Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Dr. Mirjam Plantinga, mr. Albertjan Tollenaar:  ‘Work First: best practice of worst case?’

08 april 2008

Het re-integreren van langdurig werklozen en bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces staat in het brandpunt van de belangstelling. Bijna wekelijks werd in de afgelopen maanden een nieuw onderzoek uitgebracht over dit beleidsprobleem. De Work First benadering krijgt in de evaluaties steevast een positieve belichting. Dit beeld verdient echter bijstelling. Erg overtuigend onderbouwd wordt de effectiviteit van het middel namelijk niet.

Door: Mirjam Plantinga en Albertjan Tollenaar

Work First kent zijn oorsprong in de Amerikaanse staat Wisconsin. In de Work First benadering moeten uitkeringsgerechtigden werkzaamheden verrichten voor hun uitkering. Deze verplichting benadrukt het wederkerige karakter: een uitkering krijg je niet voor niets, je moet er iets voor doen. Een ander motief is het verbeteren van de werkattitude van de uitkeringsgerechtigde, zodat deze niet wegzinkt in het moeras van de uitkering en snel weer aan de slag kan.

Met de introductie van de Wet werk en bijstand deed de Work First benadering ook zijn intrede in Nederland. In de structuur, die met deze wet is geïntroduceerd, voelen gemeenten de financiële gevolgen van het aantal bijstandsgerechtigden. Gemeenten hebben er dus belang bij om het aantal uitkeringsgerechtigden terug te dringen. Omdat Work First in de Verenigde Staten zijn nut heeft bewezen, is het als ‘best practice’ omarmd. Recente evaluatieonderzoeken concluderen dat Work First inderdaad effectief is, omdat een grote groep aanvragers onder de dreiging van de verplichte arbeid afziet van het aanvragen van een bijstandsuitkering. Bovendien stroomt ook een deel van de uitkeringsgerechtigden door van de Work First-baan naar een betaalde baan.

Is dit positieve beeld terecht? Deze vraag dringt zich op, omdat het voornaamste effect van Work First niet een toename van de uitstroom, maar een afname van de instroom is. De reductie van de instroom gaat onvermijdelijk ten koste van het andere doel dat met bijstand wordt beoogd, namelijk het bieden van een inkomenswaarborg aan hulpbehoevenden. Het is onduidelijk wat er gebeurt met degenen die onder dreiging van een Work First verplichting afzien van het aanvragen van een uitkering. Wellicht vinden zij uit zichzelf een baan, maar het is ook niet ondenkbaar dat zij in het grijze of zwarte circuit of zelfs in de criminaliteit belanden. Voordat het succes van Work First wordt bejubeld, is dus eerst meer onderzoek naar deze groep noodzakelijk.

Een andere kanttekening betreft de selectiviteit van het middel. Work First leidt weliswaar tot een uitstroom van uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt, maar deze uitstroom is beperkt tot diegenen die op een kleine afstand van de arbeidsmarkt staan. Mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt - mensen die bijvoorbeeld een verkeerde vooropleiding hebben - zijn lang niet altijd geholpen met Work First.
Voor hen geldt dat het perspectief op een duurzame uitstroom afhankelijk is van het volgen van opleidingen en langdurige ondersteuning. Gemeenten zullen echter onder de prikkels van de Wet werk en bijstand niet snel geneigd zijn om in deze groep te investeren. Zonder investeringen in hun toekomstperspectief zijn onzekere, laagbetaalde banen met slechte toekomstperspectieven het hoogst haalbare.

Deze schaduwzijde van Work First is in de Verenigde Staten al doorgedrongen. Amerikaans evaluatieonderzoek laat zien dat Work First heeft geleid tot minder aandacht voor scholing en duurzame uitstroom, met als gevolg dat velen uit de uitkering in slecht betaalde banen blijven steken. In Nederland lijkt men de ogen te sluiten voor deze neveneffecten. Weliswaar kan Work First een prima functie vervullen bij het onderzoeken van de beperkingen en mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde, maar voor een duurzame uitstroom zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk.

Van belang is dat het voor gemeenten financieel aantrekkelijker wordt gemaakt te investeren in de zogenaamde moeilijke doelgroepen die zich op een grote afstand van de arbeidsmarkt bevinden. Het voornemen van het kabinet om participatieplaatsen te creëren die zijn toegesneden op de individuele capaciteiten van uitkeringsgerechtigden, is daarom een stap in de goede richting. Door meer aandacht te besteden aan het versterken van de arbeidsmarktpositie van burgers en minder te mikken op succes op korte termijn, kan voorkomen worden dat Work First uitgroeit van een best practice naar een worst case.


De auteurs zijn als postdoc onderzoekers werkzaam bij de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen en maken deel uit van het onderzoeksteam ‘Public Governance in the Welfare State’.

Informatie:

Dr. M. Plantinga, tel.: 050-363 5760, e-mail: m.plantinga@rug.nl
Mr. A. Tollenaar, tel.: 050-363 5394, e-mail: a.tollenaar@rug.nl

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:11
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws

  • 11 september 2018

    Van Klokhuis-vraag naar Veni-subsidie

    Als kind was Jorrig Vogels al gefascineerd door taal en vergeleek hij de verschillende woorden voor ingrediënten op verpakkingen. Een jaar terug sleepte de taalonderzoeker een Veni-beurs in de wacht. ‘Taal heeft iets telepathisch: het beeld dat ík in...

  • 07 september 2018

    Constructief overleg – gezamenlijke overeenkomst

    Na een intensief en constructief gesprek met de actievoerende studenten van studentenpartij DAG en ROOD (jongeren SP) is donderdagavond een gezamenlijke overeenkomst bereikt op vier punten, vooral gericht op de lange termijn.

  • 04 september 2018

    Weg met die systeemplafonds

    Als Zuidlarens jongetje vond hij al die oude gebouwen in de stad Groningen maar niks. De interesse in historische panden kwam pas later, tijdens zijn studie Bouwkunde. Als bouwkundige is René Bosscher nu verantwoordelijk voor de buitenkant van de gebouwen...