Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

021 - Gemeenten en provincies hebben grote stille financiële reserves

21 februari 2007

Gemeenten in Nederland bezitten samen 6,5 miljard euro aan stille reserves en provincies 6,4 miljard euro. Een deel van deze middelen komt vrij wanneer gemeenten en provincies hun aandelen in de energiebedrijven mogen verkopen. Het nieuwe kabinet wil 800 miljoen euro van de provinciale vermogens afromen. Herverdelen of afromen valt echter niet aan te raden. Dit blijkt uit onderzoek van Eduard Gerritsen van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO). Hij promoveert op 8 maart 2007 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Gemeenten en provincies moeten hun aandelenbezit volgens de voorschriften tegen de aankoopwaarde op de balans zetten. De actuele waarde ligt vaak aanmerkelijk hoger. Het verschil wordt stille reserve genoemd. Het grootste deel van de stille reserves zit in het bezit van aandelen in energiebedrijven. Gemeenten hadden eind 2000 stille reserves ter waarde van 6,5 miljard euro, waarvan 3,9 miljard euro in energiebedrijven. De 12 provincies bezitten in 2004 zelfs 5,8 miljard euro aan stille reserves in deelnemingen in energiebedrijven. De komende jaren kan een deel van deze miljarden vrij beschikbaar komen, zodra de aandelen mogen worden verkocht.

Grote verschillen tussen gemeenten en provincies

De verschillen tussen de individuele gemeenten en provincies zijn aanzienlijk. De stille reserves per inwoner van gemeenten lopen uiteen van -100 euro (Best) tot 2193 euro (Diepenheim, opgegaan in Hof van Twente). Gemiddeld hadden gemeenten in 2000 405 euro aan stille reserves per inwoner, ofwel 16 procent van hun begrote uitgaven.

De waarde van de stille reserves van provincies loopt uiteen van 11 euro per inwoner (Zuid-Holland) tot meer dan 1604 euro (Zeeland). Per inwoner hebben provincies net iets minder stille reserves dan gemeenten (393 euro in 2004), maar als percentage van hun uitgaven hebben provincies bijna 10 keer zoveel eigen vermogen (144 procent van de jaarlijkse uitgaven). Sommige provincies hebben nauwelijks stille reserves omdat ze de aandelen al hebben verkocht (Utrecht en Zuid-Holland) of nooit veel aandelen hebben gehad (Flevoland). Zeven provincies hebben stille reserves die hoger zijn dan hun jaarlijkse uitgaven. Gelderland en Zeeland hebben zelfs stille reserves in aandelen die 3,5 keer hun jaarlijkse budget bedragen.

Regeerakkoord

Het nieuwe kabinet heeft in zijn regeerakkoord afgesproken 800 miljoen euro van de provinciale vermogens af te romen. De grote omvang van de reserves van de provincies en de ongelijke verdeling ervan kan ingrijpen van de rijksoverheid rechtvaardigen. Volgens Gerritsen is het dit toch geen goed idee. Rijksbemoeienis doet afbreuk aan de autonomie van gemeenten en provincies en kan bovendien leiden tot het straffen van zuinige overheden en het belonen van gemeenten en provincies die hun eigen vermogen “over de balk” hebben gegooid. Daarnaast kunnen normen en angst voor herverdelen of afromen tot ongewenste en schadelijke gedragsreacties leiden. Praktische bezwaren zijn echter doorslaggevend. Het ontbreekt op dit moment simpelweg aan de benodigde informatie. Het is op dit moment niet goed mogelijk de gewenste vermogensomvang van gemeenten en provincies te bepalen. Hoeveel eigen vermogen zij nodig hebben hangt af van veel verschillende factoren (zoals risico’s), die vaak moeilijk zijn te kwantificeren.

Gevaar voor verspilling

Een overheid zou, ongeacht waar de middelen vandaan komen, elke (potentiële) uitgave moeten afwegen tegen het belastingoffer van de burger. In de praktijk wordt een dergelijke afweging bij besteding van meevallers en overtollige reserves vaak niet gemaakt. Zelden leiden deze tot belastingverlaging. Bestuurders zijn geneigd om de middelen te herbestemmen aan voorzieningen waarvoor men aanvankelijk niet bereid was de belastingen te verhogen. Zo worden de overheidsuitgaven eigenlijk te hoog.

Gemeenten en provincies moeten bij de besteding van vrijgevallen reserves niet alleen kijken naar mogelijke bestedingsdoelen, maar ook naar de mogelijkheid de reserves terug te geven aan de burger.

Curriculum Vitae

Drs. E. Gerritsen (Apeldoorn, 1974) studeerde econometrie in Groningen. Het onderzoek werd uitgevoerd bij en gefinancierd door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), verbonden aan de Faculteit der Economische Wetenschappen van de RUG. Gerritsen promoveert tot doctor in de Economische Wetenschappen bij prof. dr. C.G.M. Sterks en dr. M.A. Allers. De titel van zijn proefschrift is Vermogensstructuur van decentrale overheden: theorie en empirie.

Noot voor de pers

- Meer informatie: dr. E. Gerritsen, tel. (050) 363 37 07, e-mail e.gerritsen@rug.nl/ coelo@rug.nl of via www.coelo.nl.

- Het volledige proefschrift is te downloaden vanaf www.coelo.nl of te bestellen via coelo@rug.nl (50 euro).

- E. Gerritsen, Vermogensstructuur van decentrale overheden: theorie en empirie, COELO, Groningen, ISBN 978-90-76276-99-1.

Tabel     Stille reserves gemeenten (in 2000) en provincies (in 2004)

Stille reserves gemeenten 2000

Stille reserves provincies 2004

Totaal

in euro’s

Euro’s per inwoner

Als % van uitgaven

Totaal

in euro’s

Euro’s per inwoner

Als % van uitgaven

Totaal

6,5 mld

405

14%

6,4 mld

393

144%

Laagste

-100

-4%

11

6%

Hoogste

2193

104%

1604

355%

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:26

Meer nieuws