Publication

De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859

Roelfsema-van der Wissel, H. G., 2006, s.n.. 269 p.

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)Academic

APA

Roelfsema-van der Wissel, H. G. (2006). De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859. s.n.

Author

Roelfsema-van der Wissel, Hermine Gertrude. / De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859. s.n., 2006. 269 p.

Harvard

Roelfsema-van der Wissel, HG 2006, 'De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859', Doctor of Philosophy.

Standard

De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859. / Roelfsema-van der Wissel, Hermine Gertrude.

s.n., 2006. 269 p.

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)Academic

Vancouver

Roelfsema-van der Wissel HG. De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859. s.n., 2006. 269 p.


BibTeX

@phdthesis{fc4848cac3aa41a0827f666718ac1499,
title = "De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloni{\"e}n van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859",
abstract = "De medische verzorging van de bedelaars en wezen in de Noord-Nederlandse koloni{\"e}n van de Maatschappij van Weldadigheid was veelzijdig, goed georganiseerd en in enkele opzichten zelfs vooruitstrevend. Daar lag echter geen filantropie aan ten grondslag maar welbegrepen eigenbelang. Dat is de conclusie van historica Miek Roelfsema-van der Wissel, die op 19 april in de medische wetenschappen promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. Aan het begin van de 19e eeuw kampte het Koninkrijk der Nederlanden met een ernstig armoedeprobleem, veroorzaakt door economische achteruitgang. Het groeiende aantal paupers werd gezien als een bedreiging van de orde, rust en veiligheid. Dat bracht de samenleving tot het besef dat armoedebestrijding niet alleen aan liefdadige instellingen kon worden overgelaten, maar dat het ook een taak was van de overheid. Vanuit de veronderstelling dat luiheid, drankmisbruik en verkwisting velen tot de bedelstaf had gebracht, werden na 1818 armlastigen op last van de overheid naar landbouwkoloni{\"e}n in Noord-Nederland gedeporteerd. Deze koloni{\"e}n werden ge{\"e}xploiteerd door een particuliere instelling, de Maatschappij van Weldadigheid. Het zijn nog steeds bekende namen voor dorpen en justiti{\"e}le inrichtingen: Willemsoord, Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen en Ommerschans. Medische zorg een noodzaak Aanvankelijk dienden de koloni{\"e}n te worden bevolkt met uitsluitend fysiek en geestelijk gezonde armlastigen en er waren dan ook nauwelijks medische voorzieningen. Uit zuinigheid werd de geneeskundige zorg overgelaten aan ongediplomeerde medici en kwakzalvers. De gemeenten lieten hun gezonde armen liever werken in de eigen werkinrichtingen en daardoor werden de koloni{\"e}n gedwongen om ook ondervoede, zieke en gehandicapte armlastigen op te nemen. Vanaf 1826 werd er een strak georganiseerd en veelzijdig gezondheidsapparaat opgezet om te trachten deze arbeidsongeschikten voor zover mogelijk weer gezond en dus productief te maken. Immers, de koloni{\"e}n hadden arbeidskrachten nodig om rendabel te blijven. Ook de burgemeesters van de omliggende plaatsen drongen aan op medische zorg, zij het vanuit een heel ander perspectief: het voorkomen van epidemie{\"e}n. Organisatie van de zorg Na 1826 hadden alle koloni{\"e}n een inwonend geneesheer (soms twee). Deze schreef medicijnen en voedingsmiddelen voor, deed ook bevallingen en chirurgische ingrepen. Verder behoorden een bevoegd apotheker of een assistent en vaak ook een gediplomeerde vroedvrouw tot de geneeskundige dienst. Iedere kolonie had eigen ziekenzalen voor mannen en vrouwen, waar ziekenoppassers toezicht hielden op de pati{\"e}nten. Een wijkmeester of opzichter belast met het toezicht op de zindelijkheid, de verzorging en de orde. De geboden medische zorg was overigens niet gratis. De kolonisten dienden een verplichte bijdrage te betalen. De geneeskundige dienst was haar tijd vooruit als het ging om de invoering van hervaccinaties om een uitbraak van pokken te voorkomen, het gebruik van chloroform als verdovingsmiddel en het verrichten van moeilijke operaties. Toch een hoge sterfte Ondanks strenge maatregelen, goede ziekenvoeding en preventieve maatregelen zoals de verplichte pokkenvaccinatie lag het sterftecijfer hoog. De Maatschappij van Weldadigheid weet dat vooral aan de slechte gezondheidstoestand van nieuwe kolonisten. Een belangrijker factor vormde het feit dat de nieuw aangekomenen vaak besmettelijke ziektes meenamen en de omstandigheden in de koloni{\"e}n onhygi{\"e}nisch waren. Schurft, hoofdzeer, oogziekten en tuberculose kwamen veel voor. Ook gingen de grote cholera-epidemie{\"e}n niet aan de koloni{\"e}n voorbij. Ondanks de getroffen voorzorgsmaatregelen werden er in 1849 alleen al in Veenhuizen bijna zeshonderd personen besmet; de helft overleed. Roelfsema eindigt in 1859. In dat jaar nam het Ministerie van Binnenlandse Zaken het beheer van Veenhuizen en Ommerschans over. Ze concludeert dat het overheidsbeleid ervoor heeft gezorgd dat de koloni{\"e}n van de Maatschappij van Weldadigheid zich ontwikkelde tot verpleeginrichtingen. Men was ver afgedreven van het ideaal van de oprichters: een inrichting voor werkverschaffing, verzorging en onderwijs.",
keywords = "Proefschriften (vorm), Gezondheidszorg, Maatschappij van Weldadigheid,, 1800-1900, Noord-Nederland, geschiedenis van de geneeskunde",
author = "{Roelfsema-van der Wissel}, {Hermine Gertrude}",
note = "date_submitted:2006 Rights: University of Groningen",
year = "2006",
language = "Dutch",
publisher = "s.n.",

