Skip to ContentSkip to Navigation
OnderwijsStudievoorlichtingMeer keuzeactiviteitenScholierenacademie
Header image Blog: Dit is wetenschap

Onderzoek in de blubber

Datum:28 maart 2017
Raatakkers en grafheuvels op het Dwingelderveld (bron: www.raatakker.nl)
Raatakkers en grafheuvels op het Dwingelderveld (bron: www.raatakker.nl)

Archeoloog Stijn Arnoldussen gaat elk jaar in de zomer op pad met zijn studenten. Allemaal krijgen ze een knaloranje hesje aan, een kompas mee zodat ze niet verdwalen en natuurlijk archeologische opgraafinstrumenten. Zo zitten ze in de winter in de schoolbanken met pen en papier, zo staan de studenten in de zomer met een schep en laarzen in de blubber. Maar wat doen ze dan zoal? Arnoldussen is verantwoordelijke voor het veldwerkonderwijs bij de Archeologische opleiding  en neemt ons mee op pad.

Hij laat ons eerst een paar laserhoogtekaarten zien. “Als je goed kijkt naar de kaarten van het Dwingelderveld, ontdek je een soort raatstructuur en zie je hier en daar groepjes heuveltjes liggen. De raatstructuur zijn de resten van zogenaamde ‘raatakkers’, en de heuveltjes zijn grafheuvels, beide stammen ze uit ijzertijd die 800 jaar voor Christus begon. Als je een stukje de stad uit rijdt kun je dus zomaar middenin een bewaard landschap uit de ijzertijd staan!”

Wat wordt er dan onderzocht? “Het gaat er allemaal wat minder avontuurlijk aan toe dan er over het algemeen wordt gedacht,” stelt Arnoldussen. “Alles wat je opgraaft maak je namelijk stuk. Het is de truc om eerst goed na te denken over wat je precies wilt weten en dan te bedenken hoe je hierachter kunt komen zonder een direct een grafheuvel open te breken die vervolgens onherstelbaar beschadigd is. Bij de raatakkers zijn de wallen bijvoorbeeld op sommige plaatsen nog  goed bewaard. Daar wil je dus niet liever niet dwars doorheen graven want dan maak je te veel stuk. Als je dan toch benieuwd bent of de mensen die hun akkers daar hadden ook woonden op die plek,  dan graaf je waar het al plat is, bijvoorbeeld door huidige landbouw.”

Bij archeologie aan de universiteit doe je dus onderzoek dat gestuurd wordt door vraagstellingen. Je gaat niet zomaar graven op een plek waar je denkt dat je iets kunt vinden. Je bedenkt eerst wat je wilt weten en dan kijk je hoe je dit te weten kunt komen. Wil je bijvoorbeeld weten of er gewassen er werden verbouwd, dan kun je kijken naar sporen zoals ploegkrassen die zijn overgebleven in de grond. Ben je benieuwd of er zoet of zout water was, dan ga je op zoek naar de soorten slakjes die daarin konden leven. Uit het stuifmeel wat in de bodem bewaard is gebleven, kun je afleiden wat voor gewassen er stonden. Zo aten de mensen in de ijzertijd tarwe, gerst en gierst. Wil je van een grafheuvel weten hoe oud deze is dan kun je vanuit de zijkant van de heuvel een regenpijpje met zand eruit halen. Vervolgen snij je deze in een donkere kamer in het midden door. Aan het kwarts in het zand kun je bekijken wanneer deze voor het laatst belicht is geweest en op deze manier kun je onderzoeken hoe oud een grafheuvel is. “Als archeoloog kun je dus ontzettend blij worden van kleine bewijsstukken, een beetje brons of wat kwarts” zegt Arnoldussen. Op basis van ook wat kleinere resten van het verleden kun je prachtige verhalen vertellen over hoe het er toen uit zag en wat mensen deden.