Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFaculteit WijsbegeerteOnderwijsSamenvattingen van scripties

Smits, D.

Vakgroep Ethiek, Sociale en Politieke Filosofie

Ironie als Politiek Wapen

Een Reactie op Rorty’s privaat/publiek – scheiding

Amerikaans filosoof Richard Rorty (1931 – 2007) zag zich voor een dilemma gesteld: hoe is de postmoderne opvatting dat waarheid met hoofdletter W niet bestaat, te verenigen met liberale politiek? Immers, als elke waarde afhankelijk is van het narratief waarin het is geplaatst, waarom zouden we onze liberale democratieën dan nog langer op een voetstuk plaatsen? In Contingency, Irony and Solidarity (1989) komt Rorty met een voorstel: een scheiding tussen een ironisch privédomein en een solidair publiek domein. In het privédomein mag men knutselen aan nieuwe narratieven en nieuwe identiteiten, maar in het publieke domein laat men deze ironie varen om allen dezelfde identiteit aan te nemen: die van staatsburger. Om vervolgens vanuit dit staatsburgerschap te kunnen werken aan een betere wereld in de sociaaldemocratische betekenis van het woord. Hoewel ik begrip heb voor Rorty’s positie, vind ik dat hij de politieke angel te makkelijk uit ironie haalt en daarmee ironie in feite heeft kaltgestellt. Ik beargumenteer dat er wel degelijk een plaats is voor ironie in het publieke domein, zonder dat dit betekent dat we postmoderne cynici moeten worden die nergens meer in geloven (en al helemaal niet in een betere wereld). Dit doe ik aan de hand van het werk van Judith Butler (1956). Mijn centrale punt is dat zij een vruchtbardere en meer aan de praktijk rechtdoende variant van constructivisme verdedigt dan Rorty doet. In haar versie van het constructivisme is wel degelijk ruimte voor ironie in de vorm van subversieve parodieën op performatieve processen. Ik verdedig deze stelling aan de hand van de documentaires “Paris is Burning” en “Kiki”, die beiden handelen over de New Yorkse dragballscene. Tot slot beargumenteer ik dat we Rory niet in zijn geheel moeten veronachtzamen en dat Butlers theorie wel een vleugje “Rortyisme” kan gebruiken. Dit omdat Butlers theorie paradoxaal genoeg aan de basis kan liggen van een weinig ironische en weinig vruchtbare identiteitspolitiek. Met deze oscillatie tussen het constructivisme van Rorty en die van Butler verdedig ik hoe ironie kan worden ingezet als politiek wapen.

Laatst gewijzigd:10 oktober 2017 11:55