Het gehele evaluatie-traject neemt 6-15 weken in beslag. In deze periode mag de uitvinding uiteraard niet openbaar worden gemaakt. Een enkele keer moet een octrooiaanvraag met spoed worden ingediend vanwege een uitkomende publicatie. Getracht wordt dit te vermijden omdat er dan een verhoogde kans bestaat op een slechte beoordeling door de octrooiverlenende instanties hetgeen de hoge kosten van een octrooi-indiening niet rechtvaardigt.
Als een octrooi-initiatief sneuvelt in één van bovengenoemde stappen, dan zijn de tot dan toe gemaakte kosten voor rekening van het centrale budget (“pre-advies” budget van max. € 2.500). Geschat wordt dat dit bij ongeveer één op de 3 à 4 aangemelde en uitgebreid onderzochte uitvindingen het geval is. Als wel besloten wordt tot octrooi-indiening, dan worden de kosten vrijwel geheel door het octrooifonds gedragen. De indieningskosten kunnen sterk variëren maar liggen meestal rond € 10.000,-.Een kwart hiervan, met een maximum van € 2.500,-, komt – eenmalig - ten laste van de onderzoeksgroep.
Onderzoekers wordt er op gewezen dat, conform de Nederlandse Rijksoctrooiwet, de octrooiaanvraag altijd op naam komt te staan van de werkgever: RUG, en bij UMCG aanvragen RUG+AZG samen. Incidenteel is er een aanvraag vanuit de kliniek die t.n.v. AZG komt te staan.
Alle correspondentie over RUG/UMCG octrooi(aanvrag)en gaat naar TLG, met cc aan SBGG en de uitvinder, en eventueel aan een derde mede-eigenaar. Het octrooibeheer inclusief archivering en het financiële beheer wordt door TLG uitgevoerd, SBGG begeleidt de valorisatie. In principe dient een licentie/overdracht/spin-out gerealiseerd te zijn voor het ingaan van (dure) Nationale Fasen, dat is 30 maanden na indiening.