Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsOnze organisatieWet- en regelgevingAlgemeen

Nota van toelichting bij Regeling Nevenbelangen

vastgesteld op 15 februari 2005 en gewijzigd op 19 januari 2010

De universiteit heeft enige duizenden werknemers. Hoewel de universiteit de persoonlijke levensomstandigheden en de persoonlijke belangen van haar werknemers uiteraard wenst te respecteren, stelt zij zich op het standpunt dat de belangen van haar individuele personeelsleden, als het erop aankomt dienen te wijken voor die van de universiteit als zodanig. Dit beginsel, onder meer te herkennen in de tekst van de Regeling Nevenwerkzaamheden, wordt vrij algemeen onderschreven en het staat niet ter discussie. Toch verdient het beginsel enige nuancering in situaties waarin de mogelijkheid van conflicterende belangen het gevolg is van het beleid van de universiteit zelve, toe te staan of zelfs te stimuleren dat haar eigen personeelsleden zich op het terrein van het innovatieve ondernemerschap begeven. Bij bestuursorganen op facultair en centraal niveau en bij de betrokken wetenschappelijke onderzoekers, blijkt behoefte aan duidelijkheid te bestaan ten aanzien van de vraag, hoe om te gaan met situaties waarin de belangen van de verschillende, bij het proces van technologische innovatie betrokken wetenschapsbeoefenaren en instanties, niet corresponderen.  

Het hierboven beschreven perspectief van belangenverstrengeling kan zich voordoen bij de beslissing omtrent het al dan niet aangaan, door de universiteit, van overeenkomsten bij welker effectuering of uitvoering een of meer van onze eigen personeelsleden naar verwachting belangen van zakelijke aard zullen hebben. Omgekeerd kan het zich ook voordoen bij de vraag of onze personeelsleden eigenlijk wel substantiële belangen zullen mogen hebben, krijgen of houden in ondernemingen waarmee onze universiteit een zakelijke relatie, bijvoorbeeld in de sfeer van de (betaalde) research onderhoudt. Anders gezegd, de vraag welk of wiens belang er het eerst was, is in beginsel niet aan de orde: het gaat er vooral om, de wetenschappelijke waarden enverantwoordelijkheden en de persoonlijke belangen der betrokkenen zo scherp mogelijk van elkander te onderscheiden, zodat maatregelen kunnen worden getroffen om vermenging ervan zoveel mogelijk te voorkomen.  

Gepoogd is op het bovenbeschreven terrein, dat gemakshalve is aan te duiden als dat van debelangenverstrengeling, enige regels te stellen. Vooraf zij overigens nadrukkelijk opgemerkt dat het college van bestuur zich realiseert dat absolute uitsluiting van de hier bedoelde belangenverstrengeling niet bereikbaar is.  

In het licht van het voorafgaande zal het geen verwondering wekken dat de Regeling niet, zoals bijvergelijkbare regelingen doorgaans het geval is, behoudens het bepaalde in artikel 3 tweede lid, wordt gekarakteriseerd door een expliciete of impliciete normstelling. Er staat niet in de regeling dat belangenverstrengeling wel (of juist niet) geoorloofd of verboden is, er wordt volstaan met het uitgangspunt dat situaties van (mogelijke) belangenverstrengeling dienen te worden aangemeld bij het bevoegde gezag, d.w.z. bij het college van bestuur als het om hoogleraren gaat en bij het faculteitsbestuur of directie als het om andere personeelsleden gaat.  

In de Regeling is opgenomen dat een financieel belang van meer dan 4,99% in een onderneming die een relatie onderhoudt met de universiteit strijdigheid oplevert als bedoeld in het eerste lid van artikel 3. Dit percentage is opgenomen in de Regeling om meer duidelijkheid op dit punt te scheppen. Voor de hoogte van het genoemde percentage is aansluiting gezocht bij het begrip “aanmerkelijk belang” zoals dat wordt gehanteerd in fiscale wetgeving. Het in de Regeling gehanteerde percentage komt overeen met het gehanteerde percentage in een vergelijkbare regeling van de Universitaire Medische Centra.  

Hierbij wordt onderstreept dat de hoofdregel in de Regeling is dat het CvB besluit of er sprake is van strijdigheid met de belangen van de RUG. Opgenomen in de Regeling is dat in ieder geval geacht wordt strijdig te zijn een financieel belang van meer dan 4,99% (samengevat). Het oordeel over de toelaatbaarheid van constructies ter ontduiking van dit percentage wordt in alle gevallen aan het CvB overgelaten.  

Het bevoegde gezag zal, tegen de achtergrond van het vereiste van zuiverheid in de facultaire wetenschapsbeoefening, de besluitvorming met betrekking tot de wetenschapsbeoefening dienen te beveiligen tegen het gevaar van ongewenste invloeden.  

In concreto zal het daarbij meestal gaan om de besluitvorming terzake van de vaststelling of de uitvoering van het onderzoekprogramma of bepaalde onderdelen daarvan.  

In het merendeel der gevallen zal men waarschijnlijk tot de conclusie komen dat het nodig is, de betrokken “belanghebbenden” te weren uit de besluitvorming. Er zullen zich echter ongetwijfeld ook situaties voordoen waarin die oplossing niet denkbaar is, bijvoorbeeld omdat de betrokkene als enige hoogleraar in een eenheid van bescheiden formaat, de volle verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van het wetenschapsgebied moet kunnen dragen. In zo’n situatie is het dan overigens nog wel denkbaar, de besluitvorming bij wijze van uitzondering expliciet aan hoger toezicht (door het faculteitsbestuur) te onderwerpen, maar als ook dat geen optie is blijft slechts de mogelijkheid over van een dringend verzoek tot afstoting of opschorting van de “belangen” in kwestie.  

Daarbij dient uitdrukkelijk te worden aangegeven dat het niet voldoen aan dat dringende verzoek zal kunnen leiden tot de conclusie dat het personeelslid zijn universitaire functie niet meer naar behoren vervult: het perspectief van “plichtsverzuim” en daarop te baseren disciplinaire maatregelen, in uiterste instantie zelfs ontslag, moet van meet af aan duidelijk zijn.  

Het College van Bestuur hecht eraan op dit punt nog eens nadrukkelijk op te merken dat ook de zakelijke belangen van een mogelijke partner kunnen leiden tot de noodzaak van een aangepaste opstelling in de universitaire besluitvorming, en tot het verwijt van “plichtsverzuim” in disciplinaire zin als men daarvoor niet gevoelig blijkt.  

De conclusie moet zijn dat bij de toepassing van de Regeling Nevenbelangen het accent zal moeten liggen op het tweede lid van artikel 4, maar dat het bevoegde gezag onder omstandigheden de voorkeur kan geven aan de confronterende aanpak van lid 1 van dit artikel.

Laatst gewijzigd:03 juli 2015 10:06
printOok beschikbaar in het: English