Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFaculteit WijsbegeerteOnderwijsSamenvattingen van scripties

Veldman, H.

Vakgroep Ethiek, Sociale en Politieke Filosofie

Wanneer wilsonbekwame mensen nog meebeslissen.

Een scriptie over hoe de Nederlandse wet, de filosofische theorie en het werkveld omgaan met medische besluiten die betrekking hebben op mensen met vergevorderde dementie.

We leven in een tijd waar mensen steeds ouder worden. Dit betekent dat ook het aantal dementiepatiënten toeneemt. Tegelijkertijd wordt het principe ‘respect voor autonomie’ ook steeds belangrijker. In de gezondheidszorg betekent dit dat patiënten een grotere rol hebben gekregen bij de medische besluitvorming. Het is niet lastig om te bedenken dat er moeilijkheden ontstaan wanneer patiënten een belangrijke rol krijgen bij de medische besluitvorming terwijl steeds meer van hen lijden aan dementie. Mijn scriptie draait om de vraag hoe er wordt omgegaan met het respecteren met de autonomie van demente patiënten in de Nederlandse wet, de filosofische theorie en in de medische praktijk.

Wat opvalt is dat de Nederlandse wetgever relatief lage eisen stelt aan een patiënt om mee te beslissen. Zo schrijft de wet voor dat iemand wilsbekwaam moet zijn om besluiten te nemen en niet autonoom. Het grootse verschil tussen wilsbekwaamheid en autonomie is dat de actor niet (ongevraagd) mag worden beïnvloed door anderen bij het maken van een autonome beslissing. Daarnaast geeft de Nederlandse wetgever mensen ook mogelijkheden om indirect mee te beslissen. Zo mag iemand vooraf wensen vastleggen op papier en deze documenten moeten vervolgens zwaar meewegen bij besluiten die worden genomen wanneer de patiënt wilsonbekwaam is. Ook krijgen wilsonbekwame mensen een vertegenwoordiger die met of voor hen besluiten neemt. Een goede vertegenwoordiger doet dit op basis van hun kennis over de wilsonbekwame patiënt en zo wordt er alsnog een poging gedaan om de ‘stem’ van de patiënt te laten gelden. Deze vormen van indirecte inspraak zijn niet onomstreden binnen de filosofie. Patiënten mogen dus soms van de wet nog (indirect) meebeslissen terwijl het niet zeker is of het wel moreel te rechtvaardigen is. In de praktijk kan dit leiden tot vervelende situaties waar artsen gevraagd worden om iets te doen dat juridisch mag, terwijl het moreel niet te rechtvaardigen is. Euthanasie bij demente ouderen is een dergelijk hoofdpijndossier. Juridisch mag het ook bij wilsonbekwame patiënten wanneer ze het goed hebben vastgelegd, maar er zijn ethische kanttekeningen bij te plaatsen. Verder wordt er op de werkvloer vooral geïmproviseerd door de artsen en de familieleden om een traject uit te stippelen die past bij de patiënt, de familie en de zorgverleners. Factoren zoals tijdtekort, lastige familieleden en onwillige patiënten kunnen in de praktijk meer invloed hebben dan de wet of de ethiek. Wetten en concepten die werken op papier kunnen dus soms onbruikbaar zijn op de werkvloer.

De conclusie van mijn scriptie is dat er iets moet gebeuren aan ‘het gat’ tussen de morele rechtvaardiging en de juridische rechtvaardiging van de inspraak bij medische besluiten door en over dementiepatiënten. Bij relatief kleine beslissingen valt het allemaal wel mee omdat de gevolgen te overzien zijn. Dat is bij euthanasie of levensreddende behandelingen wel anders. Dat lijken ook de momenten te zijn waar artsen teruggrijpen op de theorie als een soort beslissingshulp. Bij kleinere beslissingen lijkt er vaker sprake te zijn van improvisatie en worden richtlijnen en regels wel eens genegeerd.

Laatst gewijzigd:08 september 2017 14:25