Skip to ContentSkip to Navigation
OnderzoekOnderzoek Faculteit der LetterenBiografie Instituut

Helene Kröller-Müller en de doorbraak van moderne kunst

Slechts die kunst verzamelen die ‘de toets van de toekomst’ kan doorstaan, dat was de taak die Müller zichzelf oplegde in 1912. Ruim veertig jaar eerder was ze geboren in het Ruhrgebied waar zij opgroeide in de hoogtijdagen van het Besitzbürgertum met Goethes idealen van het Ware, het Schone en het Goede hoog in het vaandel. In 1888 trouwde ze met een veelbelovende Nederlandse employee uit haar vaders bedrijf, Anton Kröller, die al twee jaar later directeur werd van Müller & Co.. Onder zijn leiderschap groeide deze firma uit tot een bloeiende multinational, met filialen op vier continenten en het hoofdkantoor in Rotterdam. In 1900 verhuisde Kröller het hoofdkantoor naar Den Haag, om zo dichter bij het diplomatieke vuur te zitten.

De spectaculaire groei van het familiebedrijf zorgde er voor dat Müller zelfs in deze welvarende stad, een van de rijkste inwoners werd. Maar Müller was niet alleen rijk, ze was ook trots, intelligent en buitengewoon gedreven. In 1905 begon zij met lessen kunstbeschouwing van de gerenommeerde kunstpedagoog H.P. Bremmer. Bremmer was een voorbeeld van de culturele gids waar de hogere bourgeoisie rond de eeuwwisseling behoefte aan had. De meeste van Bremmers studenten waren goed opgeleid, stonden hoog op de sociale ladder en hadden al een benijdenswaardige collectie aangelegd toen Müller met haar lessen begon. Haar competitiezucht werd dan ook onmiddellijk aangewakkerd, wat haar er toe dreef om binnen een paar jaar een verzameling moderne kunst tot stand te brengen die in Europa haar weerga niet kende.

Müllers aankopen waren aanvankelijk redelijk willekeurig; ze kocht wat ze mooi vond. Maar in 1911 zorgden twee gebeurtenissen er voor dat Müller haar manier van verzamelen veranderde. De eerste was een bezoek aan Karl Ernst Osthaus, een Duitse filantroop, die niet alleen een zeer bijzondere collectie moderne kunst bezat, maar deze tevens tentoon stelde in zijn museumhuis in Hagen. Door onder meer een museum te bouwen in de grauwe fabrieksstad Hagen, probeerde Ostahaus de regio een culturele impuls te geven. De verhevenheid van deze idealen deed Müller beseffen dat ook haar verzameling meer kon zijn dan slechts een persoonlijke bezigheid.

Enkele maanden later, in september 1911, werden kwaadaardige gezwellen geconstateerd bij Müller en moest zij een risicovolle operatie ondergaan. Geconfronteerd met haar eigen sterfelijkheid, besloot zij dat wanneer zij de operatie zou overleven, zij haar collectie in een museum wilde onderbrengen en dit museum wilde nalaten aan de gemeenschap. En zo geschiedde. De rest van haar leven streefde Müller naar dit museum, waardoor haar redenen om kunstwerken aan haar collectie toe te voegen niet langer bepaald werden door haar persoonlijke smaak, maar door de vraag of een kunstwerk de toets van de toekomst zou kunnen doorstaan. Meer dan voorheen legde ze zich toe op het verzamelen van gedurfde kunst, in het bijzonder de schilderijen van Vincent van Gogh, van wie het werk tot de Eerste Wereldoorlog nog redelijk controversieel was. Vanaf 1913 stelde Müller delen van haar collectie open voor het publiek. Tot 1930 was haar tentoonstellingsruimte aan de Lange Voorhout een van de weinige plekken waar men meer dan enkele werken moderne kunst kon bekijken. Laat staan werken van deze kwaliteit; Picasso, Gris, Mondriaan, van der Leck, Seurat, Signac waren allemaal vertegenwoordigd en trokken bezoekers uit heel Europa.

