Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

005 - Groningse onderzoekers ontdekken bijzonder vrouwtje

15 januari 2007

Het begon allemaal met een ‘onhandige’ student. En het resulteerde in de ontdekking van een heel bijzonder vrouwtje. De Groningse bioloog prof.dr. Leo Beukeboom heeft een sluipwesp ontdekt met haploïde vrouwtjes – een fenomeen dat, op één geval na, nog nooit eerder in de natuur is waargenomen. De ontdekking is 12 januari 2007 gepubliceerd in het prestigieuze Amerikaanse tijdschrift Science.

‘Sluipwespen zijn onopvallende beestjes, maar spelen wel een heel belangrijke rol in de natuur,’ legt Leo Beukeboom uit. ‘Zonder sluipwespen zou de wereld er heel anders uitzien.’ Sluipwespen – er zijn wereldwijd ongeveer een miljoen soorten – parasiteren op andere insectenpopulaties en zorgen zo ervoor dat deze populaties niet te groot worden.

Geslachtsbepaling

Beukeboom is gespecialiseerd in de evolutie van geslachtsbepaling bij sluipwespen, die samen met de mieren, bijen, wespen en bladwespen tot de vliesvleugeligen behoren. Sluipwespen hebben een heel andere manier van geslachtsbepaling dan mensen. Als een eitje bevrucht wordt, komt er een vrouwtje uit. Als het eitje niet bevrucht wordt, komt er een mannetje uit. Een sluipwespvrouwtje is dus altijd diploïd: ze heeft in haar cellen twee exemplaren van elk chromosoom. Een mannetje is haploïd: zijn cellen bevatten maar één exemplaar van elk chromosoom.

Onhandige student

‘Haploïde vrouwtjes kwamen, voorzover bekend, helemaal nergens in de natuur voor, behalve bij een bepaald soort mijt,’ vertelt Beukeboom. Tot een aantal jaar geleden een nieuwe Canadese sluipwesplijn –- behorende tot de soort Nasonia vitripennis –- bezorgd werd bij de Amerikaanse onderzoeker John Werren. ‘John vroeg vervolgens een van zijn studenten om de mannetjes van de vrouwtjes te scheiden. Dat is erg gemakkelijk werk. De student kwam echter een tijdje later bij hem terug met de mededeling dat hij het zo moeilijk vond om de mannetjes van de vrouwtjes te onderscheiden. “Die jongen kan ook helemaal niks,” dacht John en hij ging de beestjes eens zelf bekijken. En wat bleek? De “onhandige” student had gelijk. Een aantal van de wespen van die veldlijn bleek gynandromorf te zijn, oftewel ze bezaten mannelijke én vrouwelijke eigenschappen.’

Grote verrassing

Omdat Beukebooms groep gespecialiseerd is in geslachtsbepaling, is het onderzoek aan deze lijn voortgezet in Groningen. Door selectie en het opkweken bij hoge temperaturen lukte het zijn medewerker dr. Albert Kamping om uit onbevruchte eieren niet alleen gynandromorfen te verkrijgen, maar ook individuen die volledig vrouwelijk waren en dus geen mannelijke eigenschappen bezaten. Beukeboom: ‘Tot onze grote verrassing bleken deze vrouwtjes haploïd te zijn.’ En daarmee is Nasonia vitripennis, naast die ene mijt, het enige insect waar haploïde vrouwtjes voorkomen.

Biologische bestrijding

Beukeboom: ‘In het wild zul je dit soort vrouwtjes niet veel zien, want ze zijn bijna altijd steriel en kunnen zich niet verder voortplanten. Ze spelen dus geen enkele rol in de natuur. Maar vanuit mechanistisch oogpunt zijn ze bijzonder interessant. Het fenomeen toont onder andere aan hoe snel geslachtsbepalingsystemen evolueren en het geeft ons meer aanwijzingen over hoe de geslachtsbepaling bij de sluipwesp in zijn werk gaat. Dit is namelijk nog steeds een groot raadsel.’

Meer kennis over dit proces is van groot belang voor de biologische bestrijding met behulp van sluipwespen. Daarbij zijn alleen de vrouwtjes van belang. Alleen zij parasiteren op andere insecten. Mannen zorgen voor een beetje genetische diversiteit, maar voeren verder niets uit. beukeboom: ‘Met meer kennis over de geslachtsbepaling zou je gemakkelijker vrouwtjes kunnen kweken. Daarnaast gebruiken we de gynandromorfen in paringsexperimenten om uit te zoeken welke onderdelen van het lichaam worden gebruikt in de partnerkeuze van de beide geslachten.’

Curriculum vitae

Leo Beukeboom (1962) studeerde biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Na zijn promotie in 1992 aan de Universiteit van Rochester werkte hij als onderzoeker bij het Max-Planck-Institut en de Universiteit van Leiden. In 2001 werd hij aangesteld als hoogleraar in de evolutionaire genetica aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn medewerker Albert Kamping (1949) promoveerde in 2000 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het onderzoek werd mede gefinancierd door een PIONIER-beurs van het NWO.

Noot voor de pers

Prof.dr. Leo Beukeboom, (050) 363 8448 (werk), e-mail: l.w.beukeboom@rug.nl

Dr. Albert Kamping, (050) 363 2125 (werk), e-mail: a.kamping@rug.nl

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:26

Meer nieuws