Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Prof.dr. Maarten Duijvendak: ‘Er is zeker toekomst voor vakbonden’

13 februari 2013

Met gestaag teruglopende ledenaantallen en heftige interne conflicten doet de Nederlandse vakbeweging af en toe meer aan vroeger dan aan de toekomst denken. Breekt te veel ideologie en een gebrek aan coherentie binnen vakcentrales de georganiseerde arbeidsvertegenwoordiging op? Volgens Maarten Duijvendak, hoogleraar economische, sociale en regionale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, blijft de behoefte aan vakbonden onverminderd aanwezig. Op langere termijn ziet hij beslist bestaansrecht voor vakbonden. Zeker voor bonden die zich richten op de belangen en het aanzien van concrete beroepsgroepen.

De FNV kan volgens Duijvendak tevreden terugkijken op succesvolle acties die zij vorig jaar organiseerde ten behoeve van de arbeidsomstandigheden voor schoonmakers. ‘Voor een bond is dat een moeilijk werkveld, met werknemers die vaak diverse kleinere baantjes combineren en het werkgeverschap dat wordt gedomineerd door internationale consortia. Toch slaagde de FNV erin zichtbare acties op touw te zetten, werd er een financieel resultaat behaald in onderhandelingen en werd er niet in de laatste plaats gehamerd op erkenning en respect voor het werk dat schoonmakers verrichten.’ In dergelijk pleiten voor beroepstrots en vakmanschap ligt volgens Duijvendak een belangrijke rol voor vakbonden.

Maarten Duijvendak
Maarten Duijvendak

Organisatie van vakgenoten

Een ander voorbeeld van een best practice ziet Duijvendak bij de Algemene Onderwijsbond AOB. ‘Die bond doet het heel goed omdat hij zich, behalve voor cao’s, nadrukkelijk inzet voor vakbekwaamheid en reflectie op de positie van de docent. De bond stelt zich op als een organisatie van vakgenoten en dat werkt heel goed.’ Behalve voor individuele werknemers zet deze bond zich zichtbaar in voor de kwaliteit van het werk in dit beroep en toont de bond maatschappelijke betrokkenheid.

Het voorbeeld doet Duijvendak denken aan het begin van de twintigste eeuw, toen juist die bonden groeiden die vakgenoten vertegenwoordigden. Dat beproefde recept werkt ook nu nog goed. ‘De AOB toont in heel veel vormen zijn bestaansrecht als bond van onderwijzers en dat mist zijn uitwerking niet.’

Vakcentrales weinig coherent

Duijvendak: ‘Bonden moeten blijven uitleggen dat een organisatie die namens de werknemers kan onderhandelen meestal meer bereikt dan wanneer ieder van de werknemers het alleen moet doen. Dat kan alleen als bonden ook echt resultaten voor de leden realiseren en die dan weer uitdragen. Vakcentrales ontberen voor zulke heldere boodschappen al snel de coherentie.’ Duijvendak ziet dan ook vooral toekomst voor kleinere maar specifieke bonden die zich organiseren en opstellen als organisaties van vakgenoten.

Geluk en inkomensverdeling

Er zijn volgens Duijvendak indicaties dat mensen gemiddeld genomen gelukkiger zijn in samenlevingen waarin vakbonden sterker georganiseerd zijn. Zo valt het op dat in onderzoeken naar gelukbeleving de scores regelmatig hoger uitvallen in landen waar inkomensverschillen beperkt zijn, zoals in Nederland en de Scandinavische landen. Daar speelt de vakorganisatie als collectieve belangenbehartiger voor de werknemers en als stem in het publieke debat een duidelijke rol. Maar voorzichtigheid is geboden: de politieke verschillen tussen landen zijn groot en er spelen zoveel variabelen een rol bij de beleving van geluk, dat causaliteit moeilijk is aan te tonen. ‘In landen in Oost-Europa bijvoorbeeld zijn vakbonden flink bezig om zichzelf opnieuw te organiseren. Tegen de achtergrond van het communistische verleden met een sterke staat die alles regelde, werkt dat toch heel anders dan in West-Europa of bijvoorbeeld de Verenigde Staten, waar inkomensverschillen door burgers soms positiever gewaardeerd worden.’

Krugman-effect

Niettemin wijst Duijvendak op het zogenaamde Krugman-effect, dat beschrijft hoe inkomensverschillen toenemen wanneer de organisatiegraad van vakbonden afneemt. ‘Een daling van het ledenaantal met enkele procentpunten kan al een flink effect hebben. In samenlevingen die inkomensverschillen niet positief waarderen, kunnen grotere verschillen zich vervolgens vertalen in dalend geluksgevoel.’

Uitdaging

Een verdere krimp van de vakbeweging in Nederland kan belangrijke gevolgen inleiden. Duijvendak denkt dat wanneer de vakbonden hun kerntaken vergeten, zij moeten vrezen dat leden weglopen zoals gelovigen in de jaren zestig en zeventig de kerken verlieten. ‘Maar een vitale toekomst voor vakbonden is mogelijk. Een uitdaging is om - in mogelijk kleinere bonden - in te zetten op vakbekwaamheid en kwaliteit van het werk van groepen werknemers, en tegelijk landelijk een rol te blijven spelen in contacten met politieke leiders over onderwerpen die het werk van een vakorganisatie overstijgen. Alles overwegende is het goed dat er vakbonden zijn. Ze hebben zeker toekomst.’

Curriculum Vitae

Maarten Duijvendak is hoogleraar economische, sociale en regionale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en directeur van het Nederlands Agronomisch Historisch Instituut. Hij publiceert over sociale en economische verhoudingen in de Nederlandse samenleving, daarbij in het bijzonder die in Noord-Nederland.

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:10
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws