Skip to ContentSkip to Navigation
Research Biografie Instituut

De Koloniale Biografie: fascinerende geschiedenissen

De wisselwerking tussen individuele levens en grotere historische ontwikkelingen komt in een biografie wellicht duidelijker naar voren dan in welke andere vorm van geschiedschrijving ook. De lotgevallen van vooraanstaande personen uit de Nederlandse (post)koloniale geschiedenis leveren voor deze stelling fascinerend bewijsmateriaal, zo bleek op het congres ‘De Koloniale Biografie’, dat op donderdag 29 en vrijdag 30 maart in Huis de Beurs in Groningen gehouden werd. Twaalf sprekers lieten hun licht schijnen over evenzoveel markante personen uit de geschiedenis van voornamelijk Nederlands-Indië en Suriname. Het congres werd georganiseerd door het Biografie Instituut, in samenwerking met het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde uit Leiden en het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit Leiden, en stond onder leiding van dagvoorzitter Noraly Beyer.

De belangstelling was groot: op donderdag kwamen maar liefst 130 belangstellenden op de lezingen af en velen van hen, waarvan een deel in Groningen had overnacht, keerden de volgende dag terug. Zij maakten via de lezingen niet alleen kennis met bekende en minder bekende personen geboren in de Nederlandse koloniën, maar hoorden ook het verhaal over twee Nederlanders die in de koloniën actief waren.

Zo sprak Michel Doortmont, universitair hoofddocent Internationale Betrekkingen en Afrika Studies aan de RUG en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Afrika Studies, over de ‘ontdekkingsreiziger’ Hendrik Muller (1859-1941), die als jonge Rotterdamse koopman diplomaat werd in Afrika, daarnaast zaken deed in verschillende Afrikaanse landen en vervolgens naar Azië en Amerika trok. Doortmont, die bezig is aan een biografie van Muller, benadrukte Mullers verdiensten als etnografisch publicist. Muller schreef zowel populair-wetenschappelijke als academische studies over alle verre landen die hij bezocht. De nieuwsgierige reiziger Muller bleef echter in politiek opzicht conservatief, “in de jas van Van Heutsz”, aldus Doortmont.

De andere in Nederland geboren persoon die voor het voetlicht kwam was een militair. Jan de Lang, als biograaf verbonden aan het Biografie Instituut, liet aan de hand van het leven van KNIL-officier Frederik Hirschmann (1870-1935) zien hoe grillig het leven van een Nederlandse militair overzee aan het eind van de negentiende eeuw was. Hirschmanns betrekking als militair bracht hem op alle grote eilanden van Nederlands-Indië en in Suriname. De Lang hield het publiek voor dat je je kunt afvragen waarom Hirschmann en zijn collega-militairen voor dit vak kozen: de uitval onder militairen was zeer hoog, zo ontdekte De Lang tijdens zijn onderzoek. De biografie van Hirschmann zal vooral ook nieuwe inzichten in de Nederlandse militaire geschiedenis bieden.

In de eerste lezing van vrijdag vertelde historica Rosemarijn Hoefte, hoofd Collecties van het KITLV in Leiden, over het leven van Grace Schneiders-Howard (1869-1968), een vrouw uit de hogere stand van Suriname die in Den Haag haar opleiding genoot en als eerste vrouw in de Koloniale Staten van Suriname werd gekozen. Ze was omstreden, omdat ze met haar gedrag veel politieke conventies doorbrak. Maar uiteindelijk liet Schneiders-Howard toch geen politieke erfenis achter, omdat ze een zelfgekozen eenzame pionier bleef. Ze moet volgens Hoefte vooral herinnerd worden om haar grote rol in de opbouw van de Surinaamse gezondheidszorg.

Naast Schneiders-Howard stond nog één andere vrouw in de lezingen centraal: Madelon Lulofs (1899-1958), die als schrijfster M.H. Székely-Lulofs van vooral het boek Rubber (1931) internationaal bekend werd. Biograaf Frank Okker liet zien dat Lulofs sterk tot twee werelden behoorde: als dochter van een hoge Nederlandse ambtenaar in Nederlands-Indië was ze al vroeg behept was met een explosief rechtvaardigheidsgevoel, die haar later verhalen deed schrijven over de onmenselijke behandeling van de inheemse bevolking en Chinese contractarbeiders door planters en Nederlandse bestuurders.

