geometrie van het stoma en de huid rond het stoma (de peristoma): zo vonden wij bijvoorbeeld dat mensen die geen gebruik maken van stomapleisters over het algemeen een dieper stoma hebben. En omdat de meeste pleisters op de markt vlak zijn, ligt het voor de hand te veronderstellen dat de meeste stoma’s te diep zijn om goed bij die pleisters te passen. Soms worden stoma’s chirurgisch aangepast en vlakker gemaakt door het insnijden van de spieren die aan weerszijde van het stoma liggen: de sternocleidomastoïdei. In hoofdstuk 3 geven wij aan dat er geen verschil is gemeten tussen de diepte van stoma’s die op deze manier zijn ingesneden en de stoma’s die dat niet zijn. Het heeft dan ook onze voorkeur om eerst te proberen de bestaande pleistertechnologie aan de patiënt aan te passen op grond van de gegevens van hoofdstuk 2, alvorens te proberen de anatomie van de patiënt aan te passen aan de pleister.

AB - Bij patiënten die een laryngectomie hebben ondergaan, meestal ter behandeling van strottenhoofdkanker, is het strottenhoofd inclusief stembanden verwijderd. Na deze operatie ademen deze patiënten door een kunstmatige opening in de hals: een zogenoemd tracheostoma (letterlijk: luchtpijpmonding). Laryngectomie is een succesvolle, maar ontzettend ingrijpende behandeling tegen deze vorm van kanker. Na de ingreep kan de patiënt niet meer spreken en niet meer door de neus ademen. Gelukkig kan zowel het spraakvermogen als de luchtbehandeling door de neus (filteren en bevochtigen) met hulpmiddelen worden hersteld: het spraakvermogen door het inbrengen van een verbindingsventieltje tussen luchtpijp en slokdarm (al decennia een standaardprocedure), de uchtbehandelingfunctie van de neus door het plaatsen van filters voor het (tracheo)stoma. De patiënt kan nu weer spreken door het stoma met een vinger af te sluiten, Zo wordt de uitgeademde lucht door het verbindingsventieltje de slokdarm in geperst. De vibrerende slokdarm fungeert dan als stemband. Nadeel is dat de patiënt elke keer naar haar of zijn stoma wijst én altijd één hand nodig heeft om te kunnen spreken. Om dit te verhelpen zijn er automatische spreekklepjes ontworpen. Hoewel deze spreekklepjes in combinatie met stomafilters alle genoemde problemen lijken op te lossen, worden ze toch beduidend minder gebruikt dan men zou verwachten. De reden is dat het gebruik van automatische spreekklepjes als onhandig en vermoeiend wordt ervaren en dat zowel voor de klepjes als de filters, pleisters ter bevestiging rond het stoma gebruikt moeten worden. Deze pleisters blijven over het algemeen niet goed zitten. Om dat te verhelpen hebben we een project voor spraakherstel opgezet. Met behulp van een ontwerpmethode hebben we getracht betere of in elk geval alternatieve spreekhulpmiddelen te ontwikkelen. De toegepaste ontwerpmethodiek schrijft voor eerst op systematische wijze uitputtend het probleem te onderzoeken en pas daarna naar de oplossingen. Tijdens de probleemanalyse (zie hoofdstuk 2) ontdekten we dat slechts 15 tot 25% van alle patiënten automatische spreekklepjes gebruikt, en maar 58% stomapleisters in combinatie met wat voor hulpmiddel (filters, klepjes) dan ook. In landen waar deze hulpmiddelen niet vergoed worden, past overigens maar 9% een stomapleister toe. In de studie van hoofdstuk 2 hebben wij stoma’s opgemeten. Hier tonen wij aan dat er duidelijke verbanden zijn tussen het pleistergebruik en de geometrie van het stoma en de huid rond het stoma (de peristoma): zo vonden wij bijvoorbeeld dat mensen die geen gebruik maken van stomapleisters over het algemeen een dieper stoma hebben. En omdat de meeste pleisters op de markt vlak zijn, ligt het voor de hand te veronderstellen dat de meeste stoma’s te diep zijn om goed bij die pleisters te passen. Soms worden stoma’s chirurgisch aangepast en vlakker gemaakt door het insnijden van de spieren die aan weerszijde van het stoma liggen: de sternocleidomastoïdei. In hoofdstuk 3 geven wij aan dat er geen verschil is gemeten tussen de diepte van stoma’s die op deze manier zijn ingesneden en de stoma’s die dat niet zijn. Het heeft dan ook onze voorkeur om eerst te proberen de bestaande pleistertechnologie aan de patiënt aan te passen op grond van de gegevens van hoofdstuk 2, alvorens te proberen de anatomie van de patiënt aan te passen aan de pleister.

KW - Proefschriften (vorm)

KW - Prothesen

KW - Inhalatie

KW - Spraakproductie

KW - Spraakorganen

KW - Tracheotomie

KW - Laryngectomie

KW - keel-, neus- en oorheelkunde

KW - medische fysica

M3 - Thesis fully internal (DIV)

SN - 9789036755146

PB - s.n.

CY - Groningen

ER -

ID: 14517378