Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Prof.dr. Maarten Allers: ‘Financiering van gemeenten onnodig ingewikkeld en niet doelmatig’

23 november 2011

De wildgroei in het aantal uitkeringen van het rijk aan gemeenten moet een halt worden toegeroepen. Snoeien in het woud van uitkeringen levert een aanzienlijke kostenbesparing en minder onduidelijkheden op. ‘Het huidige uitkeringensysteem is niet doelmatig’, stelt Maarten Allers, hoogleraar economie van de decentrale overheden van de Rijksuniversiteit Groningen.

In Nederland gaan belastingen grotendeels naar de rijksoverheid, terwijl de 418 gemeenten een groot deel van de overheidsvoorzieningen voor hun rekening nemen. Met dat laatste is veel geld gemoeid, want om het allemaal te kunnen betalen ontvangen gemeenten jaarlijks 27 miljard euro van het rijk, via maar liefst 91 verschillende uitkeringen. ‘Inspanningen om dat aantal terug te dringen hebben wel enig effect gehad, maar er is nog altijd sprake van een woud aan uitkeringen’, zegt Allers. ‘Het verstrekken van al die uitkeringen gaat gepaard met veel bureaucratie en het legt een groot beslag op de capaciteit bij zowel gemeenten als het Rijk.’ Allers heeft daarom gekeken naar de gevolgen van het samenvoegen van al die verschillende potjes tot één nieuwe rijksuitkering. ‘Ik kom tot de slotsom dat samenvoeging tot één of een handvol uitkeringen kosten bespaart en nauwelijks invloed heeft op de verdeling van de gelden over de gemeenten. Het leidt dus niet tot onoverkomelijke problemen of een onrechtvaardige verdeling.’

Hoe meer problemen, hoe meer geld

Gemeenten ontvangen nu meer dan de helft van hun inkomsten uit rijksuitkeringen. Slechts 15 procent komt uit belastingen die gemeenten zelf heffen, zoals OZB en hondenbelasting. ‘Die rijksuitkeringen worden heel verschillend over de gemeenten verdeeld, afhankelijk van allerlei criteria’, zegt Allers. ‘Ruw gezegd: hoe meer problemen, hoe meer geld. Zo ontvangt Rotterdam per inwoner 92 procent meer dan gemiddeld, terwijl het landelijke Scherpenzeel juist 50 procent minder dan gemiddeld ontvangt.’

Weinig beleidsvrijheid

‘Het grootste gedeelte (66 procent) van de rijksuitkering aan gemeenten is afkomstig uit het gemeentefonds. Dat is zeg maar het zakgeld van de gemeenten. Daarnaast zijn er nog 37 specifieke uitkeringen - zie het als kleedgeld. Die specifieke uitkeringen, ooit waren het zelfs meer dan 500, zijn geoormerkt. Dat wil zeggen dat ze alleen aan bepaalde zaken mogen worden uitgegeven. ‘Dat staat gemeenten weinig beleidsvrijheid toe’, aldus Allers. ‘Het duidt evenmin op veel vertrouwen van de kant van de verstrekker. Gemeenten weten zelf beter welke uitgaven zinvol zijn dan de rijksoverheid.’ Wel is de laatste jaren een tegenbeweging aan de gang waarbij gemeenten wat meer vrijheid hebben bij besteding van de specifieke uitkeringen.

Vervaagd

Bij het gemeentefonds is juist een tegengestelde ontwikkeling gaande. Waar voorheen weinig anders dan de vrij besteedbare algemene uitkering uit dat fonds werd gedaan, bestaat het gemeentefonds tegenwoordig uit 54 verschillende potjes. ‘Zakgeld en kleedgeld lopen dus in elkaar over’, verduidelijkt Allers. ‘Het onderscheid tussen specifieke uitkeringen en uitkeringen uit het gemeentefonds is sterk vervaagd.’

Het kabinet wil uitkeringen overhevelen naar de algemene uitkering. Terecht, want er bestaat nog altijd een veelheid aan uitkeringen, betoogt Allers. ‘Gemeenten moeten zich volgens de rijksoverheid vrij voelen bij de besteding van uitkeringen uit het gemeentefonds, maar die lijn wordt zeker niet consequent gehanteerd. En het beleid gericht op terugdringen van het aantal uitkeringen is deels cosmetisch.’

Kleinere overheid

‘Uit mijn onderzoek blijkt dat het helemaal niet nodig is al die verschillende potjes te handhaven’, stelt Allers. ‘Het opvallende is dat samenvoegen van al de uitkeringen de verdeling over gemeenten maar weinig zou veranderen. Het kleedgeld van de gemeenten wordt in zijn totaliteit eigenlijk al net zo verdeeld als het zakgeld. Dat was tot nu toe niet bekend, omdat niemand naar het geheel van de uitkeringen keek.’ De samenvoeging met als doel vereenvoudiging van het uitkeringssysteem, zorgt naast de kostenbesparing ook voor een transparanter en overzichtelijker systeem, betoogt Allers. ‘Dit kabinet streeft naar een kleinere overheid. Terugdringen van het aantal uitkeringssoorten past bij die ambitie. Men wil sturen op hoofdlijnen. Daar zijn echt geen 91 stuurtjes voor nodig.’

Enkele uitkeringen voor onvoorziene zaken, zoals de artikel 12-uitkering voor gemeenten in financiële problemen, zouden wel afzonderlijk moeten blijven bestaan. Hetzelfde geldt misschien voor een beperkt aantal andere kleine uitkeringen voor experimenten of specifieke projecten, aldus Allers.

Kanttekening

De kanttekening die Allers plaatst bij zijn pleidooi is dat meer autonomie voor gemeenten bij de besteding van gelden, het gevaar in zich herbergt dat de regeldruk vanuit Den Haag toeneemt. ‘Het zouden communicerende vaten kunnen zijn. Ook al zegt het Rijk dat ze gemeenten meer vrijheid gunt, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Als ze niet meer met geld kunnen sturen, proberen ze het misschien met regelgeving.’

Curriculum Vitae

Maarten Allers (Utrecht, 1964) studeerde economie in Groningen en promoveerde in 1994 aan de RUG op het proefschrift ‘Administrative and compliance costs of taxation and public transfers in the Netherlands’. Na zijn promotie bleef hij als onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO). Bovenstaande opinie is een verkorte weergave van de oratie die Allers op 22 november hield bij de officiële aanvaarding van zijn ambt als hoogleraar economie van de decentrale overheden

Zie ook: nieuwsbericht Gemeenten krijgen meer uitkeringen dan nodig

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:10

Meer nieuws