Lulofs was niet de enige literator die op het congres in de schijnwerpers stond. Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, schrijft een biografie over deuiterst veelzijdige schrijver Albert Helman en op het congres greep hij de aandacht van het publiek door één boek uit Helmans oeuvre centraal te stellen: De zwarte Cats. Helman, die naast schrijver ook nog componist, journalist, politicus, taalkundige en verzetsman was, bracht in dat boek onder een pseudoniem op een merkwaardige manier de Nederlandse literatuur en de Surinaamse volkscultuur samen. Helman werkte namelijk Surinaamse spreekwoorden om tot Nederlandse rijmpjes. Hij deed dat op een wijze waarmee hij de neokoloniale verhoudingen tussen Nederland en Suriname bekritiseerde. Helman speelde hiermee in op de actualiteit, want De zwarte Cats verscheen in 1978, drie jaar nadat Suriname de onafhankelijkheid had gekregen.

Op vrijdag kwamen nog twee schrijvers aan bod: Tjalie Robinson en Robin Ewald Raveles. Wim Willems, hoogleraar Sociale Geschiedenis aan de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden, hield een bevlogen voordracht over Robinson (1911-1974), die als zoon van een Nederlandse militair en een Indische moeder in Nijmegen geboren werd onder de naam Jan Boon. Robinson bracht in zijn verhalen volgens Willems een ode aan de “kattekwaad-cultuur” waarin hij opgroeide in Nederlands–Indië. Zijn onderwijzersmentaliteit kon Robinson, die ook veel sportte, tot uiting brengen in artikelen en verhalen waarin hij de jeugd wilde verheffen.

Ewald Raveles (1935-1983) was de echte naam van de Surinaamse dichter R. Dobru. Cynthia Abrahams, anglist en bezig met een promotieonderzoek naar Dobru, riep in haar verzorgde lezing de Surinaamse dichter tot leven aan de hand van foto’s en geluidsfragmenten. Dobru was ook politiek zeer actief en is in Suriname vooral bekend geworden door zijn gedicht ‘Wan bon’ (‘Één boom’), waarin hij de eenheid van Suriname bezong. De laatste jaren van zijn leven groeide Dobru echter uit tot een omstreden figuur omdat hij als onderminister van cultuur ook na de de decembermoorden loyaal bleef aan het militaire regime.

De andere op het congres besproken historische protagonisten bewogen zich op het grillige en gevaarlijke terrein van de politiek. De koloniale overheersing speelde een hoofdrol in hun levens. Sayyid ’Uthmān (1822-1914) was de enige van hen die in dienst stond van de Nederlandse staat, zo vertelde Nico Kaptein, islamoloog en senior research fellow aan het International Institute for Asian Studies in Leiden. ’Uthmān was een Indonesisch-Arabisch religieus geleerde, die geen Nederlands sprak, maar toch via de Nederlandse islamoloog Snouck Hurgronje een adviseurschap verwierf in Batavia. ’Uthmān vervulde een brugfunctie tussen het Nederlandse bestuur en het Islamitische volksdeel door over religieuze kwesties te beslissen, waarbij hij op een lijn stond met het Nederlandse gouvernement.

Raden Mas Noto Soeroto, een Javaanse edelman, was ook pro-Oranje als het om de koloniale verhoudingen ging. Neerlandicus René Karels schrijft een proefschrift over Noto Soeroto (1888-1951), die een vriend was van Soeparto en ook in Nederland studeerde. Noto Soeroto schreef zeven dichtbundels en richtte een uitgeverij op, maar zijn belangrijkste daden lagen op politiek vlak: in zijn politieke ideeën ging hij uit van een geleidelijk proces naar Indonesische zelfregering. Op cultureel gebied ontplooide hij initiatieven om de Indonesische geestelijke traditie voort te zetten. Alles wat hij heeft gedaan kan echter als ‘mislukt’ worden getypeerd. Toch hebben Noto Soeroto’s politieke ideeën volgens Karels een grote rol gespeeld in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd.

De Indonesiërs Sutan Sjahrir en Tan Malaka speelden allebei in de eerste helft van de twintigste eeuw een grote rol in deze strijd. Kees Snoek, hoogleraar Letterkunde en Cultuurgeschiedenis van het Nederlandse taalgebied aan de Sorbonne in Parijs, richtte zich in zijn verhaal op een periode van twee jaar en vier maanden uit het leven van Sjahrir (1909-1966), die in de strijd tegen de Nederlandse overheersers nauw samenwerkte met Mohammed Hatta. Sjahrir was echter wel getrouwd met een Nederlandse vrouw, Maria Duchâteau. Tijdens Sjahrirs gevangenschap vanaf 1934 blijkt de sterke band tussen deze twee, die in een uitgebreide correspondentie – die later voor een gedeelte werd uitgegeven – uitmondde. Snoek boeide het publiek met citaten uit onder meer hun liefdesbrieven, die veel cultureel-politieke verhaallijnen bevatten.

Politiek wetenschapper Harry Poeze, hoofd van de KITLV-uitgeverij in Leiden, verhaalde op indringende wijze over de moeilijke en spannende levensloop en het naleven van Malaka (1894-1949). Malaka genoot zijn opleiding ook in Nederland en bekeerde zich daar tot het socialisme. Terug in Indonesië bouwde Malaka een legendarische reputatie op: personages in boekjes en romans werden gebaseerd op zijn persoonlijkheid. Als Indonesisch Marxist dolf hij later het onderspit tegen de stalinisten en de groep van Soekarno. In 1949 werd hij doodgeschoten. Poeze promoveerde in de jaren zeventig op een studie over Malaka, over wie publicaties in Indonesië tot voor kort verboden werden. Pas recent is Malaka door de Indonesische autoriteiten gerehabiliteerd. Poeze zal bij de presentatie in juni van zijn biografie van Malaka onthullen wie de tot nu toe onbekende moordenaar van Malaka was.

Peter Meel, directeur van het Onderzoeksinstituut Geschiedenis van de Universiteit Leiden, sprak tenslotte over de Surinaamse minister-president Henck Arron (1936-2000), van wie hij een biografie voorbereidt. Volgens Meel streefde Arron naar emancipatie in zowel zijn persoonlijke als politieke leven. Al op jonge leeftijd ontstond bij Arron de wens om mee te bouwen aan de Surinaamse samenleving: zijn moeder was ook politiek actief en Arron keerde na enkele jaren opleiding in Nederland terug om als programmatisch politicus in Suriname naam te maken. Hij werd premier en als uitstekend onderhandelaar lukte het hem om de vader van de Surinaamse onafhankelijkheid te worden. Na 1975 kwam de klad in zijn reputatie: men sprak zelfs van “Arrongantie”. Na de militaire periode 1980-1987 keerde Arron wel weer terug in het centrum van de macht, maar Arron bleef zijn hele leven gevangen in de Surinaamse partijpolitiek, concludeerde Meel voor het aandachtig luisterende publiek.

Het congres werd na alle lezingen die ieder gericht waren op het leven van een persoon, afgesloten met twee algemene lezingen. Gerry van Klinken, research fellow bij het KITLV, maakte duidelijk dat de Indonesische heldentraditie en het kleine, politiek gekleurde lezerspubliek grote gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft voor de biografieën die in Indonesië verschijnen: die monden namelijk steevast uit in theatrale opvoeringen volgens biografische standaardmodellen, waarin een politieke daad wordt gesteld door de moed en het doorzettingsvermogen van de held te beschrijven. Hans Renders, kersvers hoogleraar Geschiedenis en Theorie van de Biografie en directeur van het Biografie Instituut, wees op de invloed van de journalistiek op de ontwikkeling van de biografie als genre in de negentiende eeuw. Biografische tijdschriften als Mannen van Beteekenis illustreerden een literair-culturele ontwikkeling waarin biografische uitgaven een groot publiek bereikten, maar tegelijkertijd via de levensbeschrijvingen een maatschappelijk ideaal representeerden. Daarmee zette de biografie zich af tegen de “volkse connotatie” die het in de negentiende eeuw had verworven, aldus Renders. Mede daaruit ontstond later uiteindelijk in de twintigste eeuw de kritische moderne biografie.

Dagvoorzitter Beyer sprak in haar afsluiting van het congres haar bewondering uit voor het werk van de biografen. Terecht, want het congres toonde aan dat het Nederlandse lezerspubliek dankzij deze biografen kan uitkijken naar een serie nieuwe en aansprekende koloniale biografieën, die een belangrijke verrijking zullen zijn van de geschiedschrijving over het Nederlandse koloniale verleden.

Binne de Haan

Laatst gewijzigd:14 maart 2016 11:37