Skip to ContentSkip to Navigation
About usFaculty of PhilosophyEducationThesis summaries

Jongman, B.

Auteur: Babs Jongman
Afstudeerjaar: 2005
Vakgroep: Geschiedenis van de Filosofie

Scriptie:

Spontane ordening en de evolutie van proposities. Een onderzoek naar de ontologische status van proposities in de metafysica van Alfred North Whitehead.

 

Samenvatting:

In zijn hoofdwerk, Process and Reality. An Essay in Cosmology, kent de mathematicus en filosoof Alfred North Whitehead (1861-1947) een ontologische status toe aan proposities. Wat we in het dagelijkse leven een propositie noemen wordt doorgaans beschouwd als een functionele – syntactische of wiskundige – relatie, met een semantische betekenis. Maar Whitehead vat proposities niet op in deze linguïstische of mathematisch-logische betekenis. Met nadruk stelt hij dat ze niet gelijk zijn aan verbale beweringen, die volgens hem nooit een adequate uitdrukking zijn van proposities en evenmin aan de ten onrechte ook wel proposities genoemde oordelen van de logici, die het onjuiste predikaat ‘waar’ of ‘onwaar’ krijgen terwijl de uitspraak ‘correct’ danwel ‘incorrect’ zou moeten luiden. Beweringen en oordelen zijn weergaven van proposities als ontologische categorie, maar ze vallen er niet mee samen. Voor Whitehead behoren proposities daadwerkelijk tot wat hij categories of existence noemt. De vraag is dan wat we ons moeten voorstellen bij de existentie van een dergelijk ‘talig’ ding dat enkel lijkt te ontspruiten aan het menselijk brein. En als deze ontologische status terecht wordt toegekend, wat behelst dat ‘zijn’ dan en wat is de functie van proposities in de werkelijkheid? Deze vragen vormen het onderzoeksthema van deze doctoraalscriptie.

Voor een goed begrip wordt eerst een inleiding tot Whiteheads werk gegeven en vervolgens leert een kort uitstapje in de geschiedenis hoe men in en voor Whiteheads epoche tegen proposities aankeek. Daaruit blijkt dat hij tijdgenoten en voorgangers had die (deels) eveneens een ontologische status toekenden aan proposities. Aan de orde komen beschouwingen over Bertrand Russell, Gottlob Frege, Bernard Bolzano en Gottfried Wilhelm Leibniz. Het onderzoek richt zich dan op enkele cruciale begrippen uit Whiteheads metafysica om te achterhalen wat ontologie voor Whitehead betekent, wat het procesmatige karakter dat hij aan de werkelijkheid toeschrijft inhoudt en wáár proposities kunnen existeren áls ze existeren. Met name die laatste vraag leidt naar het hart van Whiteheads metafysica, naar het ‘proces’ waardoor de werkelijkheid gestalte krijgt, in de meest fundamentele vorm als extensive continuum. Via dit concept wordt Whiteheads godsconcept noodzakelijkerwijs in het onderzoek betrokken en uitgewerkt voor wat betreft de werkzaamheid in de creatieve voortgang van het proces. De rol van deze werkzaamheid met betrekking tot potentialiteit, onontbeerlijk voor een werkelijkheid die als procesmatig wordt gezien, vormt de verbinding met proposities.

De geponeerde these is dat de ontologische status van proposities buiten kijf is wanneer de werkelijkheid wordt gezien als het resultaat van de wisselwerking tussen actualiteit en potentialiteit, waarbij karakteristieken als a-dimensionaliteit en spontane ordening vereist zijn en die zowel een fysisch aspect met een reticulaire en een mentaal aspect met een veldwerking heeft. Proposities zijn daarbij te realiseren mogelijkheden die zich manifesteren in de vorm van patronen of constellaties die een perspectief vormen voor de ‘bouwers’ van het proces, door Whitehead actuele gebeurtenissen genoemd en waarvan de werkzaamheid die Whitehead God noemt een speciale vorm is met de geheel eigen functie steeds nieuwe proposities als hypothetische verlokking aan de ‘gewone’ actuele gebeurtenissen aan te bieden. De werkelijkheid evolueert aan de hand van proposities en proposities evolueren op hun beurt met deze creatieve voortgang. Voor zowel de orde als voor het nieuwe zijn proposities de onmisbare schakel.

De antwoorden blijken niet eenvoudig uit Process and Reality te distilleren, want een moeilijkheid bij het bestuderen van Whiteheads magnum opus is dat voor een goed begrip van het werk de betekenis van de daarin gepresenteerde 45 categorieën van wezenlijk belang is, maar dat deze betekenis pas duidelijk wordt vanuit de context van het gehele werk. Dat geldt ook voor de zijnscategorie ‘proposities’. Het onderzoek speelt zich derhalve af binnen een hermeneutische cirkel, waarbij categorieën en andere cruciale begrippen worden verhelderd door hun plaats en functie en hun relaties binnen het gehele metafysische systeem te onderzoeken.


 

Laatst gewijzigd:01 november 2013 14:59