Skip to ContentSkip to Navigation
OnderwijsOpleidingenAndere studiemogelijkhedenStralingsbeschermingCursusinformatie stralingsbeschermingCoördinerend deskundige

Proefexamen coördinerend deskundige #1

Cursusmateriaal stralingsbescherming

Bij elk van de volgende vragen moet het juiste antwoord worden aangekruist. Per vraag is maar één antwoord juist. De goede antwoorden vindt u hier. Het examen is gebaseerd op de leerstof behandeld in de Syllabus Coördinerend Stralingsdeskundige (Rijksuniversiteit Groningen /Arbo, Milieu en Duurzaamheid / SBE, 2015-2016).

  1. Hoeveel kerndeeltjes bevat het nuclide 3 2He ?
    1. 1
    2. 2
    3. 3
    4. 5
verval Cu-64
  1. Hierboven staat het vervalschema van het radionuclide 64Cu. Tijdens het verval van 64Cu blijkt annihilatiestraling te worden uitgezonden. Dit moet het gevolg zijn van een β+-overgang. Welke is de eindtoestand van deze overgang?
    1. grondtoestand van 64Ni
    2. aangeslagen toestand van 64Ni
    3. grondtoestand of aangeslagen toestand van 64Ni
    4. grondtoestand van 64Zn
  2. De isomeer 60mCo vervalt voornamelijk door interne conversie. Wat wordt er tijdens het verval uitgezonden?
    1. altijd een γ-foton
    2. altijd een conversie-elektron
    3. soms een γ-foton en soms een conversie-elektron
    4. gelijktijdig een γ-foton en een conversie-elektron
  3. Bij de moeder-dochterrelatie A –> B is T½,A < 0,01×T½,B.
    Vul de zin aan: Uitgaande van zuiver A op tijdstip t = 0 is na één halveringstijd van de moeder...
    1. de activiteit van A ongeveer gelijk aan die van B
    2. de activiteit van A ongeveer gelijk aan de helft van de activiteit van B
    3. de totale activiteit van A plus B ongeveer gelijk aan de beginactiviteit
    4. de totale activiteit van A plus B ongeveer gelijk aan de helft van de beginactiviteit
  4. Waar hangt de massaverzwakkingscoëfficiënt voor γ-straling van af?
    1. dikte van de absorberende laag
    2. soortelijke massa van het absorberende materiaal
    3. stralingsintensiteit
    4. fotonenergie
  5. Welk nuclide ontstaat als  eindproduct van de kernreactie 10 5B(n,α) ?
    1. 7 3Li
    2. 7 4Be
    3. 13 6C
    4. 13 7N
  6. Wat is het voornaamste mechanisme waardoor snelle neutronen met een energie van 20 MeV hun energie verliezen?
    1. botsingen met atoomkernen
    2. ionisaties
    3. neutronvangst
    4. kernsplijting
  7. Voor welke soort straling wordt de grootheid kerma NIET gebruikt?
    1. protonenstraling
    2. neutronenstraling
    3. fotonenstraling
    4. röntgenstraling
  8. In een stralingsveld met γ-fotonen zal ten gevolge van het ontbreken van elektronenevenwicht een orgaan soms een extra, relatief belangrijke stralingsdosis ontvangen. Bij welke combinatie van bron- en doelorgaan is dit het geval?
    1. bronorgaan hersenen en doelorgaan schildklier
    2. bronorgaan schedel en doelorgaan hersenen
    3. bronorgaan sponsachtig beenweefsel en doelorgaan rode beenmerg
    4. bronorgaan lever en doelorgaan galblaas
  9. In het energiegebied waar het Compton-effect overheerst, is de massieke verzwakkingscoëfficiënt van waterstof een factor twee groter dan die van andere lichte elementen. Dit is de belangrijkste oorzaak waardoor er een numeriek verschil is tussen het omgevingsdosisequivalent H*(10) en de kerma in lucht Klucht. Hoe groot is de verhouding H*(10) / Klucht ?
