Skip to ContentSkip to Navigation
EducationScholierenacademieStudentsProfielwerkstukExploring and setting up

Alles over hoofd- en deelvragen

Je bepaalt pas wat je precies wilt gaan onderzoeken als je een onderwerp voor je profielwerkstuk hebt gevonden. Je stelt dan een onderzoeksvraag, ook wel hoofdvraag genoemd, op. Om zo’n hoofdvraag te kunnen stellen moet je goed weten wat je met jouw onderzoek wilt bereiken. Wat is, behalve van het halen van een goed cijfer, het doel dat je wilt bereiken met jouw onderzoek en is dat doel wel haalbaar? Het is bijvoorbeeld niet te verwachten dat jouw onderzoek dé oplossing voor een economische crisis oplevert. Onderzoekers zijn al jaren bezig daar een antwoord op te vinden. Wel kun je proberen een aantal mogelijke oplossingen op een rijtje te zetten. Of je kunt proberen de mogelijke oorzaak van een crisis te vinden.

Een hoofdvraag komt niet uit de lucht vallen

Je kunt niet zomaar vanuit het niets een goede hoofdvraag bedenken, daarvoor moet je eerst wat meer over het onderwerp weten. Je kunt het beste beginnen door globaal in te lezen. Lees een inleidende tekst over het onderwerp, google je onderwerp eens of bekijk een paar Wikipediapagina’s. Op deze manier vorm je automatisch een beeld van wat je interessant vindt of juist niet. Door de saaie aspecten weg te laten en een invalshoek te kiezen die jij interessant vindt krijg je een profielwerkstuk met meer diepgang en ben je bezig met iets dat je leuk vindt. Dat maakt het werken aan je PWS een stuk makkelijker!

Het afbakenen van de onderzoeksvraag

Op basis van het doel dat je met jouw onderzoek wilt bereiken stel je een onderzoeksvraag op. Bij het formuleren van die vraag is het belangrijk dat je vraag niet te breed of te smal is. Een te brede vraag is moeilijk te beantwoorden, of je ziet op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer. Zorg er dus voor dat je onderzoeksvraag goed is afgebakend. Vertel bijvoorbeeld over welk land, welke periode of welke groep het gaat en welke begrippen, concepten en theorieën je gebruikt. Een lange vraag is niet per sé fout, maar zorg er wel voor dat je maar één vraag stelt. Anders maak je het voor jezelf moeilijk en kan de samenhang binnen je PWS ontbreken.

Aan de andere kant moet de onderzoeksvraag ook niet te smal zijn. Een vraag die je met “ja,” “nee” of één cijfer kunt beantwoorden zorgt ervoor dat je PWS te weinig diepgang heeft om een PWS te zijn. Dat heeft dan ook weer (negatieve) gevolgen voor het cijfer dat je krijgt.

Het formuleren van deelvragen en hypothesen

Een onderzoeksvraag is vaak te groot om eenvoudig te kunnen beantwoorden. Om het onderzoek beter uit te kunnen voeren is het daarom verstandig om je onderzoeksvraag op te splitsen in een aantal deelvragen. Door een antwoord te vinden op alle deelvragen beantwoord je dan uiteindelijk de onderzoeksvraag die je gesteld hebt. De onderzoeksvraag “Waarom is de inflatie in Nederland tussen 2000 en 2009 zo snel gestegen?” kun je bijvoorbeeld opsplitsen in de volgende deelvragen (die allemaal verband houden met de hoofdvraag):

  • Wat was de stijging van de inflatie in Nederland tussen 2000 en 2009?
  • Wat zijn oorzaken van inflatie?
  • Wat was tussen 2000 en 2009 de inflatie in de ons omringende landen?

Na het formuleren van je onderzoeks- en deelvragen volgt de hypothese. Een hypothese is een voorspelling over de uitkomst van het onderzoek. Met de hypothese geef je dus aan wat jij als antwoord verwacht te vinden. Voor de bovenstaande onderzoeksvraag zou dit kunnen zijn: “Ik verwacht dat de inflatie in Nederland tussen 2000 en 2009 erg sterk is gestegen door de invoering van de Euro en daarna als gevolg van de kredietcrisis.” Bedenk dat je hypothese slechts een voorspelling is. Het is totaal niet erg als het antwoord op jouw onderzoeksvraag aan het einde van je PWS totaal anders blijkt te zijn dan jouw hypothese.

Laatst gewijzigd:12 december 2018 16:10