Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Dr. J.A. Nijboer: ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’

06 oktober 2010

Minimumstraffen zijn onnodig, ze tasten het fundament van het strafstelsel aan en ze kunnen rechters in ernstige gewetensnood brengen. Dat vindt dr. Jan Nijboer van het voorstel voor minimumstraffen in het regeerakkoord van het kabinet Rutte. Volgens Nijboer, criminoloog aan de RUG, zijn minimumstraffen slechts van toepassing op situaties waar rechters in de praktijk toch al forse straffen opleggen. De onvrede over de rechtspraak en het wantrouwen tegen rechters die uit het voorstel spreken zijn misplaatst, vindt hij.

In het regeerakkoord staat dat rechters verplicht worden een minimumstraf op te leggen aan mensen die binnen een termijn van tien jaar voor de tweede keer een zwaar geweldsdelict plegen. Het gaat daarbij om straffen waarop een wettelijke maximumstraf van twaalf jaar of meer staat. De rechter heeft onder zeer specifieke omstandigheden de mogelijkheid van de minimumstraf af te wijken. De details van het voorstel worden nog uitgewerkt. Nederland is overigens een van de laatste EU-landen waar minimumstraffen worden geïntroduceerd.

Non-discussie

Criminoloog Nijboer, specialist in criminaliteits- en veiligheidsbeleid, ziet niets in het kabinetsvoorstel. ‘Het heeft betrekking op uitzonderlijke situaties’, zegt hij. ‘Recidive is bij zware geweldsdelicten meestal niet aan de orde. Ze spelen zich veelal af in de relationele sfeer. En het komt bij moord en doodslag in relatieverband maar heel zelden voor dat iemand voor de tweede keer zoiets doet.’ En als dat al zo is, vult Nijboer aan, dan is het nauwelijks voorstelbaar dat een rechter dan een lichte straf oplegt. ‘Per saldo verandert er door de minimumstraffen dus niks. Ik beschouw het als een non-discussie.’

Ook voor de aanpak van veelplegers, een belangrijke bron van onveiligheidsgevoelens, helpt het voorstel volgens Nijboer niet. Dat is geen dadercategorie die zich doorgaans schuldig maakt aan zware misdrijven. En wat betreft zware criminelen? Nijboer: ‘Die krijgen ook zonder verplichte minimumsanctie wel een forse straf van de rechter opgelegd. En als iemand vanuit zijn gestoordheid flink geweld pleegt en tbs krijgt opgelegd, dan zit hij in de praktijk een lange tijd vast. De laatste jaren is de duur van de tbs flink toegenomen.’

Gewetensnood

Daarnaast noemt Nijboer een meer principieel bezwaar. Minimumstraffen ontnemen volgens hem rechters de mogelijkheid een goede afweging te maken. ‘Een minimale strafhoogte kan rechters in ernstige gewetensnood brengen’, betoogt Nijboer. ‘De rechter, die de relevante feiten en omstandigheden kent, kan echter vinden dat die straf niet in verhouding staat tot de mate van schuld van de dader. Denk bijvoorbeeld aan levensbeëindiging op verzoek, als dat gebeurt door iemand die geen arts is of een arts die de procedure niet helemaal goed gevolgd heeft. Dan gaan rechters naarstig op zoek naar manieren om onder de verplichte strafmaat uit te komen.’

Nijboer verwijst naar onderzoek van de Raad voor de Rechtspraak naar de ervaringen met minimumstraffen in andere landen. Daaruit blijkt dat rechters zich in dergelijke gevallen inderdaad klem gezet voelen en dan naar uitwegen zoeken. Rechters hebben overigens allerminst de ruimte om zonder meer een strafmaat te bepalen, vult Nijboer aan. Er zijn landelijke richtlijnen en de consistentie van de rechtspraak wordt nu ook al goed in de gaten gehouden.

Onvrede

Uit het voorstel van het kabinet Rutte spreekt een grote mate van onvrede over het functioneren van rechters en een wantrouwen tegen de rechterlijke macht in het algemeen, aldus Nijboer. Maar hoe terecht is dat wantrouwen en hoe breed gedragen? Het argument dat de straffen in Nederland niet streng genoeg zijn gaat in elk geval niet op, zegt Nijboer. ‘Rechters zijn in de voorbije jaren al strenger gaan straffen. Vooral bij geweldsmisdrijven. Een misdrijf als tasjesroof werd voor 1990 meestal afgedaan als eenvoudige diefstal, maar nu als diefstal met geweld, waar een veel zwaardere straf op staat. Ook uit de stijging van het aantal keren dat levenslang wordt opgelegd, blijkt dat er reeds een tendens aanwezig is naar strenger straffen.’

Supermarktdenken

Ondanks dit alles neemt de roep om hogere straffen alleen maar in kracht toe, constateert Nijboer. Onveiligheidsgevoelens door overlast en criminaliteit spelen hierbij een prominente rol. ‘Voorstanders van minimumstraffen beweren dat burgers, slachtoffers en nabestaanden door de rechtspraak onvoldoende bediend worden. Niet voldoende in hun verlangen naar vergelding en niet in hun behoefte aan meer veiligheid. Beide zouden bevorderd worden door strenger straffen, minimumstraffen, hogere maxima, inperking van taakstraffen.’

Politieke partijen voelen zich gedwongen mee te gaan in de publieke opinie en dragen zwaardere straffen aan als oplossing voor deze problemen, aldus Nijboer. En er is geen politicus die zich op dit punt nog soft durft op te stellen. ‘De onderbouwing van het idee dat zwaarder straffen nodig is, komt op de tweede plaats. “Supermarktdenken” noemt ik dat. Als er vraag is naar een product, dan komt dat in de schappen. Voor een supermarkt is dat een goede strategie. Maar niet voor politici, want door gebrek aan vertrouwen in de rechter als een gegeven te beschouwen, ondermijnen zij het vertrouwen in de rechtsstaat.’

Nijboer vindt dat zowel burgers als politici zich beter op de hoogte dienen te stellen van hoe er gestraft wordt en waarom. ‘Wanneer mensen meer weten over de omstandigheden van het delict en van de dader dan matigt het hun oordeel, ook al blijft er wel een verschil in beoordeling tussen burger en rechter bestaan. Uit onderzoek blijkt tevens dat burgers van rechters niet per sé strengere straffen eisen. Ze vinden het belangrijker dat rechters rechtvaardig zijn.’ De invoering van minimumstraffen roept ook de vraag op wanneer de straffen streng genoeg zijn, besluit Nijboer. ‘Als de roep om vergelding verstomt? Of wanneer we in een veilige maatschappij leven?’ Nooit dus.

Curriculum Vitae

Jan Nijboer is universitair hoofddocent Criminologie bij de vakgroep Strafrecht en Criminologie. Hij studeerde cum laude af aan de Rijksuniversiteit van Groningen als socioloog met specialisatie onderwijssociologie. Hij is sinds 1971 als docent en onderzoeker verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn belangstelling gaat vooral uit naar jeugdcriminaliteit, geweldscriminaliteit en maatschappelijke en strafrechtelijke reacties op criminaliteit en onveiligheid.

Noot voor de pers

Voor meer informatie: Jan Nijboer

Laatst gewijzigd:23 juli 2018 15:04
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws