Skip to ContentSkip to Navigation
University of Groningenfounded in 1614  -  top 100 university
Research DNPP Uitgelicht

Verkiezingsprogramma’s

Vrijwel alle politieke partijen schrijven in de aanloop naar Tweede Kamerverkiezingen een speciaal verkiezingsprogramma. De geschiedenis daarvan hangt nauw samen met de opkomst en ontwikkeling van politieke partijen. De oorsprong daarvan gaat terug tot de het laatste kwart van de negentiende eeuw, toen zich de eerste politieke kiesverenigingen gingen organiseren op basis van een program. 

"Ons program" van de ARP, 1907
"Ons program" van de ARP, 1907

Oorsprong

De eerste politieke beweging die zich echt als partij ging organiseren, was de Antirevolutionaire Partij (ARP), opgericht door de gereformeerde predikant Abraham Kuyper in 1879. Over twee jaar tijd schreef Kuyper wekelijks in zijn krant De Standaard aan een beginselprogramma voor zijn nieuwe partij. ‘Ons Program’, zoals het partijprogramma zou gaan heten, telde uiteindelijk maar liefst 1300 pagina’s. Voor de stembusgang van 1888 verscheen er aanvullend een ‘Program van Actie’ – oftewel: een apart verkiezingsprogramma.

Voor de allereerste verkiezingsprogramma’s kunnen we ook nóg verder terug in de tijd. In 1868 richtten een groep conservatieve politici de zogenoemde “Algemeene Kiesvereeniging op”, met het doel hun liberale rivalen bij eerstvolgende verkiezingen in juni 1969 een flinke slag toe te brengen.  

Hun programma bestond vooral uit punten om de bestaande Grondwet, de rechten van de Koning en het koloniale bezit van Nederland te beschermen, en om het zedelijk peil van de Nederlandse natie te bevorderen.

De kiesvereniging zou deze denkbeelden moeten verspreiden en kandidaten aandragen die trouw waren aan deze denkbeelden. Erg succesvol was dit niet. Vermoedelijk heeft de Algemeene Kiesvereniging daarom ook nooit de status gekregen van de eerste partij van Nederland. Ze haar kandidaten maar niet verkozen en was al voor de oprichting van de ARP in 1879 weer ter ziele. 

Politieke partijen zijn ontstaan vanuit het streven om mensen samen te brengen rond een bepaalde visie, of een bepaald belang, op de plek waar politieke keuzes worden gemaakt: in Den Haag, of in de lokale politiek. Om mensen mee te krijgen in dat verhaal, schrijven politieke partijen programma’s: beginselprogramma’s, om uit te leggen waar de partij voor staat, en verkiezingsprogramma’s, om uit te leggen waar de partij voor wil gaan: wat ze in de komende periode concreet wil realiseren.

In de beginjaren van onze parlementaire democratie waren het vooral de zogenoemde massapartijen die met een ideologisch program zoveel mogelijk mensen probeerden te mobiliseren. Deze partijen waren als het ware uit de maatschappij opgekomen, en maakten nog geen deel uit van de gevestigde politiek. Naast de ARP was de in 1894 opgerichte Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP) zo’n typische massapartij.

Andere partijen, die in de negentiende eeuw vanuit de gevestigde politiek waren ontstaan, voelden veel minder de behoefte om hun ideeën vast te leggen. Dit waren ‘kaderpartijen’: Dit waren ‘kaderpartijen’: verenigingen van parlementariërs die wel een band aangingen met hun kiezers, maar eerder op basis van vertrouwen en algemene overtuiging dan vanwege een uitgeschreven program. De Liberale Unie, opgericht in 1885, was zo’n kaderpartij, net als de Christelijk-Historische Unie (CHU), opgericht in 1908. Een verkiezingsprogram paste niet bij hun beeld van wat een parlement zou moeten zijn: ongebonden parlementariërs die wel verantwoording aflegden over hun doen en laten, maar zich niet vastlegden op beloftes aan hun kiezers. Bij dit parlementaire ideaal paste wel een algemeen beginselprogramma, maar geen gedetailleerd verkiezingsprogramma.

Belang 

Verkiezingsprogramma’s zijn onlosmakelijk verbonden met campagne voeren: mensen overtuigen dat ze op jouw partij moeten stemmen. Verkiezingscampagnes waren in de eerste helft van de twintigste eeuw sterk gericht op feiten en argumenten, dat wil zeggen op het overtuigen van de kiezer door het geschreven woord. In dit tijdperk vóór televisie en internet diende een verkiezingsprogramma als een pamflet, dat ook kon worden overgenomen in kranten en tijdschriften. 

Tegelijkertijd moet het belang dat partijen zelf aan verkiezingsprogramma’s hechtten, ook niet worden overschat. Aan de verkiezingsprogramma’s van ruim honderd jaar geleden valt vooral op hoe kort ze zijn, en hoe verschillend. Naast hun beginsel-, of partijprogramma publiceerden sommige partijen een ‘program van actie’ (zoals de antirevolutionairen, en de katholieken); anderen een ‘werkprogram’ (zoals de Vrijzinnig Democratische Bond) en weer anderen een ‘strijdprogram’ (dat waren natuurlijk de socialistische strijders). Al deze programma’s waren echt kort, van nog geen halve bladzij (ARP) tot een pagina of 6 (VDB). 