    1. ongeveer 2 Sv Gy-1
    2. ongeveer 1,1 Sv Gy-1
    3. ongeveer 0,9 Sv Gy-1
    4. ongeveer 0,5 Sv Gy-1
  10. Vul de zin aan: Staar (cataract) is een...
    1. deterministisch effect met een drempelwaarde die afhangt van zowel de dosis als het dosistempo
    2. deterministisch effect waarvoor geen drempeldosis aanwezig is
    3. stochastisch effect en de kans erop neemt toe met toenemend dosistempo
    4. stochastisch effect omdat het een alles-of-niets-verschijnsel is
  11. Vul de zin aan: Een γ-bestraling van het hele lichaam met een geabsorbeerde dosis van 15 Gy leidt...
    1. nooit tot een darmsyndroom, omdat mensen al eerder gestorven zijn aan het beenmergsyndroom
    2. nooit tot een darmsyndroom, omdat mensen al eerder gestorven zijn aan het hersensyndroom
    3. tot een darmsyndroom en vervolgens, na genezing hiervan, tot een beenmergsyndroom
    4. tot een darmsyndroom en niet tot een beenmergsyndroom
  12. Tijdens welke fase van de zwangerschap kan bestraling aanleiding geven tot een aangeboren misvorming?
    1. eerste trimester
    2. tweede trimester
    3. derde trimester
    4. gehele zwangerschap
  13. Welk orgaan ontvangt de hoogste volgdosis na inhalatie van een langlevend radionuclide van oplosbaarheidsklasse S (slow)?
    1. maagwand
    2. rode beenmerg
    3. dikke darm
    4. diepe longen
  14. Welk orgaan wordt in het botmodel van ICRP-30 als bronorgaan aangemerkt?
    1. botoppervlak (bone surface)
    2. uitsluitend compact botweefsel (cortical bone)
    3. uitsluitend sponsachtig botweefsel (trabecular bone)
    4. zowel compact als sponsachtig botweefsel
  15. Welk proces levert bij submersie in een wolk radioactief 37Ar (klasse SR-0, β-emitter, zeer kleine β-energie) de grootste bijdrage tot de effectieve dosis?
    1. externe bestraling van huid en ooglens
    2. interne bestraling door in de longen aanwezig gas
    3. interne bestraling door in de lichaamsvloeistoffen geabsorbeerd gas
    4. interne bestraling door in organen en weefsels geabsorbeerd gas
  16. De dode tijd van een Geiger-Müllerbuis is 200 μs, waardoor een fout van 20% in de bepaling van het teltempo is opgetreden. Hoe groot was dat gemeten teltempo?
    1. 103 telpulsen per seconde
    2. 104 telpulsen per seconde
    3. 105 telpulsen per seconde
    4. 106 telpulsen per seconde
  17. Wat is het belangrijkste voordeel van een Ge-detector ten opzichte van een NaI-detector voor het detecteren van γ-straling met een energie van 1 MeV?
    1. groot intrinsieke detectorrendement
    2. groot energie scheidend vermogen
    3. groot detectorvolume
    4. relatief grote bijdrage ten gevolge van het foto-elektrisch effect
  18. Men wil van een open β-bron het dosistempo meten. De maximale β-energie is 1 MeV. Welke detector verdient hiervoor de voorkeur?
    1. Geiger-Müllerbuis met eindvenster, die aanwijst in deeltjes per seconde
    2. Geiger-Müllerbuis met een alzijdige wanddikte van 1 g cm-2, die aanwijst in mSv per uur
    3. ionisatiekamer voorzien van een venster met een dikte van 7 mg cm-2, die aanwijst in μGy per uur
    4. ionisatiekamer met build-up cap van 700 mg cm-2, die aanwijst in mSv per uur
  19. Door welk materiaal worden neutronen het minst goed afgeschermd?
    1. water
    2. polyetheen
    3. paraffine
    4. lood
  20. Waarop is de weefselweegfactor wT van ICRP-60 gebaseerd?
    1. uitsluitend het risico van lethale kankers
    2. uitsluitend het gewogen risico van niet-lethale kankers
    3. uitsluitend de verwachte levensduurverkorting
    4. elk van de onder [a] tot en met [c] genoemde factoren
  21. Vul de zin aan: Werknemers moeten als blootgestelde werknemer worden aangemerkt als zij beroepshalve kunnen worden blootgesteld aan...
    1. ioniserende straling
    2. een effectieve dosis van meer dan 20 mSv per jaar
    3. een effectieve dosis van meer dan 3/10 van de wettelijke jaarlimiet
    4. een effectieve dosis van meer dan 1 mSv per jaar
  22. Welke is de wettelijke jaarlimiet voor de ooglens van blootgestelde werknemers?
    1. 20 mSv
    2. 50 mSv
    3. 150 mSv
    4. 500 mSv
  23. De vergunninghouder moet ervoor zorgen dat het omgevingsdosisequivalent op de terreingrens van de onderneming een bepaalde grenswaarde niet overschrijdt. Welke is deze grenswaarde?
