Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Dr. Hinke Haisma: ‘Context belangrijk bij het monitoren van groei van kinderen’

27 juni 2012
Hinke Haisma
Hinke Haisma

De groei van kinderen wordt bepaald aan de hand van lengte en gewicht. Op basis van groeicurves wordt bekeken of een kind goed groeit. Maar wat is gezonde groei? Is dat overal ter wereld hetzelfde? En zijn lengte en gewicht alleen voldoende om dat te bepalen? Dr. Hinke Haisma, demograaf en voedingskundige aan de Rijksuniversiteit Groningen, denkt dat de manier waarop groei van kinderen wordt bepaald verbeterd kan worden. ‘Behalve naar de lengte en het gewicht van kinderen, moeten we ook kijken naar hoe en waar kinderen opgroeien.’

‘Kort geleden heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) nieuwe groeicurves ontwikkeld. Daarbij baseerde zij zich op kinderen uit zes landen, van Oman tot Noorwegen, allemaal uit welgestelde gezinnen. Het probleem met het gebruik van die curves is dat ze een norm stellen: ze schrijven voor hoe kinderen zouden moeten groeien. Maar wat is goed? En is dat overal gelijk? Dat is maar helemaal de vraag. In landen waar niet alleen ondervoeding voorkomt, maar ook steeds meer overgewicht, zoals in Brazilië, is het helemaal niet zo duidelijk of kinderen uit de rijkere gezinnen als norm moeten worden gesteld. Ook in Nederland zijn er grote verschillen. In Oost-Groningen groeien kinderen onder andere omstandigheden op dan in een multiculturele wijk in Rotterdam, en moeten ouders op een andere manier geadviseerd worden.’

Oog voor omstandigheden

‘Om ouders goed te kunnen adviseren over de groei van hun kind, hebben zorgverleners een instrument nodig dat die groei in kaart brengt. Dat instrument moet niet alleen gebaseerd zijn op lengte en gewicht, maar moet ook rekening houden met de omstandigheden waarin een kind opgroeit. Werkt de moeder? Kan ze wel borstvoeding geven? Wanneer vinden de ouders dat iemand overgewicht heeft? Met al dat soort vragen moet je rekening houden. Soms zul je als zorgverlener ontdekken dat je in je advies het woord ‘overgewicht’ niet moet gebruiken, omdat het voor de ouders niks betekent. Dan kun je beter adviseren, bijvoorbeeld, om vaker samen te eten, in plaats van ieder voor zich een pizza in de oven te schuiven. Als je het op een andere manier verwoordt, komt een advies misschien wél aan.’

Over vuil water…

‘Internationaal lopen de problemen nog veel verder uiteen. In Tanzania is het geboortegewicht van baby’s gemiddeld goed, maar ontstaan vaak problemen zodra wordt overgeschakeld van borstvoeding op normale voeding. Dan krijgen de kinderen last van diarree en andere ziektes, doordat bij de bereiding van het voedsel vervuild water wordt gebruikt. Alleen maar naar de voedingsstatus kijken heeft dan dus geen zin. Het advies moet vooral ook inspelen op de beschikbaarheid van schoon water.’

… en magere baby’s


‘In India speelt weer heel andere problematiek. Daar worden veel kinderen met ondergewicht geboren. Kijk je alleen naar groeicurves, dan adviseer je ouders hun kind stevig bij te voeden, zodat het snel op gewicht komt. Maar kinderen met een laag geboortegewicht zijn als het ware “voorgeprogrammeerd op schaarste”. Hun stofwisseling is anders dan bij kinderen met een normaal gewicht. Ga je zulke kinderen extra voeden, dan vergroot je hun risico op suikerziekte in hun latere leven enorm. Ook in dit geval is dus een advies op maat nodig.’

‘Consternatiebureau’

‘Doordat het huidige instrument om groei te monitoren alleen kijkt naar lengte en gewicht, is de zorg gemedicaliseerd geraakt. Je doet ouders en hun kinderen tekort als je voorschrijft om een baby voor en na iedere voeding op de weegschaal te leggen. Of om ouders hun kind te laten bijvoeden als het met borstvoeding nèt een klein beetje onder de curve zit. Grote kans dat ouders onzeker worden van dat soort adviezen. Jonge ouders noemen consultatiebureaus niet voor niets ook wel consternatiebureaus. En dat terwijl ouders echt ondersteund kunnen worden, als zorgverleners een meetinstrument hebben waarmee ze ook naar de situatie achter de groeicurves kunnen kijken.’

Curriculum vitae

Hinke Haisma (1967) is universitair docent en Rosalind Frank Fellow aan de afdeling demografie van de Rijksuniversiteit Groningen. Na haar studie voedingswetenschap in Wageningen werkte ze onder meer voor het internationaal atoomagentschap (IAEA) in Wenen en voor de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Brazilië. Haisma promoveerde in 2004 op een onderzoek naar het verband tussen sociaal-eonomische status, borstvoeding en overgewicht in dat land. Eerder deze maand werd haar door het NWO een prestigieuze Vidi-beurs toegekend voor een vooruitstrevend, internationaal onderzoek naar hoe gezonde groei anders bepaald kan worden dan alleen aan de hand van lengte en gewicht.

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:10
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws