Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Prof.dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer: ‘Je kunt peuters niet behandelen alsof het al echte leerlingen zijn’

24 november 2010

Kinderen worden op veel te jonge leeftijd klaargestoomd voor de kenniseconomie. ‘Dat heeft een averechts effect’, stelt Sieneke Goorhuis-Brouwer, bijzonder hoogleraar Spraak- en Taalstoornissen bij het Universitair Medisch Centrum Groningen. ‘Veel kinderen raken overprikkeld of ontwikkelen een fundamentele onzekerheid die zich uit in allerlei vormen van afwijkend gedrag. Er worden bij ons steeds meer gezonde kinderen aangemeld met vermeende ontwikkelingsproblemen.’

Hoogleraar Goorhuis-Brouwer noemt de onlangs ingevoerde wet Ontwikkelingskansen voor Kwaliteit en Educatie, waarmee de regering taal- en rekenachterstanden wil terugdringen, als voorbeeld. Educatieve programma’s die aanvankelijk alleen bedoeld waren voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand, worden nu uitgevoerd in de kinderopvang. ‘Maar kinderen moeten hun peuter- en kleuterperiode juist ten volle beleven’, vindt Goorhuis-Brouwer. ‘Als we het over voeding en veiligheid van kinderen hebben, weten we precies hoe dat allemaal moet. We geven een jonge baby echt geen boerenkool met worst. In het onderwijs doen we dat wel, in overdrachtelijke zin. En dan zijn we nog verbaasd dat het kind, ook weer in overdrachtelijke zin, darmstoornissen krijgt!’

Emotionele stabiliteit

‘De basis is niet dat een kind al op heel jonge leeftijd leert lezen, maar dat het emotionele stabiliteit ontwikkelt en de eigen persoonlijkheid maximaal kan ontplooien’, aldus Goorhuis-Brouwer. ‘Als dat laatste gebeurt, leren kinderen vervolgens alles wat ze aangeboden krijgen.’ Nu richt het onderwijs zich vanaf het vroegste moment vooral op het latere schoolsucces. ‘En dat gaat helemaal voorbij aan de eigen ontwikkeling van kinderen.’

Gedragsproblemen

‘Het aantal kinderen met gedragsproblemen neemt hand over hand toe. De scholen voor speciaal basisonderwijs zitten voller dan ooit, maar niemand vraagt zich af of dat misschien ook iets te maken heeft met ons onderwijssysteem’, constateert Goorhuis-Brouwer. ‘Je kunt peuters niet behandelen alsof het al echte leerlingen zijn. Neurologisch zijn ze daar nog helemaal niet klaar voor.’

Rupsjes Nooitgenoeg

Goorhuis-Brouwer vergelijkt peuters met Rupsjes Nooitgenoeg. ‘Ze eten zich vol aan alles wat ze krijgen aangeboden. Hoe er tegen ze wordt gesproken, welk spelmateriaal beschikbaar is, de mogelijkheden om fantasiespel te spelen of om te klimmen en klauteren… Aan de hand van al die zaken maakt elke peuter een heel eigen ontwikkeling door. Daardoor ontstaan ook verschillen tussen kinderen; ze verwerken het allemaal op hun eigen manier en in hun eigen tempo.’

Gespecialiseerde Pabo

Het probleem dat Goorhuis-Brouwer signaleert, wordt deels onderkend. Vanuit het onderwijs is er vraag naar een specialisatie op de pabo: een differentiatie tussen docenten voor oudere en jongere kinderen. ‘Na de afschaffing van de kleuterschool en de invoering van de basisschool 25 jaar geleden is de kennis over het jonge kind geleidelijk aan weggelekt. Veel leerkrachten weten nauwelijks nog hoe ze met jonge kinderen moeten omgaan.’

Goorhuis-Brouwer pleit voor een pabo-specialisatie voor het jonge kind. Net als minister Van Bijsterveld, die ook vindt dat de tweedeling bij de pabo moet terugkeren. ‘Daar ben ik heel enthousiast over’, aldus Goorhuis-Brouwer. ‘We moeten weer leerkrachten krijgen die methodes zien als inspiratiebron, in plaats van dat ze er volledig afhankelijk van zijn. Methodes worden nu maar al te vaak gebruikt als een kookboek; neem kind a, laat het b doen en dan krijg je c. Maar jonge kinderen kiezen zelf hoe ze informatie verwerken.’

Eigen manier van leren

Leerkrachten kunnen kinderen daarbij ondersteunen door ze goed te observeren. ‘Ze moeten oog krijgen voor de eigen manier van leren van jonge kinderen en ze uitdagen tot spel, rijmen en zingen. Pak je jonge kinderen op dezelfde manier aan als een kind van zes jaar of ouder, dan is dat ziekmakend,’ stelt Goorhuis. ‘Letterlijk.’

Een kind dat te vroeg informatie aangeboden krijgt die hij of zijn nog niet kan verwerken, loopt een groot risico op allerhande (gedrags)problemen. Faalangst bijvoorbeeld. Goorhuis-Brouwer: ‘Ik krijg regelmatig kinderen op het spreekuur die denken dat ze dom zijn. “Ik snap niet wat juf bedoelt”, zeggen ze dan. En vervolgens mogen ze in de klas niet spelen, maar moeten ze taakjes doen om hun achterstand weg te werken. Men denkt dat je daardoor kinderen vooruit helpt in de latere schoolprestaties, maar dat is absoluut niet het geval.’

Curriculum vitae

Prof.dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer (1946) studeerde orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen en volgde tegelijkertijd de opleiding logopedie-akoepedie. In 1977 werd zij staflid bij de disciplinegroep KNO van het UMCG. In 1988 promoveerde zij op een onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen bij kinderen. In 1999 werd zij benoemd tot bijzonder hoogleraar Spraak- en Taalstoornissen bij kinderen. Zij verricht onderzoek naar de epidemiologie van spraak- en taalproblematiek en de effecten van spraak- en taalproblemen op de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind.

20  reacties

G. Peters (November 24, 2010 at 12:59 pm)

Dit is mij uit het hart gegrepen! Ik ben heel blij met deze tendens/geluiden. Mijn kinderen zijn inmiddels volwassen, maar zijn opgegroeid in een tijd/omgeving waarin het kind steeds minder ruimte kreeg en prestaties het belangrijkst waren. Wij stonden en staan daar kritisch tegenover en hebben steeds goed moeten opletten dat de kinderen genoegen ‘eigen’ ontwikkelingsruimte kregen.

Helen (November 24, 2010 at 15:35 pm)

Ik ben blij om dit te lezen. Vorige week een gesprek gehad op school over mijn 5-jarige zoontje. Men denkt dat hij niet over kan naar groep 3, omdat hij zich niet lang genoeg kan concentreren. Nu wordt hij bij elke taak en werkje erbij geroepen. Thuis laat hij zien dat hij wel degelijk kan wat de juf hem vraagt, maar in de klas trekt hij zijn mond niet open!

Hannes Minkema (November 24, 2010 at 16:30 pm)

Mij lijkt de opvatting schadelijk dat per definitie een groep kinderen een ‘achterstand’ heeft. En dus een probleem heeft. En dat we dat probleem dus moeten oplossen.

Ter vergelijking: gaan we van alle mensen in de Amsterdamse Kalverstraat de lengte meten, en we maken daar een diagram van, dan krijg je een mooie belvormige curve, de normaalcurve: veel mensen met een gemiddelde lengte, minder korte en lange mensen, en véél minder écht korte en lange mensen.

Veel menselijke eigenschappen zijn zo verdeeld, ook intelligentie en schoolsucces: veel middelmatigen, weinig uitschieters naar boven of beneden.

Maar bij de kortste mensen in de Kalverstraat spreken we toch niet van een ‘groeiachterstand’? Die mensen gaan we toch niet volproppen met eten en vitaminen om te zien of ze wat langer willen worden? Die mensen zijn gewoon kort, en dat moeten we niet per se willen hoeven veranderen.

Zo is het ook met kinderen op school. Alle kinderen moeten leren, maar niet alle kinderen hoeven evenveel te leren. Gewoon omdat de een daar beter in is dan de ander. Het lijkt alsof we die simpele waarheid niet willen accepteren, en koste wat het kost de leerlingen met de laagste prestaties een ‘achterstand’ in de schoenen schuiven – alsof ze niet genoeg hun best deden, alsof ze een fout goed te maken hebben.

Het stigma van de continue ‘achterstanden’, van dat er iets mis met je is, ik zou wel eens willen weten hoe dát uitpakt op een kinderziel. Op de onderwijseconomie pakt het in ieder geval stevig uit, want er gaat behoorlijk wat tijd en geld zitten in pogingen om de ‘achterstanden’ weg te werken, in te halen. We zijn er al aan gewend dat juf en mees en de klassenassistent vooral aandacht moeten geven aan de ‘langzame’ kinderen, de kinderen met ‘achterstanden’. Alsof ze niet evenzeer de juf en de mees en de klassenassistent zijn van de andere kinderen, de gemiddelden en de bijzonder begaafden!

Ik denk dat we veel beter af zijn door niet steeds relatieve normen aan te houden, waarbij de onderste 25% van de leerlingen altijd ‘een achterstand’ aangewreven wordt. Maar het zou goed zijn als we werkten aan absolutere normen voor kennis- of vaardigheidsniveaus; voor wat kinderen van een zekere leeftijd in het algemeen horen te weten en te kunnen. Dan kan wel eens blijken dat meer dan 90% van de kinderen daar aan voldoet. Of, op een ander domein, maar liefst 50% van de kinderen extra aandacht verdient om bepaalde hiaten weg te werken.

Op die manier kun je ook een betere aansluiting tussen basisschool en voortgezet onderwijs creëren. Niet door de uitstroom te verdelen in percentages vmbo, havo en vwo, ongeacht wat ze kunnen en kennen. Maar juist door beter af te spreken wat leerlingen moeten kunnen en kennen om naar vmbo, havo en vwo door te stromen. Dat geeft meer inhoudelijke informatie voor een overdrachtsdossier dan een abstracte percentielscore met de interpretatie ‘achterstandskind’.

Yvonne (November 25, 2010 at 11:42 am)

Ook ik ben geraakt door dit artikel. Mijn zoontje van 9 krijgt af en toe zijn werk niet af op school. De juf straft hem dan door hem niet met de rest van de klas mee te laten doen met gym. Dan zit hij dus alleen in de klas z’n werk af te maken, terwijl de rest lekker aan het rondrennen is. Alsof een kind van 9 zo geïnspireerd raakt om eens even lekker door te werken. Ik heb moeite dit met de juf bespreekbaar te maken, zij vindt het belangrijk dat het werk af is en ik vind het belangrijk dat m’n kind kan rondrennen.

M.D. (November 25, 2010 at 21:14 pm)

Heel sterk artikel. Ik ben in 2001 afgestudeerd van de pabo (specialisatie jongste kind). Ik heb bijna zes jaar gewerkt met kleuters op een basisschool met vnl. allochtone kinderen. Hier heb ik heel veel geleerd. Mijn overtuiging is dat het reguliere basisonderwijs veel te weinig kind-gericht is. Ik heb bijvoorbeeld heel wat cito-toetsen afgenomen bij 4-,5- en 6-jarigen. Vaak dacht ik: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Vooral de jongste kleuters waren helemaal niet toe aan zo’n toets. De uitslag van de toets was altijd zeer bepalend voor het rapport. Het kwam vaak genoeg voor dat een kind een zwak kreeg voor een bepaald vormingsgebied vanwege de toets. Achterlijk!