    1. 1 mSv per jaar
    2. 0,1 mSv per jaar
    3. 1 μSv per uur
    4. 0,5 μSv per uur
  24. Welke persoon is bevoegd om radioactieve stoffen daadwerkelijk te beheren en te gebruiken?
    1. elke stralingsdeskundige met het diploma niveau-3
    2. de directeur van een bedrijf mits dit beschikt over een passende kernenergiewetvergunning
    3. uitsluitend de stralingsdeskundige die in de kernenergiewetvergunning wordt genoemd
    4. elke medische specialist die geregistreerd is als nucleair geneeskundige
  25. Welk röntgentoestel is vergunningsplichtig?
    1. röntgentoestel voor industriële radiografie met een maximale buisspanning van 50 kV
    2. mammografietoestel (toestel voor medische diagnostiek) met een maximale buisspanning van 28 kV
    3. orthopantomograaf (toestel voor het maken van panoramafoto's van het gebit) met een maximale buisspanning van 90 kV
    4. het röntgentoestel in de tandartspraktijk met een maximale buisspanning van 60 kV
  26. Bij een röntgentoestel wordt de buisspanning verlaagd. Verder worden de instellingen van het toestel niet gewijzigd. Wat is het gevolg van deze verlaging?
    1. de energie van de karakteristieke straling neemt af
    2. de energie van de karakteristieke straling neemt toe
    3. de intensiteit van de straling neemt af
    4. de intensiteit van de straling neemt toe
  27. De halveringsdikte (HVD) is de hoeveelheid materiaal die het dosistempo met een factor twee vermindert. Welke eigenschap geldt voor de straling die door een röntgentoestel wordt opgewekt?
    1. de HVD wordt groter als de belichtingsduur toeneemt
    2. de HVD wordt kleiner als de belichtingsduur toeneemt
    3. de HVD vóór verstrooiing van de straling is groter dan de HVD ná verstrooiing
    4. de HVD vóór verstrooiing van de straling is kleiner dan de HVD ná verstrooiing
  28. Welke maatregel leidt tot de grootste afname van het dosistempo ?
    1. activiteit met een factor 3 verminderen
    2. werktijd met een factor 3 verkorten
    3. activiteit met een factor 3 verminderen en tevens werktijd met een factor 3 verkorten
    4. werkafstand met een factor 2 vergroten
  29. De Richtlijn Radionuclidenlaboratoria schrijft een bepaalde ruimteventilatie per uur voor. Welke is dat ventilatievoud?
    1. 4-voudig voor alle categorieën radionuclidenlaboratoria
    2. 8-voudig voor alle categorieën radionuclidenlaboratoria
    3. 16-voudig voor alle categorieën radionuclidenlaboratoria
    4. 4-voudig voor een D-, 8-voudig voor een C- en 16-voudig voor een B-laboratorium
    Bij de beantwoording van de volgende vraag mag u gebruik maken van de gegevens in tabel A.
  30. Tijdens een experiment op een laboratoriumtafel in het C-laboratorium wordt niet vluchtig, met 32P gemerkt fosfaat gepipetteerd. Het experiment neemt 4 uur in beslag. Per keer wordt er met 37 MBq gewerkt. De dosisconversiecoëfficiënt voor inhalatie bedraagt e(50)inh = 2,9×10-9 Sv Bq-1. Hoeveel draagt dit experiment bij tot de belastingsfactor B van dit laboratorium?
    1. 0,01
    2. 0,05
    3. 0,1
    4. 0,5
  31. U wordt als coördinerend deskundige geconfronteerd met een stralingsincident waarbij een werknemer inwendig is besmet. De geschatte effectieve volgdosis ligt in de orde van 20 mSv. In welk geval meldt u het incident bij de stralingsarts voor advies?
    1. in alle gevallen
    2. alleen in geval de werknemer NIET is ingedeeld als blootgestelde werknemer
    3. alleen in geval de werknemer WEL is ingedeeld als blootgestelde werknemer
    4. alleen in geval de werknemer is ingedeeld als blootgestelde werknemer categorie A
  32. Blootstelling aan kunstmatige optische straling kan leiden tot een aandoening. Welke van onderstaande aandoeningen behoort daar NIET toe?
    1. oogletsel
    2. verbranding van de huid
    3. huidkanker
    4. darmkanker
Laatst gewijzigd:25 april 2016 18:24