Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Oeros leefde rond 600 na Chr. nog in Nederland

09 december 2008

Archeologische onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben ontdekt dat de oeros, de voorloper van onze koe, langer in ons land heeft geleefd dan werd aangenomen. Uit een recente vondst van botresten van een hoornpit in Holwerd (Friesland) blijkt dat de oeros rond 600 na Christus uitstierf en niet in de vierde eeuw.

De allerlaatste oeros stierf in 1627 in Polen. De gevonden hoornpit - de benen kern van de hoorn - werd in januari 2008 in een terp bij Holwerd opgegraven door amateur-archeoloog Lourens Olivier uit Ternaard. Het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen stelde vast dat het gaat om de linker hoornpit van een oerosstier. Uit C14-onderzoek bleek vervolgens dat de hoornpit dateert uit de jaren 555 tot 650 na Chr.

Een hoornpit is de benen kern van een hoorn van een runderachtige. Toen de oeros nog leefde, was de hoornpit bedekt met een schede van hoorn. Deze hoornschede is in de bodem vergaan. De grootste kromming van de hoornpit uit Holwerd is 59 cm lang. De hele hoorn, inclusief de hoornschede, zal ten minste 70 cm lang zijn geweest.

De oeros was veel groter dan de koe, ofwel het huisrund, zoals we die tegenwoordig kennen. Oerosstieren hadden een schofthoogte tussen 160 en 180 cm, oeroskoeien tussen 140 en 150 cm. De runderen die rond 600 na Chr. op de Friese terpen werden gefokt, hadden schofthoogten tussen 90 en 120 cm. Hun hoornpitten waren hoogstens 25 cm lang.

Jagers en de eerste boeren in Nederland maakten jacht op de oeros. Uiteindelijk stierf de oeros in Nederland uit, niet alleen door de jacht, maar vooral doordat het landschap steeds meer werd gebruikt voor akkerbouw en veeteelt en de menselijke bevolking toenam.

Oerosbotten werden eerder gevonden bij archeologische opgravingen op verschillende vindplaatsen uit de Romeinse tijd in het Nederlandse rivierengebied. Ook in de terpen en wierden van Friesland en Groningen werden eerder oerosbotten gevonden. Daarvan is alleen het vrijwel complete skelet van een oeros uit de terp van Britsum (Friesland), op 15 km afstand van Holwerd, gedateerd: tussen 257 en 421 na Chr. Lange tijd werd gedacht dat dit de laatste oerosvondsten in Nederland waren en dat de oeros in Nederland in de vierde eeuw na Chr. uitstierf. De horenpit uit Holwerd laat zien dat de oeros na de vierde eeuw nog ten minste 150 tot 250 jaar op de Friese kwelders leefde.

De vondst is beschreven in de nieuwsbrief “Van Wierden en Terpen” van de Vereniging voor Terpenonderzoek, die op 4 december 2008 verscheen.

Nadere informatie: mw.dr. W. Prummel, universitair hoofddocent Archeologie, tel. 050-3636732, e-mail: W.Prummel@rug.nl

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:12
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws

  • 04 december 2017

    Strip over dialectonderzoek Martijn Wieling (video)

    Een strip maken over je onderzoek. Dat doet lang niet elke wetenschapper. Taalonderzoeker Martijn Wieling van de afdeling Informatiekunde koos er wel voor. Wieling doet met een articulograaf onderzoek naar tongbewegingen bij dialectsprekers. Met de...

  • 28 november 2017

    Samenwerking gemeenten bespaart geen geld

    Anders dan gedacht verlaagt samenwerking tussen gemeenten de uitgaven van gemeenten niet. Ook leidt samenwerking niet tot een meetbare verbetering van de gemeentelijke voorzieningen. Dat schrijven Maarten Allers en Tom de Greef van het Centrum voor...

  • 27 november 2017

    #PanoramaRomantica in het Groninger Museum

    Speciaal voor de aanstaande tentoonstelling De Romantiek in het Noorden en de huidige expositie Ook Romantiek in het Groninger Museum, heeft het Reality Center van de Rijksuniversiteit Groningen een virtueel panorama ontwikkeld: #PanoramaRomantica....