Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFaculteit WijsbegeerteOnderwijsSamenvattingen van scripties

Brontsema, E.F.

Auteur: Eline Brontsema
Afstudeerjaar: 2011
Vakgroep: Geschiedenis van de filosofie
Titel: Over Schopenhauers esthetica
Samenvatting:

In Die Welt als Wille und Vorstellung (1819) beschrijft Schopenhauer onder andere welke speciale rol kunst heeft in zijn filosofie. De kunstenaar, het ‘genie’, heeft hierbij een belangrijke functie: hij maakt de ideeën via kunst aanschouwelijk voor de gewone mens. Doorgaans heeft de gewone mens geen toegang tot de ideeën, maar kan deze via de kunst nu dus wel aanschouwen. De ideeën gelden als de eeuwige en onveranderlijke vormen van de verschijnselen en zijn volgens Schopenhauer te vergelijken met originelen die zich tot hun kopieën verhouden. Schopenhauers opvatting van idee houdt verband met de ‘Wil’, een soort oerprincipe dat achter alle verschijnselen als enige werkelijk verschijnt.
 
Hoewel de kunst in het algemeen zich volgens Schopenhauer dus uitstekend leent om de ideeën aanschouwelijk te maken, heeft hij niet voor alle kunsten een even hoge waardering. De verschillende kunsten vormen verschillende trappen van objectivaties van de Wil; ze maken dus op verschillende niveaus de ideeën aanschouwelijk.
 
Schopenhauers filosofische opvattingen van de beeldhouwkunst en de tragische dichtkunst zijn in mijn scriptie het meest van belang. Ik pas ze toe in mijn behandeling van ‘De Laocoön-groep’, een beeldengroep in het Vaticaans-museum in Rome, maar zal ook kort aandacht besteden aan Vergilius’ Aeneis, waarin het verhaal van Laocoön in dichtvorm staat beschreven. In het verhaal uit de Griekse mythologie over de val van de stadsstaat Troje wordt het moment beschreven dat Laocoön en zijn beide zoons door twee slangen worden vermoord. Er is een grote variatie ontstaan in interpretaties van Laocoön. Zo wordt zowel het idee aangehangen dat Laocoön in het beeldhouwwerk wordt uitgebeeld alsof hij schreeuwt, maar ook alsof hij niet zou schreeuwen, onder andere door Schopenhauer en G. E. Lessing (1729-1781). Zij dragen hiervoor echter verschillende argumenten aan, die ik in mijn scriptie zal toelichten. Daarentegen stelt Schopenhauer dat Laocoön in de dichtkunst wèl schreeuwt.
 
De hoofdvraag die ik in mijn scriptie zal beantwoorden is Kan Schopenhauer op basis van zijn filosofische veronderstellingen over kunst een overtuigend antwoord geven op de in de late achttiende eeuw veel bediscussieerde vraag of Laocoön wel of niet schreeuwt?
Het antwoord op mijn hoofdvraag laat het verband zien tussen Schopenhauers opvatting van de ideeën en zijn stelling dat Laocoön in de beeldhouwkunst in uitgebeeld alsof hij niet schreeuwt. Hiermee zal ook duidelijk worden waarom Schopenhauer van mening is dat Laocoön in de dichtkunst juist wel schreeuwt.
Laatst gewijzigd:01 november 2013 14:11