Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFEBNews / FEB

Betrokken, maar onafhankelijk: streven naar een betere positionering van toezicht | Oratie Floor Rink | 4 april

30 maart 2017
Floor Rink

Toezicht op bedrijven en organisaties moet onwenselijke maatschappelijke praktijken voorkomen. Denk aan consumentenbedrog, milieuvervuiling of fraude. Toezichthouders moeten er dus voor zorgen dat instellingen wet- en regelgeving naleven. De effectiviteit van toezicht hangt nauw samen met de wijze waarop bestuurders en toezichthouders zich ten opzichte van elkaar positioneren. Onafhankelijkheid is cruciaal, stelt prof.dr. Floor Rink in haar oratie, maar tegelijkertijd verdient betrokkenheid van toezichthouders meer aandacht dan het tot nu toe heeft gekregen.

In veel sectoren wordt inmiddels toezicht gehouden op de bedrijfscultuur. Dat is een goed begin, stelt Rink, maar organisaties en toezichthouders zouden daarbij ook rekening moeten houden met identiteitsprocessen. Dat zal hen helpen om inhoud te geven aan cultuurbeleid, waar dat in de praktijk nu nog te vaak een abstract en vaag begrip blijft. Aandacht voor identiteitsprocessen is belangrijk omdat de groep waartoe je behoort, iets zegt over wie je bent. Dat geldt ook voor bestuurders en toezichthouders. Iedereen is geneigd zijn eigen achterban positief te waarderen, maar andere partijen wantrouwend tegemoet te treden. Inzicht in identiteitsprocessen kan toezichthouders helpen om zichzelf beter te positioneren. Zo wordt toezicht effectiever, meent Rink.

Intern versus extern toezicht

Op basis van identiteitsprocessen kun je bijvoorbeeld voorspellen dat het voor bestuurders uitmaakt tegenover wie zij zich moeten verantwoorden; tegenover interne toezichthouders, die binnen organisaties zijn gesitueerd (zoals de raad van commissarissen), of aan externe toezichthouders die buiten organisaties gevestigd zijn (zoals De Nederlandsche Bank). Vooralsnog heeft onafhankelijkheid altijd voorop gestaan, vanuit het idee dat toezichthouders objectief moeten blijven. Volgens deze redenatie zou een interne toezichthouder, die dicht op het besluitvormingsproces van de bestuurders zit, minder effectief zijn dan een externe toezichthouder die op afstand alles goed kan overzien. Maar wanneer je identiteitsprocessen in ogenschouw neemt, dan valt te verwachten dat bestuurders meer bereid zijn om hun gedrag aan te passen voor een interne toezichthouder (die betrokken is bij de organisatie en uiteindelijk dezelfde hogere doelen nastreeft) dan voor een externe toezichthouder. De externe toezichthouder zal hen, juist vanwege de grote afstand, immers nooit echt begrijpen.

Evenwicht

Uiteindelijk gaat het om het vinden van evenwicht tussen onafhankelijkheid en betrokkenheid, stelt Rink, want onafhankelijkheid blijft natuurlijk belangrijk. Het is echter nog niet precies duidelijk wat nu het juiste evenwicht is. In haar toekomstig onderzoek zal Rink proberen die vraag te beantwoorden. Eerdere studies van Rink en haar collega’s naar de relatie tussen evenwicht en onafhankelijkheid leverden al enkele interessante resultaten op. In een grootschalig onderzoek onder bestuurders en commissarissen uit de verzekeringsbranche vonden zij inderdaad dat bestuurders zich meer lieten leiden door interne commissarissen dan door De Nederlandsche Bank, vooral wanneer de raad van commissarissen regelmatig van samenstelling veranderde. Wanneer er echter conflicten tussen waren tussen bestuurders en commissarissen, dan kreeg de Nederlandsche Bank substantieel meer invloed.

Deze resultaten bewijzen dat de unieke positie die toezichthouders innemen, binnen of buiten een organisatie, bepaalt welke een rol bestuurders hen toedichten. Waar interne toezichthouders meer als sparringpartners kunnen optreden, zouden externe toezichthouders juist beter een bemiddelende rol kunnen spelen. Volgens Rink valt of staat effectief toezicht dus met de wijze waarop de bestuurders van een organisatie en de toezichthouders zich ten opzichte van elkaar positioneren. Betrokkenheid van toezichthouders verdient daarbij misschien wel meer aandacht dan het tot op heden heeft gekregen, concludeert Rink. Zij stelt een ander vertrekpunt voor bij het organiseren van toezicht: van ‘onafhankelijk, maar betrokken’ naar ‘betrokken, maar onafhankelijk’.

Signature area Board Effectiveness

Het onderzoek van Floor Rink maakt deel uit van het signature area Board Effectiveness van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde. Binnen die interdisciplinaire samenwerking bundelt FEB haar kennis over corporate governance, financiële economie, accounting en psychologie.

Meer informatie

Laatst gewijzigd:31 januari 2018 14:30

Meer nieuws

  • 14 juni 2018

    Bringing Physical Internet to life

    Van maandag 18 tot vrijdag 22 juni vindt het vijfde internationale Physical Internet congres (#IPIC2018) plaats in Groningen. De Rijksuniversiteit Groningen organiseert dit congres samen met de logistieke sector. Meer dan 250 wetenschappers en vertegenwoordigers...

  • 11 juni 2018

    Een nieuw tijdperk voor organisationele relaties | Oratie David Langley | Dinsdag 19 juni

    Nieuwe, veelbelovende internet-afhankelijke technologieën zoals digital fabrication, internet of things, blockchain en distributed artificial Intelligence worden steeds populairder. Prof. David Langley geeft in zijn oratie een toelichting op zijn ideeën...

  • 08 juni 2018

    Lara Lobschat wint MOA Insights Scientist Award

    Lara Lobschat heeft de MOA Insights Scientist Award gewonnen. De universitair docent Marketing kreeg de prijs voor haar proefschrift over online communicatie. Vanwege de praktische relevantie kreeg ze voor haar onderzoek eerder een ‘early career grant’...