}

RIS

TY - THES

T1 - De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859

AU - Roelfsema-van der Wissel, Hermine Gertrude

N1 - date_submitted:2006 Rights: University of Groningen

PY - 2006

Y1 - 2006

N2 - De medische verzorging van de bedelaars en wezen in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid was veelzijdig, goed georganiseerd en in enkele opzichten zelfs vooruitstrevend. Daar lag echter geen filantropie aan ten grondslag maar welbegrepen eigenbelang. Dat is de conclusie van historica Miek Roelfsema-van der Wissel, die op 19 april in de medische wetenschappen promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. Aan het begin van de 19e eeuw kampte het Koninkrijk der Nederlanden met een ernstig armoedeprobleem, veroorzaakt door economische achteruitgang. Het groeiende aantal paupers werd gezien als een bedreiging van de orde, rust en veiligheid. Dat bracht de samenleving tot het besef dat armoedebestrijding niet alleen aan liefdadige instellingen kon worden overgelaten, maar dat het ook een taak was van de overheid. Vanuit de veronderstelling dat luiheid, drankmisbruik en verkwisting velen tot de bedelstaf had gebracht, werden na 1818 armlastigen op last van de overheid naar landbouwkoloniën in Noord-Nederland gedeporteerd. Deze koloniën werden geëxploiteerd door een particuliere instelling, de Maatschappij van Weldadigheid. Het zijn nog steeds bekende namen voor dorpen en justitiële inrichtingen: Willemsoord, Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen en Ommerschans. Medische zorg een noodzaak Aanvankelijk dienden de koloniën te worden bevolkt met uitsluitend fysiek en geestelijk gezonde armlastigen en er waren dan ook nauwelijks medische voorzieningen. Uit zuinigheid werd de geneeskundige zorg overgelaten aan ongediplomeerde medici en kwakzalvers. De gemeenten lieten hun gezonde armen liever werken in de eigen werkinrichtingen en daardoor werden de koloniën gedwongen om ook ondervoede, zieke en gehandicapte armlastigen op te nemen. Vanaf 1826 werd er een strak georganiseerd en veelzijdig gezondheidsapparaat opgezet om te trachten deze arbeidsongeschikten voor zover mogelijk weer gezond en dus productief te maken. Immers, de koloniën hadden arbeidskrachten nodig om rendabel te blijven. Ook de burgemeesters van de omliggende plaatsen drongen aan op medische zorg, zij het vanuit een heel ander perspectief: het voorkomen van epidemieën. Organisatie van de zorg Na 1826 hadden alle koloniën een inwonend geneesheer (soms twee). Deze schreef medicijnen en voedingsmiddelen voor, deed ook bevallingen en chirurgische ingrepen. Verder behoorden een bevoegd apotheker of een assistent en vaak ook een gediplomeerde vroedvrouw tot de geneeskundige dienst. Iedere kolonie had eigen ziekenzalen voor mannen en vrouwen, waar ziekenoppassers toezicht hielden op de patiënten. Een wijkmeester of opzichter belast met het toezicht op de zindelijkheid, de verzorging en de orde. De geboden medische zorg was overigens niet gratis. De kolonisten dienden een verplichte bijdrage te betalen. De geneeskundige dienst was haar tijd vooruit als het ging om de invoering van hervaccinaties om een uitbraak van pokken te voorkomen, het gebruik van chloroform als verdovingsmiddel en het verrichten van moeilijke operaties. Toch een hoge sterfte Ondanks strenge maatregelen, goede ziekenvoeding en preventieve maatregelen zoals de verplichte pokkenvaccinatie lag het sterftecijfer hoog. De Maatschappij van Weldadigheid weet dat vooral aan de slechte gezondheidstoestand van nieuwe kolonisten. Een belangrijker factor vormde het feit dat de nieuw aangekomenen vaak besmettelijke ziektes meenamen en de omstandigheden in de koloniën onhygiënisch waren. Schurft, hoofdzeer, oogziekten en tuberculose kwamen veel voor. Ook gingen de grote cholera-epidemieën niet aan de koloniën voorbij. Ondanks de getroffen voorzorgsmaatregelen werden er in 1849 alleen al in Veenhuizen bijna zeshonderd personen besmet; de helft overleed. Roelfsema eindigt in 1859. In dat jaar nam het Ministerie van Binnenlandse Zaken het beheer van Veenhuizen en Ommerschans over. Ze concludeert dat het overheidsbeleid ervoor heeft gezorgd dat de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid zich ontwikkelde tot verpleeginrichtingen. Men was ver afgedreven van het ideaal van de oprichters: een inrichting voor werkverschaffing, verzorging en onderwijs.

AB - De medische verzorging van de bedelaars en wezen in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid was veelzijdig, goed georganiseerd en in enkele opzichten zelfs vooruitstrevend. Daar lag echter geen filantropie aan ten grondslag maar welbegrepen eigenbelang. Dat is de conclusie van historica Miek Roelfsema-van der Wissel, die op 19 april in de medische wetenschappen promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. Aan het begin van de 19e eeuw kampte het Koninkrijk der Nederlanden met een ernstig armoedeprobleem, veroorzaakt door economische achteruitgang. Het groeiende aantal paupers werd gezien als een bedreiging van de orde, rust en veiligheid. Dat bracht de samenleving tot het besef dat armoedebestrijding niet alleen aan liefdadige instellingen kon worden overgelaten, maar dat het ook een taak was van de overheid. Vanuit de veronderstelling dat luiheid, drankmisbruik en verkwisting velen tot de bedelstaf had gebracht, werden na 1818 armlastigen op last van de overheid naar landbouwkoloniën in Noord-Nederland gedeporteerd. Deze koloniën werden geëxploiteerd door een particuliere instelling, de Maatschappij van Weldadigheid. Het zijn nog steeds bekende namen voor dorpen en justitiële inrichtingen: Willemsoord, Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen en Ommerschans. Medische zorg een noodzaak Aanvankelijk dienden de koloniën te worden bevolkt met uitsluitend fysiek en geestelijk gezonde armlastigen en er waren dan ook nauwelijks medische voorzieningen. Uit zuinigheid werd de geneeskundige zorg overgelaten aan ongediplomeerde medici en kwakzalvers. De gemeenten lieten hun gezonde armen liever werken in de eigen werkinrichtingen en daardoor werden de koloniën gedwongen om ook ondervoede, zieke en gehandicapte armlastigen op te nemen. Vanaf 1826 werd er een strak georganiseerd en veelzijdig gezondheidsapparaat opgezet om te trachten deze arbeidsongeschikten voor zover mogelijk weer gezond en dus productief te maken. Immers, de koloniën hadden arbeidskrachten nodig om rendabel te blijven. Ook de burgemeesters van de omliggende plaatsen drongen aan op medische zorg, zij het vanuit een heel ander perspectief: het voorkomen van epidemieën. Organisatie van de zorg Na 1826 hadden alle koloniën een inwonend geneesheer (soms twee). Deze schreef medicijnen en voedingsmiddelen voor, deed ook bevallingen en chirurgische ingrepen. Verder behoorden een bevoegd apotheker of een assistent en vaak ook een gediplomeerde vroedvrouw tot de geneeskundige dienst. Iedere kolonie had eigen ziekenzalen voor mannen en vrouwen, waar ziekenoppassers toezicht hielden op de patiënten. Een wijkmeester of opzichter belast met het toezicht op de zindelijkheid, de verzorging en de orde. De geboden medische zorg was overigens niet gratis. De kolonisten dienden een verplichte bijdrage te betalen. De geneeskundige dienst was haar tijd vooruit als het ging om de invoering van hervaccinaties om een uitbraak van pokken te voorkomen, het gebruik van chloroform als verdovingsmiddel en het verrichten van moeilijke operaties. Toch een hoge sterfte Ondanks strenge maatregelen, goede ziekenvoeding en preventieve maatregelen zoals de verplichte pokkenvaccinatie lag het sterftecijfer hoog. De Maatschappij van Weldadigheid weet dat vooral aan de slechte gezondheidstoestand van nieuwe kolonisten. Een belangrijker factor vormde het feit dat de nieuw aangekomenen vaak besmettelijke ziektes meenamen en de omstandigheden in de koloniën onhygiënisch waren. Schurft, hoofdzeer, oogziekten en tuberculose kwamen veel voor. Ook gingen de grote cholera-epidemieën niet aan de koloniën voorbij. Ondanks de getroffen voorzorgsmaatregelen werden er in 1849 alleen al in Veenhuizen bijna zeshonderd personen besmet; de helft overleed. Roelfsema eindigt in 1859. In dat jaar nam het Ministerie van Binnenlandse Zaken het beheer van Veenhuizen en Ommerschans over. Ze concludeert dat het overheidsbeleid ervoor heeft gezorgd dat de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid zich ontwikkelde tot verpleeginrichtingen. Men was ver afgedreven van het ideaal van de oprichters: een inrichting voor werkverschaffing, verzorging en onderwijs.

KW - Proefschriften (vorm)

KW - Gezondheidszorg

KW - Maatschappij van Weldadigheid,

KW - 1800-1900

KW - Noord-Nederland

KW - geschiedenis van de geneeskunde

M3 - Thesis fully internal (DIV)

PB - s.n.

ER -

ID: 14570941