Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

069 - Religieuze hervormsters waren zelfbewust, actief en zelfstandig

Middeleeuwse levensverhalen van vrome vrouwen
15 juni 2004

Het beeld dat vrouwen in de Middeleeuwen passieve, devote en gehoorzame wezens waren, mag de prullenbak in. Dat stelt Anne Bollmann, die de levensbeschrijvingen van en voor vrouwen binnen de Moderne Devotie in de vijftiende en zestiende eeuw onderzocht. ‘Deze religieuze hervormingsbeweging werd grotendeels door vrouwen gedragen. Zij waren stichters en leidsters van vele conventen en droegen de uitgangspunten van de Moderne Devotie actief uit. Bovendien waren ze veel individualistischer ingesteld dan blijkt uit de geschriften van mannen uit hun tijd.’ Bollmann promoveert op 28 juni 2004 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

De Moderne Devotie is een beweging die eind veertiende eeuw in gang werd gezet door de Deventer patriciërszoon Geert Grote (†1384). Hij wilde terugkeren naar de oorspronkelijke leer van de vroege kerk en eiste dat men moest leven volgens de drie kardinale deugden: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Vanuit het Meester Geertshuis in Deventer verspreidde de beweging zich snel over Europa. Ze was vooral sterk aanwezig in Hanzesteden, zoals Deventer, Zwolle en Kampen en in het Westfaalse en Nederrijnse gebied met steden zoals Münster en Emmerik.

Dagboeken

Qua uitgangspunten was de Moderne Devotie conservatief, maar qua aanpak heel modern, vindt Bollmann. Preken mochten de vrouwen niet, maar ze verspreidden hun geloofsideaal actief onder het volk door het voorlezen van stichtelijke verhalen. Bijzonder is dat zij hun spirituele ontwikkeling bijhielden in dagboeken. Ze deden dat heel bewust in de volkstaal en niet in het Latijn. Bollmann: ‘Zusters vertelden elkaar over het leven van hun overleden zusters aan de hand van deze dagboekaantekeningen en hun eigen herinneringen. Deze mondelinge overlevering zijn ze op een gegeven moment gaan opschrijven in "viten" (van het Latijnse vitae, levens). Deze viten zijn later gedeeltelijk in "devote zusterboeken" gebundeld.’ De verhalen hadden een didactisch doel en waren alleen bestemd voor binnen de gemeenschap zelf. Dat blijkt volgens Bollmann wel uit de soms kritische toon van de viten die ze bijvoorbeeld schreven over de biechtvaders van Emmerik: ‘Ik kan me niet voorstellen dat die heren ze ooit onder ogen hebben gehad!’

Individualiteit

Uit de verhalen spreekt individualiteit. Deze aandacht voor de persoonlijkheid van de mens wordt eerder met de Renaissance geassocieerd dan met de laatmiddeleeuws periode. ‘Van de individuele zusters wordt duidelijk beschreven hoe ze er uitzagen en wat ze voor bijzonderheden hadden. Wat ook opvalt is de vanzelfsprekendheid waarmee ze hun geloof beleefden. Ze waren er trots op dat ze dit leven konden leiden en vonden hun geloof sterker dan dat van "gewone" kloosterlingen. Zij moesten immers ieder dag opnieuw beslissen of ze wilden blijven of niet.’ In tegenstelling tot de viten van broeders zijn die van de zusters zeer direct en levendig. ‘Ze gaan over heel gewone dingen, bijvoorbeeld over een zuster die liever had willen trouwen, een zuster die er niet van hield om voor zieken te zorgen of een zuster die er opvallend gekleed was. Een prachtig verhaal is dat van de Emmerikse zuster die als kruidenvrouw veel buiten was. In de winter droeg ze een schapenvel tegen de kou. Toen ze op die manier gekleed en bespat met modder een keer een kerk binnenging, stoven de kerkgangers verschrikt naar buiten. Ze dachten dat zij de duivel was.’

‘Dom’

Pas vanaf de negentiende eeuw is de Moderne Devotie actief bestudeerd. Godsgeleerden en neerlandici noemden de vrouwelijke devoten vaak uitgesproken dom, omdat ze in de volkstaal schreven. Bovendien waren ze volgens deze geleerden in vergelijking met ‘gewone’ kloosterlingen niet devoot genoeg: in de zusterboeken kwamen maar weinig wonderen en visioenen voor. Hun alledaagse verhalen werden zelfs als bewijs beschouwd van de neergang van de vroomheid in deze periode. Dit beeld is niet terecht, vindt Bollmann. Zij maakt duidelijk dat de rol van deze vrouwen veel genuanceerder moet worden gezien dan in het verleden werd gedaan en dat zij bovendien een zeer belangrijke en actieve rol gespeeld hebben in de geloofsbeleving aan de vooravond van de Hervorming.

Curriculum Vitae

Drs. Anne Bollmann (Münster, juli 1963) studeerde Duitse taal- en letterkunde, geschiedenis en Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Münster (BRD). Ze verrichtte haar promotieonderzoek in het kader van het cultuurhistorisch onderzoeksprogramma ‘Cultural Change – dynamics and diagnosis’ binnen de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit te Groningen. Zij is inmiddels werkzaam als postdoc bij het Instituut voor Cultuurhistorisch Onderzoek Groningen (ICOG) van de RUG. Anne Bollmann promoveert op 28 juni 2004 tot doctor in de Letteren. Promotoren zijn prof. dr. A.A. MacDonald, prof. dr. V. Honemann (Münster) en prof. dr. B. Hamm (Erlangen-Nürnberg). Copromotor is dr. A.B. Mulder-Bakker. De titel van haar proefschrift luidt Frauenleben und Frauenliteratur in der Devotio moderna. Volkssprachige Schwesternbücher in literarhistorischer Perspektive. De handelseditie van het proefschrift verschijnt in de kerkhistorische reeks ‘Spätmittelalter und Reformation’ (Tübingen: Mohr Siebeck).

Noot voor de redactie

Meer informatie: Anne Bollmann, telefoon (050) 363 72 62 (werk), e-mail: a.m.bollmann@let.rug.nl.

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:34

Meer nieuws