Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Te veel belemmeringen voor duurzaam hout

14 maart 2003

Een wetsvoorstel ter bevordering van duurzaam geproduceerd hout ligt nu bij de Tweede Kamer, maar de mogelijkheden om het aandeel van dit hout op de Nederlandse markt te vergroten, worden belemmerd. Dat blijkt uit onderzoek van de Wetenschapswinkel Economie & Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen. De oorzaken zijn: een sterk gepolariseerde discussie over de vraag hoe de kwaliteitscontrole op certificaten er uit moet zien, een nogal passieve houding van de overheid tot dusverre en tot slot onwil, vooral van de zachthoutbranche. In 2002 was nog slechts zeven procent van het verhandelde hout voorzien van een certificaat dat het afkomstig is uit duurzaam beheerde bossen.

Het initiatief wetsvoorstel is negen jaar geleden ingediend door Groen-Linkskamerlid Vos en sindsdien diverse malen gewijzigd. Het onderzoek van de Wetenschapswinkel is uitgevoerd door sociologiestudent Auke Jan Martens en bedrijfskundestudent Paul van der Laan. Opdrachtgever is het Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking Groningen. Martens heeft gekeken naar het besluitvormingproces en Van der Laan naar de toepassing van gecertificeerd hout in de praktijk, met name door de Groningse bouwsector (aannemers, timmerfabrieken en groothandel).

Vrijwillige medewerking

De bouwsector is verantwoordelijk voor de afname van tachtig procent van al het hout. Een probleem bij de invoering van certificering is dat de bouwsector uit veel verschillende schakels bestaat en dat certificering een vrijwillig instrument is. Om certificering te kunnen realiseren is daarom medewerking van al de partijen in de hout- en bouwbranche vereist. De voorkeur van consumenten is van veel minder invloed op het marktaandeel.

Onverschilligheid

Met name de naald- of zachthoutsector past tot nu toe de certificering niet of nauwelijks toe. Ondanks dat er voldoende gecertificeerde bosgebieden zijn - vooral buiten de tropen - om houtcertificering in Nederland op zeer ruime schaal mogelijk te maken. Volgens de naaldhoutsector bestaat er in de markt geen behoefte aan gecertificeerd zachthout, maar alleen aan gecertificeerd tropisch hout. De onderzoekers vermoeden echter dat het werkelijke argument veeleer gevoed is door commerciële belangen, onverschilligheid en angst voor acties van de milieubeweging wanneer de branche niet ‘hun’ keurmerk hanteert.

Concurrerende certificatiesystemen

In de tropisch-hardhoutsector heeft bevordering van het gebruik van gecertificeerd hout te lijden onder de beperkte beschikbaarheid van gecertificeerde bosgebieden in de tropen. Verder wordt de ontwikkeling bemoeilijkt doordat het nog niet gelukt is een algemeen aanvaard toetssysteem op te zetten. Dit is nodig vanwege het bestaan van diverse certificatiesystemen, nationaal en internationaal en zowel van overheden als van particuliere organisaties zoals de milieubeweging. Soms heerst er een onderlinge concurrentiestrijd, en daar raken certificeerders en afnemers meestal liever niet bij betrokken. Dit alles draagt niet bij tot een snelle uitbreiding van de beschikbaarheid van gecertificeerd tropisch hardhout. Verder blijkt uit het onderzoek dat wanneer de vaste leveranciers geen gecertificeerd hout kunnen leveren, de groothandel, de aannemers en de timmerfabrieken vaak niet verder zoeken naar gecertificeerd hout. Daarbij komt dat de groothandel vaak geen voorraden beschikbaar heeft, waardoor de levertijden ervan te langdurig worden voor de afnemers.

Overheidskeuzes niet bevorderlijk

De overheid initieerde in 1995 een zogenaamd poortwachtersmodel, maar een deel van de milieubeweging heeft dit vanaf het begin niet ondersteund. Binnen het poortwachtersmodel controleert Stichting Keurhout, die in principe alle ‘stakeholders’ vertegenwoordigt, of de certificaten van in Nederland aangeboden partijen hout voldoen aan de minimumeisen van de overheid. De milieubeweging wil echter het door henzelf ontwikkelde certificaat, het FSC-logo, algemeen ingevoerd zien. Beide systemen - Keurhoutkeur en het FSC-logo - zijn zo verschillend dat zij niet eens hoeven te conflicteren, maar toch overheerst de perceptie van een tegenstelling. Vermoedelijk heeft dit verdere besluitvorming vertraagd en bijgedragen aan de afwachtende houding van de branche. Daarnaast zijn de overheidskeuzes niet bevorderlijk geweest voor het vergroten van het aandeel van gecertificeerd hout. De overheid koos voor vrijwilligheid van certificering en certificaatgebruik, sprak geen duidelijke voorkeur voor de poortwachtersfunctie van Keurhout uit en stelde geen prikkels in om certificering te bevorderen.

Twee toekomstvisies

Inmiddels heeft de overheid het initiatief genomen tot een eigen certificeringschema, BRL genaamd. Maar het blijft onduidelijk hoe en in welke structuur dit moet worden toegepast. In het huidige beslisproces staan twee visies tegenover elkaar. De ene visie -in hoofdzaak gesteund door de branche- pleit ervoor om voort te bouwen op het poortwachtersmodel, maar dan wel strakker geformaliseerd, mét een overheidsondersteuning en met een zo breed mogelijk draagvlak. In de andere visie - vooral gesteund door een deel van de milieubeweging - wordt gepleit voor een zeer gedetailleerde richtlijn die vervolgens (desnoods zonder poortwachter) gecontroleerd gaat worden door certificeerders die via de Raad van Accreditatie zijn geaccrediteerd. De beste keuze is volgens dit onderzoek het systeem dat zowel de houtproducenten, als de afnemers en de houthandel weet te motiveren om duurzaam hout te gebruiken in plaats van het ‘voordeliger’ niet-gecertificeerde hout. Vooralsnog lijkt het poortwachtersmodel beter aan dit criterium te kunnen voldoen dan het alternatief van een zeer gedetailleerde richtlijn.

Noot voor de pers

Het rapport Goed gekeurd hout; Hoe kan het marktaandeel van gecertificeerd hout worden vergroot?, A.J. Martens en P. van der Laan, ISBN 90-5803-029-6.

Laatst gewijzigd:02 oktober 2015 22:42

Meer nieuws