Müllers collectie was dus niet alleen modern, zij was groots en bovendien: toegankelijk. Als zodanig bepaalde deze collectie minstens een decennium de internationale visie op het werk van bijvoorbeeld Van Gogh. Müllers langgekoesterde droom werd werkelijkheid toen zij in 1938, een jaar voor haar dood, het Kröller-Müller Museum opende, een van de eerste Nederlandse musea waarin moderne kunst een prominente plek innam.

Methodologische keuze: contextuele aanpak

Vanuit dit perspectief bekeken was Müller een gatekeeper. Door te bepalen welke kunstwerken zij aan haar collectie toevoegde, bepaalde zij tevens enige tijd welke kunst en kunststromingen een publiek bereikten. In deze biografie echter, wil ik onderzoeken of Müller werkelijk de leidende figuur was, de gatekeeper, die zij op het eerste gezicht lijkt te zijn. Was ze werkelijk verantwoordelijk voor de doorbraak van moderne kunst in het Nederlandse museumwezen? Of was zij meer een volger, een persoon die goed wist te luisteren en kijken naar anderen om vervolgens haar waarnemingen om te vormen tot schijnbaar nieuwe ideeën en daden? Om een uitspraak te kunnen doen over Müllers belang, is een levensbeschrijving alleen niet voldoende. Het leven van de gebiografeerde is als een kiezel die in het water wordt gegooid: het wordt omgeven door cirkels van invloed. Wie die cirkels negeert, vindt de kiezel niet meer terug. Daarom wil ik die cirkels herscheppen en zodoende Müller in een context plaatsen. In de context van andere verzamelaars, van critici, kunstenaars - kortom in de context van de kunstwereld. Maar ook in de context van haar sociale achtergrond in Duitsland en van haar tijd in het algemeen.

Ik bestudeer en beschrijf het leven van Helene Kröller-Müller en maak daarbij gebruik van de kunstwereld als case study. Ik heb twee aspecten van de kunstwereld gekozen die niet alleen relevant zijn voor de levensbeschrijving van Müller, maar bovendien van belang zijn om de moderne kunstwereld aan het begin van de twintigste eeuw beter te begrijpen. Het eerste aspect is de particuliere verzamelaar die een kunstcollectie nalaat. In de biografie van Müller wil ik drie of vier verzamelaars beschrijven die zij gekend moet hebben en die kunnen dienen als case study hoe moderne kunst haar plek in de Nederlandse musea veroverd heeft door nalatenschappen van verzamelaars. Vervolgens vergelijk ik de invloed van deze verzamelaars met die van Müller. Het tweede aspect dat ik gebruik, is de reputatieontwikkeling van Vincent van Gogh tot aan de Eerste Wereldoorlog. Aan de hand van deze ontwikkeling wil ik de invloed aangeven die verzamelaars en handelaars uitoefenden op de receptie van moderne kunst, evenals de rol die Müller hierin speelde.

Eva Rovers

Rijksuniversiteit Groningen / Biografie Instituut

E.M.Rovers@rug.nl


Ingekorte bibliografie

Jos ten Berge, Teio Meedendorp [e.a.], De schilderijen van Vincent van Gogh in de collectie van het Kröller-Müller Museum, Stichting Kröller-Müller Museum, Otterlo 2003.

Pierre Bourdieu, Distinction. A Social Critique of the Judgement of Taste, Routledge & Kegan Paul, Londen [etc.] 1984.

Bourdieu, Pierre, The Field of Cultural Production, Polity Press, Oxford 1993.

Sam van Deventer, Kröller-Müller. De geschiedenis van een cultureel levenswerk. Arnhem, J.S.R. van Deventer 1956, tweede druk 2004.

Peter Gay, Pleasure Wars. The Bourgeois Experience, vol. 5, Norton, New York 1998.

Paul Hirsch, ‘Processing Fads and Fashions: An Organization Set Analysis of Cultural Industry Systems’, The American Journal of Sociology, 77(1972)4.

Laatst gewijzigd:09 januari 2017 11:03
printView this page in: English