Een nieuwe taalmethode Ik en Ko was zgn. je van het. Zin voor zin stond in de handleiding wat je tegen kinderen moest zeggen en wat je moest laten zien of de kinderen moesten vertellen of doen tijdens de taalactiviteiten. Zeer beperkend voor de creativiteit van leerkracht en leerling. Ik vond de methode extreem frustrerend om mee te werken. Dit is mijn persoonlijke mening.

Laat kinderen meer spelen in hoeken en met verschillende materialen. Meer gym. Meer buitenspel. Meer contact met de natuur. Meer liefde en acceptatie en vooral spontaniteit. Waarom een kind zijn natuurlijke gedrag gedwongen afleren? Op veel peuterspeelzalen in de grote steden wordt aan 2-jarigen al lesgegeven op een manier die niet geschikt is voor kinderen van die leeftijd. Allemaal uit angst voor taalachterstanden en wellicht winstbejag (Een uitgever moet natuurlijk ook zijn spullen kwijt).

Succesvolle tweede generatie allochtonen zij er. De vraag is: Wat waren nu de factoren die bijdroegen aan het succesvol zijn van alle mensen die uiteindelijk goed terecht zijn gekomen? Laten we ons daar nu eens op richten.

@Yvonne: Er zijn scholen die meer kind-gericht zijn. Bijvoorbeel montessori-onderwijs, vrije scholen, dalton-onderwijs. Ga eens googelen zou ik zeggen. Als ik directrice was op de school waar je zoon op zit zou ik eens een heel pittig functioneringsgesprek houden met die juf. Gym is geen extraatje maar een essentieel onderdeel van het onderwijs. Mocht zij dit niet kunnen snappen dan is ze wat mij betreft ongeschikt als leerkracht. Succes er mee!

Els (November 26, 2010 at 0:04 am)

Verkijk je ook niet op de kind-gerichtheid van Montessori e.d.

Onder druk van CITO-toetsen e.d. is daar ook veel veranderd, en naar mijn idee niet ten goede. Bovendien is mijn ervaring dat je ook bij deze scholen te maken hebt met een ’systeem’ dat (in bijna alle gevallen) belangrijker wordt gevonden dan de individuele (leer)behoefte van het kind. Mijn zoon heeft eerst op een Montessorischool gezeten, daarna op een Jenaplanschool, maar in beide gevallen liepen we daar tegenaan. Toen hij 11 was hebben we gekozen voor thuisonderwijs en dan kun je tenminste echt uitgaan van de behoefte van het kind zelf.

Laatst gewijzigd:30 november 2017 15:40

Meer nieuws

  • 15 november 2018

    Keuzegids 2019: RUG-opleidingen constant in de Nederlandse top

    Tien bacheloropleidingen aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) krijgen dit jaar van de Keuzegids Universiteiten het kwaliteitszegel Topopleiding, waarmee ze tot de top van het Nederlandse wetenschappelijke onderwijs behoren. In de categorie ‘Brede...

  • 12 november 2018

    Symposium 'Gaswinning, aardbevingen en wat nu?' op 15 november a.s.

    Het Groninger Universiteitsfonds (GUF) bestaat dit jaar 125 jaar. Tijdens een speciaal symposium met de titel ‘Gaswinning, aardbevingen en wat nu?’ op donderdag 15 november 2018, wordt daarom de 'Ubbo Emmiuspenning voor bijzondere maatschappelijke verdiensten'...

  • 06 november 2018

    Groningen blijft in trek bij Nederlandse en internationale studenten

    De Rijksuniversiteit Groningen telt per 1 november 2018 31.115 studenten met een ‘actieve eerste inschrijving’ voor een bachelor of masteropleiding. Dit is een stijging van 4,6% ten opzichte van 2017.Het totale aantal studenten dat ingeschreven is aan...