Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Marco van der Schuur: PhD student Latijnse taal en letterkunde

18 oktober 2010
Portret Marco

Vanaf 1 september dit jaar ben ik aan de RUG verbonden als promovendus Latijnse letterkunde. Ik heb GLTC gestudeerd aan de VU in Amsterdam, en al tijdens het schrijven van mijn Bachelorscriptie werd mijn interesse vooral gewekt door het verschijnsel intertekstualiteit: wat betekent het voor de interpretatie van een literaire tekst als de ene schrijver verwijst naar de andere? Ook heb ik in die tijd een voorkeur voor de wat meer exotische takken van de Latijnse poëzie ontwikkeld, bijvoorbeeld het toneel van Seneca. In mijn eerste scriptie heb ik dan ook onderzocht op welke manier Seneca het doden en eten van kinderen in Ovidius’ verhaal van Tereus en Procne verwerkt in zijn eigen gruwelijke drama Thyestes.  

Omdat dit eerste intertekstuele avontuur goed was bevallen, heb ik me gedurende mijn onderzoeksmaster verder verdiept in de Latijnse literatuur van de eerste eeuw en de theorie en praktijk van intertekstualiteit. Uiteindelijk kwam, in papers geschreven in Cambridge over Lucanus en Valerius Flaccus, het zwaartepunt te liggen bij het epische genre.  De Masterscriptie tenslotte bracht het toneel van Seneca en het epos na Vergilius bij elkaar. Verschillende mythen rondom Thebe komen immers voor in het werk van Ovidius (boek 3 en 4 van de Metamorphoses) en Seneca (Oedipus en Phoenissae), en vormen daarnaast het onderwerp van Statius’ epos Thebais. Het interessante hierbij is dat de drie auteurs steeds een generatie later schrijven, en ook grofweg ieder een eigen Thebaanse generatie behandelen. Een goede invalshoek dus om zowel de verschillende literaire mogelijkheden van de Thebaanse mythen als de ontwikkeling van de Latijnse literatuur in de eerste eeuw in detail te analyseren.

Mijn huidige onderzoek heeft een vergelijkbare methode, maar betreft een omvangrijker corpus teksten. Doel is de interactie tussen epos en tragedie in de Latijnse literatuur uit de vroege keizertijd in kaart te brengen. Vertrekpunt vormt opnieuw de Metamorphoses, waarmee Ovidius in reactie op de Aeneis een eigenzinnig alternatief epos schrijft, waarin verhalen die soms compleet verschillende werelden oproepen probleemloos naast elkaar bestaan.  De eerste dichter die systematisch reageert op beide epen is Seneca, die in zijn gewelddadige tragedies verschillende “opties” van Ovidius nader uitwerkt, bijvoorbeeld die van een wereld waarin mensen de goddelijke orde omverwerpen. In het werk van beiden wordt Vergilius’ idee van een kosmos die doel en zin heeft soms radicaal omver geworpen. Voor iedere latere epische dichter geldt dan ook dat hij zich niet alleen tot de Aeneis, maar ook tot Ovidius en Seneca zal moeten verhouden. In mijn onderzoek zullen dan ook, naast Seneca’s interactie met het epische genre, de reacties van de epische dichters Lucanus en Statius op het werk van Seneca centraal staan.

Laatst gewijzigd:16 september 2016 11:51

Meer nieuws