Partijen vroegen zichzelf ook wel af of al die schriftelijke propaganda nut had. Lazen kiezers ze wel, en ook belangrijk: begrepen ze de inhoud dan ook? De communistische partij bijvoorbeeld, merkte in een terugblik op de campagne van 1929 op dat ze de belangstelling en kennis van het gros van de arbeiders wat dit betreft nog steeds overschatte. Partijen bleven om deze reden ook wel op zoek naar andere manieren om hun boodschap aan mensen over te brengen – met straatpropaganda, veel posters en tekeningen, maar het geschreven woord bleef wel de norm. 

Ontwikkeling sinds Tweede Wereldoorlog

Vanaf eind jaren zestig van de twintigste eeuw hebben politieke partijen hun campagnes verder geprofessionaliseerd, en zijn ze fanatiek gebruik gaan maken van de propagandamogelijkheden van radio en televisie. Het verkiezingsprogramma blijft daarin een rol spelen. Sterker, de verkiezingsprogramma’s worden vanaf deze periode snel uitgebreider en dikker – eerst tientallen pagina’s, later zelfs boven de honderd. Dat heeft echter ook te maken met de uitdijende rol van de overheid, die steeds meer zaken naar zich toetrekt. Politieke partijen moeten daardoor van ook van steeds meer onderwerpen iets vinden. 

Een tweede ontwikkeling is dat er inmiddels veel verschillende mensen aan de totstandkoming van verkiezingsprogramma’s bijdragen. Over de hele linie komt er input vanuit de partij. Daarbij speelt mee, dat partijen steeds grotere organisaties zijn geworden. Achter de gevel van het partijbureau gaat meestal een netwerk aan commissies, netwerken en aanverwante organisaties schuil. Er zijn wetenschappelijke bureaus die complete studies doen, en er worden ledenraadplegingen gedaan. Op congressen kunnen voorstellen voor aanpassing worden ingediend. Twintig jaar kon daar vervolgens nog drie dagen over worden gediscussieerd, tegenwoordig worden zulke aanpassingen grotendeels online afgekaart.  En dan is er ook nog de invloed van lobbyende instanties, die bij verwante partijen voorstellen voor programmapunten aandragen

Vaststelling verkiezingsprogramma van de VVD op de Algemene Ledenvergadering
Vaststelling verkiezingsprogramma van de VVD op de Algemene Ledenvergadering te Amersfoort, 1981 (Foto: Nationaal Archief)

In de jaren 50 was het nog helemaal niet ongebruikelijk dat de partijleider als gezicht van de partij het verkiezingsprogramma in zijn eentje schreef. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de leider van de VVD tussen 1948 en 1963, P.J. Oud. Wilde zo’n manifest consistent en leesbaar zijn, dan moest het uit één pen vloeien, vond hij. Omdat hij er als fractievoorzitter mee moest werken, was hij de aangewezen persoon om het ontwerp op te stellen. De algemene vergadering van de partij stemde er doorgaans geheel mee in. Zo gaat het tegenwoordig zeker niet meer, behalve misschien bij de PVV

Inmiddels lijkt het verkiezingsprogramma ook weer wat op zijn retour. Een aantal partijen die voor het eerst deelnemen aan de verkiezingen – zoals nieuwkomer ‘De Linie’ bij de verkiezingen van 2025, heeft geen samenhangend programma gepubliceerd, maar houdt het bij een overzicht van standpunten op de eigen website Dat lijkt erg op dat half A-viertje van ruim honderd jaar geleden.

Doorrekenen

Op verzoek van PvdA, CDA en VVD rekende het Centraal Planbureau – het onafhankelijke economisch adviesbureau voor de Nederlandse overheid – in 1989 de financiële impact van hun verkiezingsvoorstellen door. Sinds 1998 publiceert het CPB bij elke verkiezingen Keuzes in kaart. Deelname is niet verplicht, partijen doen er vrijwillig aan mee. 

Dit doorrekenen van de effecten van verkiezingsprogramma’s is een Nederlands fenomeen. In het buitenland hebben ze er met verbazing én bewondering naar gekeken. In een toenemend aantal landen zijn in navolging inmiddels vergelijkbare instituties ontstaan.  

Waarom zou een partij zijn plannen vooraf laten beoordelen, om media en politieke tegenstanders extra munitie verschaffen om mee aan te vallen? Dat lijkt in eerste instantie tegenstrijdig aan wat een partij in campagnetijd wil bereiken. Tegelijkertijd geeft het aan dat verschillende partijen zich ervoor verantwoordelijk voelen dat hun plannen wel haalbaar en betaalbaar zijn, en de campagne over feiten willen laten gaan. 

Algemene oordeel is dat het doorlichten van de verkiezingsprogramma’s door een neutrale economisch expert ervoor zorgt dat partijen minder geneigd zijn om onrealiseerbare of onverstandige verkiezingsbeloftes te doen, alleen om kiezers te paaien. 

In de aanloop naar de verkiezingen van 2025 hadden tien partijen hun programma laten doorrekenen door het Centraal Planbureau. Bij de vorige verkiezingen waren dat er acht. BBB en NSC bedankten er in 2023 nog voor, naar eigen zeggen vanwege beperkte mankracht. De PVV heeft haar programma de laatste jaren niet meer laten doorrekenen, zonder toelichting. Kleinere oppositiepartijen doen meestal niet mee, uit principiële redenen of omdat ze het te veel moeite vinden.  De Partij voor de Dieren wijst doorrekening af, omdat haar planeetbrede visie zich niet goed laat vatten in de modellen van het CPB, aldus de partij. Ook de SP heeft moeite met de ‘neoliberale’ modellen die gehanteerd worden.

Veelgehoorde kritiek 

1. Ze zijn nogal dik – wie leest ze nog? 

Partijprogramma’s hebben de neiging steeds dikker, steeds langer en steeds gedetailleerder te worden. Maar tegelijkertijd neemt de houdbaarheid van die programma’s af. Er is zo veel maatschappelijke dynamiek, dat veel van die verkiezingsbeloften en andere voornemens steeds sneller verouderen.

Toch zijn ze beslist ook nuttig. Je kunt er in lezen waar een partij zich voor wil inzetten: in een eventuele regering, in de Tweede Kamer en voor Nederlandse burgers. Het is bedoeld om kiezers te winnen. Het is leidend voor het parlementaire werk. En het bepaalt ook de inbreng van een partij bij de formatie van een nieuw kabinet.

Omdat verkiezingsprogramma’s soms ook over complexe vraagstukken gaat, bevatten ze voor een deel ook taaie kost. Partijen zoeken daarom veel andere manieren om hun voorstellen en standpunten onder de aandacht te brengen, bijvoorbeeld met behulp van sociale media.

2. Verkiezingsprogramma’s beloven dingen die niet waargemaakt worden. 

Verkiezingsprogramma’s bevatten ook altijd voorstellen in de categorie ‘wensdenken’: ideeën die de partij graag zou realiseren, maar waarvan ze weet dat er bij andere partijen geen steun voor is. Partijen die weleens aan de regering hebben deelgenomen weten dan ook: we kunnen het verkiezingsprogramma nooit zomaar in het regeerakkoord omzetten. Om beleid te kunnen maken, hebben we immers instemming van een meerderheid in de Tweede Kamer nodig.  Bij het kabinet-Schoof leek het regeerprogram overigens wel erg sterk op een knip-en-plak-werkstuk van de vier coalitiepartijen. Vroegere regeerakkoorden boden een meer gemeenschappelijke, samenhangende visie. Maar altijd kun je er wensen in herkennen van de ene of andere partij. 

3. Verkiezingsprogramma’s suggereren nog steeds dat alles in ‘Den Haag’ bepaald wordt.

De toon is toch: als je daar maar een dikke vinger in de pap krijgt, kun je alles veranderen. Dat is van meet af aan de toon waarmee BBB campagne voerde: stuur ons naar Den Haag, en wij zullen zorgen dat het stikstofprobleem wordt opgelost. Het bleek toch iets ingewikkelder te liggen.

Maar ook in het algemeen doen verkiezingsprogramma’s – en daarmee ook stemwijzers – het toch voorkomen alsof de overheid over een slimme game controller beschikt waarmee je het hele land kunt besturen, als je het maar behendig speelt. Alsof de samenleving niet veel te ingewikkeld is geworden, alsof er niet veel macht verschoven is – naar lagere overheden, naar Europa, naar zelfstandige bestuursorganen. 

4. Verkiezingsprogramma’s raken snel verouderd 

In een wereld waarin alles zo met elkaar is verbonden is geraakt, zowel door technologie als door globalisering, is de houdbaarheidsdatum van het verkiezingsprogramma maar heel beperkt. Het verandert allemaal zo snel: wat vandaag nog een goed voorstel lijkt, kan morgen alweer achterhaald zijn.

Neem de verkiezingsprogramma’s in 2006: daarin vind je niets terug over eventuele maatregelen tegen een internationale bankencrisis, terwijl die Europa niet lang daarna wel keihard zou treffen. 

Overbodig?

De kanttekeningen die bij de inhoud en houdbaarheid van sommige geplaatst kunnen worden, zijn niet meteen reden om politieke programma’s overbodig te verklaren. Programma’s kunnen heel belangrijke wegwijzers. Ze geven aan waar een partij staat, welke richting men op wil, hoe men tegen zaken aankijkt. Voor of tegen hogere uitgaven voor defensie, hoe om te gaan met asielmigratie, uitbreiding van de basiszorg of niet? Dit helpt de kiezer om zijn stem te bepalen. Het geeft een beeld van de keuzes die een partij wil maken, ook als er onverwachte dingen gebeuren. 

Meer lezen? 

Of luister naar: 

Laatst gewijzigd:30 oktober 2025 15:54