Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFaculteit der LetterenOrganisatieLetteren & Samenleving

Archeoloog bouwt vroegmiddeleeuws zodenhuis

In 2015 verscheen het boek “Het zodenhuis van Firdgum” waarin archeoloog Daniël Postma voor een breed publiek verslag doet van een bijzonder bouw- en onderzoeksproject. Promovendus Postma bouwde in het Friese kustgebied met de hulp van vele organisaties en vrijwilligers een groot stalgebouw met dragende muren van graszoden. Een sterk staaltje experimentele archeologie met een grote wetenschappelijke en maatschappelijke waarde.

Het zodenhuis in Firdgum, foto Frans de Vries (Toonbeeld)
Het zodenhuis in Firdgum, foto Frans de Vries (Toonbeeld)

Het verleden tastbaar maken voor publiek en wetenschap

Hoewel archeologen vaak met de voeten in de klei staan, komt het toch niet zo vaak voor dat ze zelf een reconstructie op ware schaal maken. Wat is het wetenschappelijke en het maatschappelijke belang van een dergelijk bouwproject? Postma legt uit: “In de archeologie probeer je met beperkte aanknopingspunten een voorstelling te maken van hoe mensen in een bepaalde periode in een gebied leefden. Je kunt kijken naar sporen en gegevens combineren, maar door het na te doen krijg je een completer en betrouwbaarder beeld. Je moet steeds stappen zetten, beslissingen nemen: Waar haal je die zoden, hoe beoordeel je de kwaliteit, welk verband is het sterkst? Daardoor ontdek je allerlei dingen over technieken, materialen en het gebruik van zo’n huis. De zodenbouw was de belangrijkste bouwvorm in het terpengebied tussen de 5e en 7e eeuw, maar omdat we nu al eeuwen niet meer zo bouwen missen we een referentiekader. Waar moet je dan op letten bij een opgraving? Deze reconstructie brengt weer veel kennis terug.

Eigenlijk werkt het voor het publiek niet anders. Het zodenhuis maakt het verleden voor iedereen zichtbaar en tastbaar. Dat spreekt tot de verbeelding en wekt de interesse. De meeste mensen hebben geen idee dat dit soort huizen vroeger in hun huidige leefomgeving stonden. Je kunt het ze vertellen, maar nu zien ze het.”

Lokale vrijwilligers bouwen mee
Lokale vrijwilligers bouwen mee

Samenwerking met tal van organisaties

Het idee om een zodenhuis te bouwen was afkomstig van het Yeb Hettinga Museum in Firdgum. Daniël Postma startte als student met een vooronderzoek. Gaandeweg breidde het project zich uit en raakten steeds meer organisaties betrokken, elk met hun eigen expertise en inbreng. Zo stelde It Fryske Gea zoden beschikbaar, Staatsbosbeheer en het project de Centrale As hout voor het dak en hielpen veel omwonenden als vrijwilligers mee met bouwen. Omrop Fryslân maakte een prachtige documentaire over het project en regionale media en musea droegen hun steentje bij in het zichtbaar maken van het zodenhuis in wording. Het project werd gefinancierd door o.a. de provincie Fryslân, de gemeente Franekeradeel, het project ‘Terpen- en wierdenland: een verhaal in ontwikkeling’ en tal van fondsen en stichtingen. De provincie Fryslân vervulde daarnaast ook achter de schermen een belangrijke adviserende en organisatorische rol.

Daniël Postma geeft uitleg over houtbewerking, foto Frans de Vries (Toonbeeld)
Daniël Postma geeft uitleg over houtbewerking, foto Frans de Vries (Toonbeeld)

Zodenbouw: archeologisch onbelangrijk of actueel voorbeeld?

Tot nu toe was er niet veel aandacht voor dit type huizen in het terpengebied. Om zich een beeld te vormen van de zodenhuizen kijken archeologen al gauw naar armoedige 19e- en 20e-eeuwse plaggenhutten uit de veengebieden. Het zo ontstane negatieve imago gecombineerd met onwetendheid over de voordelen van zodenbouw, leidde tot de gedachte dat zodenhuizen nooit meer dan een bouwkundig randverschijnsel waren. Maar je ziet bij de grote opgraving in Wijnaldum, waar rijke goud- en juwelenvondsten werden gedaan, dat de archeologen al worstelen met dat idee. Hoe kan het dat in de hoogtijdagen van het Fries-Groningse terpengebied vooral zodenhuizen gebouwd werden? Dan moeten zoden toch ook iets gunstigs hebben, anders waren die rijke en handelende ‘Friezen’ toch al eerder overgegaan op houtbouw?

“Het bijzondere is dat de vroegmiddeleeuwse bouwtraditie uit Noord-Nederland perfect aansluit bij de actuele aandacht voor duurzaam bouwen. Je gebruikt namelijk lokaal verkrijgbaar materiaal dat je optimaal gebruikt. Je zaagt bijvoorbeeld geen zorgvuldig beheerde rechte bomen tot een paar rechte balken, maar benut juist de natuurlijk kromming van het gemakkelijker te verkrijgen dunnere hout voor een sterke dakconstructie. Er is daarom ook belangstelling vanuit de bouwsector. Ik werd uitgenodigd om bij te dragen aan een workshop in Schotland, waar men heel serieus kijkt naar voorbeelden van succesvolle bouwtradities. Studenten van de TU Eindhoven, die de duurzaamheid van het zodenhuis naar moderne maatstaven berekenden, kwamen al tot de conclusie: Die middeleeuwers waren zo gek nog niet, het zodenhuis is een lichtend voorbeeld van duurzaamheid.”

Terpencentrum en publieksvriendelijkheid

Dit promotieonderzoek vindt plaats onder de vlag van het Terpencentrum van het Groninger Instituut voor Archeologie (GIA). Dit centrum wil het onderzoek in het terpengebied sterker, beter zichtbaar en toegankelijker te maken, zowel voor archeologen als voor niet-archeologen. Postma: “Maar ook in de rest van het GIA is een actieve discussie over de maatschappelijke meerwaarde van archeologisch onderzoek en hoe we dat beter voor het voetlicht kunnen brengen. Archeologen hebben vaak te maken met opgravingen die bekostigd worden door overheden, commerciële organisaties of zelfs particulieren die een gebied willen ontwikkelen. Als ‘verstoorders’ van het ondergrondse erfgoed dragen zij de kosten van het wettelijk verplichte archeologische onderzoek. Er is ons veel aan gelegen de (belasting)betaler duidelijk te maken dat dit goed bestede centen zijn. Dat betekent dat je het onderzoek toegankelijk en aansprekend moet maken voor een breed publiek. Vaak gebeurt dat in afzonderlijke publieksgerichte projecten en publicaties, maar je kunt ook de wetenschappelijke publicatie publieksvriendelijker maken.

Ik heb nu gekozen voor een publieksboek als basis. Er zijn natuurlijk toevoegingen nodig om daar in 2016 op te kunnen promoveren, maar de goed geredigeerde hoofdtekst blijft het uitgangspunt. Ik denk dat behalve het publiek ook wetenschappers een prettig geschreven en vormgegeven tekst kunnen waarderen!”

Laatst gewijzigd:03 november 2017 12:51
printOok beschikbaar in het: English